Op 11 februari 2005 is in RD een artikel verschenen onder de titel “Hij is zo christelijk, ik dacht, dat zit wel goed” (hierna artikel I) dat, onder meer en voor zover hier van belang inhoudt:
“[…]
Toen hij na lang aanhouden een financieel overzicht kreeg, bleek hem pas goed hoe de zaken in elkaar staken. Het financieel overzicht was niet meer dan een handgeschreven, slecht leesbaar A4’tje waaruit voor zijn gevoel maar één ding viel op te maken: dat hij was voorgelogen. [naam 1] besloot definitief af te haken.
[…]
[naam 2] heeft zich krom gewerkt, is in die vijf jaar nauwelijks met vakantie geweest en ziet uit naar ‘licht aan het eind van de tunnel.’ Hij noemt met name [gemachtigde] ‘ontzettend geldzuchtig’ maar wat hem het meest steekt, is dat hem een boerderij in de maag werd gesplitst die eigendom zou zijn van de Poolse BV maar die in werkelijkheid werd gepacht van het Poolse bureau dat de privatisering regelt. ‘Ik ben te goed van vertrouwen geweest. Hij is zo christelijk, ik dacht: Dat zit wel goed. Zelfs accepteerde ik dat we niet naar een notaris hoefden. [(...)], zei hij, je hebt nu een BV gekocht, dan is dat anders.’
Net als [naam 2] voelt ook [naam 1] zich beetgenomen. Voor [eiser&gemachtigde] heeft hij geen goed woord over. ‘Voor echte christenen die naar de Tien Geboden proberen te leven, heb ik respect. Voor die [eiser&gemachtigde] niet.’ Behalve van hele en halve leugens, gesjoemel met geld en gerommel met onroerend goed beschuldigt hij [gemachtigde] van bedrieglijke bankbreuk. In de periode dat ik zaken met hem deed, verkeerde hij in staat van faillissement. Maar hij ging gewoon door met het aangaan van transacties buiten het zicht van de curator.’
[…]
Een volgende advocaat bestudeerde zijn dossier en kwam tot de slotsom dat er sprake was van strafbare feiten.
Dat leidde tot een strafklacht bij justitie in Assen, Daar werd de zaak voortvarend opgepakt, totdat zich de bouwfraude aandiende. Plotseling ontbrak het justitie aan mankracht en werd de aangifte geseponeerd.
[…]
Tijdens de vorige maand gehouden beurs [(...)] in [woonplaats] verzorgde [gemachtigde] een presentatie waarin hij in eerste instantie waarschuwde voor een blind avontuur, maar vervolgens ‘de gigantische mogelijkheden’ schetste die de juiste managerstypes in [land] toelachen. Na afloop wil hij ‘met alle liefde’ op kritische vragen ingaan. Dat het bij [naam 1] misging, rekent hij ‘niet primair’ tot zijn verantwoordelijkheid. Diens compagnon liet het uiteindelijk afweten en dat kan hem, [gemachtigde], moeilijk worden aangerekend.
Maar is hij wel de aangewezen persoon om voor boeren te bemiddelen en hen te begeleiden? In het Nederlandse zakenleven maakte hij hoofdzakelijk brokken en liet hij een onafzienbare rij aan schuldeisers achter. Bovendien ging hij ook persoonlijk op de fles.
[gemachtigde], laconiek: ‘Ach, in Amerika is het zelfs een pre als je een keer failliet bent gegaan.’
Maar bent u wel capabel? In door u opgestelde contracten ontbreken zelfs elementaire gegevens als geboortedatum en adressen van partijen.
‘Er zijn best dingen die juridisch beter hadden gekund, ja.’
U sloot ook nog eens transacties af buiten het zicht van uw curator.
‘Dat liegt hij. Hij wist overal van.’
[eiser] reageert woedend op alle beschuldigingen. ‘Wij hebben geprobeerd het met [naam 1] in orde te maken, maar hij wil niet. Ook zijn we bezig vroegere schuldeisers terug te betalen. Daar zijn we formeel niet eens toe verplicht. Bovendien betreft het maar twee zaken en we hebben tientallen tevreden klanten.’
[…]
De Hoofddorpse zakenman [gemachtigde] was tot begin jaren negentig penningmeester van [(...)], een charitatief fonds voor bevindelijk gereformeerden die gemoedsbezwaren hebben tegen verzekeren. Toen hij zakelijk aan de grond dreigde te lopen, sluisde [gemachtigde] een bedrag van in totaal 625.000 gulden van de stichting naar zijn privé-rekening. Hij zegt daarvoor toestemming te hebben gekregen van een aantal bestuursleden.
[…]
De huidige voorzitter van [(...)], [naam 3], die graag openheid zegt te willen betrachten, ontkent dat [gemachtigde] indertijd toestemming had voor de financiële transactie. Hij betitelt die handeling als ‘verduistering’.
Dat er indertijd geen aangifte is gedaan, komt volgens de Nederhemertse predikant vooral doordat het toenmalige bestuur wilde voorkomen dat ‘de naam des Heeren zou worden gelasterd’ Verder speelde mee dat de penningmeester veel vrijheid was gegeven en bovendien zou aangifte er waarschijnlijk toe leiden dat er dan nooit meer een cent terug zou komen, nog afgezien van de schade voor het imago van [(...)].
[…]
Intussen blijft een aantal zaken onopgehelderd. Zo is onduidelijk waar een deel van het geld dat [gemachtigde] via [(...)] naar zich toe sluisde, van afkomstig was. […] [gemachtigde] zelf is een van de weinigen die daarop het antwoord weet, maar hij weigert op vragen in te gaan omdat hij vindt ‘dat het RD hier geen moer mee te maken heeft’”