RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
kort geding
zaaknummer: 3673631 KK EXPL 14-1933
vonnis van: 10 april 2015
func.: 245
vonnis van de kantonrechter
[verzoekster]
wonende te [woonplaats]
nader te noemen: [verzoekster]
gemachtigde: mr. H. den Besten
het publiekrechtelijk lichaam Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV)
gevestigd te Amsterdam
nader te noemen: UWV
gemachtigde: mr. M. van der Bent
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Bij dagvaarding van 16 december 2014 heeft [verzoekster] een voorziening gevorderd. Vooraf-gaand aan de zitting hebben beide partijen stukken ingezonden en UWV heeft een conclusie van antwoord genomen.
Ter terechtzitting van 15 januari 2015 is de zaak mondeling behandeld. [verzoekster] is verschenen, vergezeld door haar gemachtigde en belangstellenden. Gedaagde is verschenen bij [naam 1], en haar gemachtigde met een belangstellende.
Beide partijen hebben een toelichting verstrekt, deels aan de hand van een overgelegde pleitnotitie. De kantonrechter heeft vragen gesteld. Van het besprokene zijn aantekeningen gemaakt, die in het dossier zijn opgenomen.
Vervolgens is de zaak aangehouden in verband met het bereiken van een minnelijke regeling. Een tweede mondelinge behandeling is bepaald op 25 maart 2015, voor welke zitting beide partijen stukken hebben ingezonden. Dezelfde personen zijn verschenen, terwijl UWV ook nog [naam 2] heeft meegebracht.
Wederom is door beide partijen een toelichting verstrekt en zijn vragen beantwoord.
Tot slot is vonnis bepaald op heden.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
1. Als uitgangspunt in dit geding geldt het navolgende:
1.1.
[verzoekster] is sinds [datum] bij UWV in dienst als verzekeringsarts. [verzoekster] is geboren op [geboortedatum] en thans derhalve [leeftijd] jaar oud. In juli 2010 is [verzoekster] - na een interne sollicitatieprocedure - geplaatst in de functie Verzekeringsarts [afdeling] ([afdeling]) in het district [locatie 1]/[locatie 2].
1.2.
Er zijn twee teams [afdeling] in [locatie 2]; Team A met als leidinggevende [naam 3] (verder [naam 3]) en Team B met als leidinggevende [naam 4] (verder [naam 4]). Daarnaast is er een Team [afdeling] [locatie 1], onder leiding van [naam 5] (verder [naam 5]).
1.3.
De werkplek van [verzoekster] is in 2010 Team A [locatie 2] geworden. [verzoekster] werkt 32 uur per week. In haar functie behandelt [verzoekster] dossiers en doet zij hoorzittingen.
1.4.
Op 29 maart 2011 is [verzoekster] als gevolg van arbeidsongeschiktheid volledig uitgevallen.
1.5.
Vanaf maart 2012 is [verzoekster] gaan reïntegreren. Alvorens weer werkzaamheden te gaan verrichten, heeft [naam 3] een gesprek tussen [verzoekster] en de mede-werkers van Team A [locatie 2] gearrangeerd. [verzoekster] heeft na het gesprek gesteld niet meer met [naam 3] te willen werken.
1.6.
[verzoekster] is daarop overgeplaatst naar Team B [locatie 2]. De reïntegratie (het casemanagement) is - vooralsnog - overgenomen door [naam 6], coördinator [locatie 2].
1.7.
Bij Team B [locatie 2] was [verzoekster] in 2013 werkzaam onder leiding van [naam 4], maar werkte (sinds het gesprek met [naam 3]) fysiek op een andere afdeling (SMZ) dan [afdeling] [locatie 2]. Zij kwam alleen na werktijd op de afdeling om dossiers op te halen. De reïntegratie verliep voor het overige goed.
1.8.
In februari 2013 heeft UWV een loonsanctie opgelegd gekregen wegens onvoldoende reïntegratie-inspanningen. In een rapportage van september 2013 overweegt de verzekeringsarts dat [verzoekster] ‘bij lange na niet het merendeel van de werkzaamheden van een [afdeling]-arts aankan’.
1.9.
Volgens het door beide partijen ondertekende plan van aanpak van 13 januari 2014 werkt [verzoekster] vanaf januari 2014 14 uur per week met een loonwaarde van 12 uur in een deel van haar eigen takenpakket. Zij doet beperkt hoorzittingen, een tot twee per week (in [locatie 1]) en werkt 4 keer 3,5 uur per week.
1.10.
Op 20 februari 2014 is in verband met de WIA-keuring van [verzoekster] een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Daarin is vastgelegd dat het functioneren van [verzoekster] aan een aantal fysieke beperkingen onderhevig is. Ten aanzien van het samenwerken (in het kader van het sociaal functioneren) bepaalt de FML dat [verzoekster] normaal kan samenwerken in teamverband, dat ze haar eigen gevoelens normaal kan uiten en dat [verzoekster] geen specifieke beperkingen heeft in sociaal functioneren. Ook ten aanzien van vervoer heeft [verzoekster] geen beperkingen.
1.11.
Op 24 maart 2014 is gerapporteerd in het kader van de WIA-beoordeling van [verzoekster]. Uit de rapportage volgt dat [verzoekster] arbeidsongeschikt is voor haar eigen functie, maar structureel werkt voor 12 uur per week in eigen, aangepaste taken met een gedeeltelijke loonwaarde.
1.12.
De heer [naam 4] is in de loop van maart/april 2014 uitgevallen. [naam 5] is in april 2014 door [verzoekster] benaderd om als haar casemanager op te treden. Vanaf enig moment in mei 2014 is [naam 7] (verder [naam 7]) als leidinggevende van [verzoekster] (Team B [locatie 2]) gaan functioneren.
1.13.
In de zomer van 2014 zou de afdeling SMZ waar [verzoekster] nog steeds fysiek werkzaam was, verhuizen naar een nieuwe locatie. In dat verband heeft [verzoekster] op 5 augustus 2014 per mail aan [naam 7] gevraagd te kijken naar haar fysieke terugkeer op de afdeling [afdeling] Team B [locatie 2], de afdeling van [naam 7]. Ook op 8, 11 en 12 augustus 2014 hebben [verzoekster] en [naam 7] met elkaar over allerlei zaken gemaild.
1.14.
Bij mail van woensdag 13 augustus 2014 heeft [naam 7] aan [verzoekster] bericht:
Dag [verzoekster],
Afgelopen maandag trof ik je bij [naam 5] op de kamer en deed je een uitlating die je direkt daarna weer inslikte. Inmiddels heb ik van verschillende kanten begrepen dat je diezelfde uitlating in het bijzijn van anderen ook hebt gedaan. Dat is voor mij onacceptabel.
Morgenmiddag kom ik naar [locatie 2] en wil dit onder 4 ogen met je bespreken. Ik moet nog wat schuiven in de agenda, maar ik vermoed rond 15.00 uur op jullie locatie te zijn.
1.15.
Op donderdag 14 augustus 2014 heeft [naam 7] [verzoekster] gebeld. [verzoekster] heeft de telefoon niet beantwoord. [naam 7] heeft de voicemail van [verzoekster] ingesproken dat zij even haar rust moest pakken en dat zij op maandag 18 augustus 20914 een gesprek zouden hebben.
1.16.
Het gesprek heeft niet plaats gevonden. [verzoekster] is door haar dochter per mail van 18 augustus 2014 met terugwerkende kracht per 11 augustus 2014 ziek gemeld. Later heeft [verzoekster] gesteld dat dat een vergissing was en dat de ziekmelding pas per 18 augustus 2014 had moeten zijn.
1.17.
Bij brief van 21 augustus 2014 heeft UWV [verzoekster] bericht dat haar gedrag van 8 en 11 augustus 2014 voor UWV onacceptabel was. De brief stelt:
U hebt aangegeven dat u met een aantal collega’s niet wilt samenwerken, U kunt niet, ten overstaan van collega’s, laten weten met wie u wel en niet wilt (samen) werken en zich daarbij in negatieve zin uitlaten over collega’s . Daarmee beschadigt u collega’s en raken de verhoudingen op de werkvloer verstoord.
Wij zullen met u in gesprek gaan en afspraken maken teneinde dit onwenselijke gedrag te laten stoppen.
[…]
Hiernaast willen wij u laten weten dat uw salaris niet wordt doorbetaald tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid. U bent namelijk doorlopend arbeidsongeschikt vanaf 29 maart 2011.[…]
1.18.
De bedrijfsarts van UWV heeft op 25 augustus 2014 geoordeeld dat er op dat moment geen benutbare mogelijkheden waren en dat er geen redenen waren waarom partijen op dat moment niet met elkaar in gesprek konden gaan, maar dat die er op 18 augustus 2014 wel waren.
1.19.
Bij email 10 september 2014 heeft de gemachtigde van [verzoekster] haar geschikt gemeld per die dag. De email vermeldt dat [verzoekster] op non-actief was geplaatst en daarom het werk niet zou hervatten.
1.20.
De bedrijfsarts heeft bij controle op 20 oktober 2014 geoordeeld dat de FML (van 20 feb 2014) onveranderd was en dat er medisch geen bezwaar was tegen een werkhervatting. [verzoekster] heeft laten weten niet onder [naam 7] werkzaam te kunnen zijn. UWV heeft [verzoekster] aangeboden haar over te plaatsen naar Team [afdeling] [locatie 1] en onder [naam 5] te werken, hetgeen door [verzoekster] is afgewezen. [verzoekster] heeft het werk tot heden niet hervat.
1.21.
[verzoekster] is in december 2014 een volledige WGA-uitkering toegekend per augustus 2014.
1.22.
[naam 7] heeft inmiddels een andere functie gekregen; zijn werkzaamheden zijn overgenomen door [naam 3]. De afdeling SMZ verhuist 25 mei of 25 juni 2015 naar een ander pand. [afdeling] [locatie 2] blijft vooralsnog in het oude pand en wordt gezamenlijk gehuisvest in een kantoortuin.
1.23.
Sinds 2011 is [verzoekster] onder behandeling van psychotherapeuten in verband met depressies en een bi-polaire stoornis.
Vordering en verweer
2. [verzoekster] vordert als voorziening veroordeling van UWV om haar toe te laten tot haar werkzaamheden als verzekeringsarts voor 14 uur per week onder dezelfde speciale omstandigheden, genoemd in punt 7 van de dagvaarding, totdat [verzoekster] voldoende hersteld is om met toestemming van de bedrijfsarts onder andere omstandigheden te gaan werken, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag dat UWV daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 75.000,00.
3. In punt 7 van de dagvaarding is een omschrijving van de beoogde werkzaamheden van opgenomen. Die omvat een werkplek bij de afdeling [afdeling] [locatie 2], maar op de primaire afdeling, die een verdieping lager zit. Daar kan zij op de kamer zitten bij [naam 8] en [naam 9]. Daarnaast mogen bepaalde mensen - waaronder [naam 7], [naam 3] en [naam 10] - niet op die afdeling komen, totdat [verzoekster] hen weer vertrouwt. [verzoekster] kan dan onder de leidinggevende [naam 5] werken.
4. [verzoekster] stelt - verkort weergegeven - met betrekking tot haar vordering dat zij leidt aan een Bipolaire stoornis, dat zij niet kan werken met mensen die haar een manie hebben ingejaagd, zoals [naam 3], [naam 11], [naam 1], en [naam 7], totdat zij die angsten heeft weggetraind. Zij wil niet in [locatie 1] werken, omdat zij daar de mensen tegenkomt, die haar de manie van augustus 2014 hebben ingejaagd. Zij kan wel onder [naam 5] werken, als zij fysiek in [locatie 2] zit. Een gesprek met [naam 3] of [naam 7] is niet mogelijk. Volgens [verzoekster] volgt dit uit de FML van februari 2014.
5. Na een periode van 6 maanden kan dan worden bezien hoe ver zij is en of [verzoekster] in staat is om weer met de genoemde leidinggevenden te werken. Maar enige zekerheid kan [verzoekster] daarover niet geven.
6. UWV meent dat de vorderingen van [verzoekster] moeten worden afgewezen en voert - kort gezegd - daartoe aan dat zij net als alle medewerkers in beginsel inzetbaar is in beide locaties van het district, [locatie 1] en [locatie 2]. Het FML van [verzoekster] verzet zich daar niet tegen. UWV heeft [verzoekster] willen plaatsen in [locatie 1], dat voor haar een veilige werkomgeving biedt en waar [naam 5], waaronder [verzoekster] wil werken, ook fysiek werkzaam is, [verzoekster] heeft dat echter geweigerd. Daarnaast geldt dat de FML van [verzoekster] geen beperkingen bevat op grond waarvan [verzoekster] niet op haar gedrag kan worden aangesproken of een gesprek kan voeren. UWV kan niet accepteren dat [verzoekster] negatieve uitlatingen doet over haar collega’s in [locatie 2].
7. Het voortzetten van de oude situatie in [locatie 2] is geen optie. Daar werken [naam 1] en [naam 3], thans de leidinggevende van de [afdeling] Teams A en B [locatie 2].
Beoordeling
8. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen, dan wel of de vordering van [verzoekster] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
9. Vooropgesteld wordt dat het is niet aan [verzoekster] is voorwaarden aan haar reïntegratie te stellen of zelf te bepalen op welke wijze haar reïntegratie vorm krijgt, daar waar deze voorwaarden c.q. haar wensen te dien aanzien niet door de FML worden ondersteund.
10. Overwogen wordt vervolgens dat noch uit de FML, noch uit de overige ingebrachte stukken volgt dat [verzoekster] met de door haar genoemde personen niet zou kunnen of hoeven samen te werken en/of van haar niet gevergd kan worden haar werkzaamheden in [locatie 1] uit te voeren. Dat wordt ook niet door de bedrijfsarts of de verzekeringsarts ondersteund. De verklaring van haar psychotherapeut wijst evenmin in die richting.
11. Met UWV wordt verder geoordeeld dat van [verzoekster] gevraagd kan worden dat zij over de negatieve en beschadigende uitlatingen over haar collega’s een gesprek voert. Onvoldoende blijkt dat dat zij daartoe niet in staat is en voor de samenwerking van [verzoekster] met haar collega’s - en daarmee het slagen van de reïntegratie - lijkt dat zondermeer van belang. Bovendien is het in het belang van de collega’s van [verzoekster], welk belang voor UWV ook telt.
12. Hoewel de kantonrechter ervan overtuigd is dat [verzoekster] haar werkzaamheden zeer graag wil hervatten en zij een barrière moet overwinnen om feitelijk weer aan de slag te gaan, wordt geoordeeld dat UWV [verzoekster] reeds zeer ver tegemoet is gekomen rondom de reïntegratie. Een aanpassing van haar organisatie naar de wensen van [verzoekster] kan van UWV niet gevergd worden.
13. Dit alles betekent dat de vorderingen van [verzoekster] worden afgewezen.
14. [verzoekster] wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld in de proces-kosten gevallen aan de zijde van UWV, zoals hieronder bepaald.
BESLISSING
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding aan de zijde van UWV tot op heden begroot op € 400,00 voor zover verschuldigd inclusief BTW, aan salaris van haar gemachtigde;
veroordeelt [verzoekster] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [verzoekster] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander indien van toepassing inclusief BTW;
verklaart de betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mr M.V. Ulrici, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.