Overwegingen
1. Op 14 oktober 2013 omstreeks 11.35 uur constateerde een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam dat de auto van eiser, merk[auto], met kenteken [nummer], op de [adres] te Amsterdam ter hoogte van [huisnummer] geparkeerd stond. Bij controle stelde de parkeercontroleur vast dat geen parkeerbelasting voor het parkeren van de auto was voldaan. De parkeercontroleur heeft vervolgens aan eiser een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ter hoogte van € 59,90. Het nageheven bedrag bestaat uit € 4,- (parkeerbelasting) en € 55,90 (kosten van de naheffingsaanslag).
2. Eiser voert aan dat hij de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan. Hij heeft slechts geweigerd zijn kentekengegevens in te voeren bij het doen van de aangifte, omdat hij de registratie en de opslag hiervan beschouwt als een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn onder andere in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op zijn privéleven. Eiser stelt als kenteken te hebben ingevoerd:[nummer]’. Hij heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat parkeerders in de gelegenheid dienen te worden gesteld de verschuldigde belasting te voldoen zonder registratie van aan hen te koppelen privégegevens.
3. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij de verschuldigde parkeerbelasting heeft betaald, heeft eiser een betaalbewijs overgelegd van een betaling op 14 oktober 2013 om 9.51 uur bij automaat[nummer] van een bedrag van € 8,67 ten laste van een geanonimiseerde rekening bij de ABN Amro Bank. Op het betaalbewijs is aangegeven dat is betaald tot 12.01 uur. Als kenteken staat op het betaalbewijs[nummer]’ vermeld. Op de overgelegde ‘pashouderbon’ is vermeld dat met het betalingssysteem Maestro op 14 oktober 2013 om 9.52 uur een bedrag is betaald van € 8,67 ten laste van een niet gespecificeerde rekening bij de ABN Amro bank.
4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de parkeerder ingevolge de Verordening Parkeerbelastingen 2013-II (de Verordening) verplicht is het kenteken van het te parkeren voertuig bij de voldoening van de parkeerbelasting op te geven. Nu eiser zich niet aan deze verplichting heeft gehouden is volgens verweerder geen sprake van een rechtsgeldige betaling van parkeerbelasting. Volgens verweerder is uit het door eiser meegezonden betaalbewijs niet te herleiden dat voor de auto waarmee eiser parkeerde op voornoemde datum parkeerbelasting is betaald en derhalve was ten tijde van de controle niet aan de betalingsplicht voldaan, aldus verweerder.
5. Bij de beoordeling van het voorliggende geschil wijst de rechtbank op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 7 mei 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:2631). Verweerder heeft – evenals in de zaak die ten grondslag lag aan het in voornoemde uitspraak aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1997 (ECLI:NL:HR:1997:AA3200) – met toepassing van artikel 234, tweede lid, van de Gemeentewet voorschriften neergelegd in het Uitvoerings- en Aanwijzingsbesluit ter facilitering van de controle en handhaving. De daarin opgenomen verplichting tot het invoeren van het juiste kenteken heeft echter, gelet op de redactie van artikel 234 van de Gemeentewet, uitsluitend betrekking op het doen van aangifte voor parkeerbelasting. De rechtbank volgt verweerder daarom niet in zijn betoog dat aan het niet-naleven van het voorschrift het rechtsgevolg dient te worden verbonden dat niet rechtsgeldig is betaald. Het niet, niet volledig of onjuist invoeren van het kenteken van de auto waarmee wordt geparkeerd, doet niet af aan het in artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) neergelegde beginsel dat ter zake van een belasting die op aangifte moet worden voldaan uitsluitend kan worden nageheven indien die belasting niet is betaald. Indien de voorwaarde van invoering van het kenteken zo moet worden opgevat dat parkeren zonder juiste invoering van het kenteken betekent dat sprake is van parkeren zonder dat de verschuldigde belasting is betaald, zoals door verweerder is betoogd, zou dat meebrengen dat dit artikel in zoverre onverbindend zou zijn wegens strijd met artikel 20 van de Awr. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 3.3. van het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 11 januari 2008. Uit het voorgaande vloeit voort dat de vaste jurisprudentie betreffende de vraag of de parkeerbelasting is betaald, van toepassing blijft. De bewijslast dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan, rust in eerste instantie op verweerder. De omstandigheid dat de controleur geen betaling heeft waargenomen, bijvoorbeeld omdat hem bekend is dat niet ter zake van het kenteken parkeerbelasting is betaald, kan in het algemeen als toereikend bewijs dienen. De belastingplichtige heeft echter de mogelijkheid alsnog tegenbewijs te leveren. Het bewijs dat voor het parkeren van een auto is betaald kan daarom op verschillende manieren worden geleverd, niet alleen door een juiste invoering van het kenteken bij de automaat. De rechter heeft vervolgens de vrijheid aan dat tegenbewijs de waarde toe te kennen die hem goeddunkt.
6. De rechtbank ziet in hetgeen door partijen naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor een andersluidend oordeel in dit geval.
7. Verweerder heeft de door eiser weergegeven feiten niet betwist. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de door eiser afgelegde verklaring daaromtrent. In het onderhavige geval acht de rechtbank, op basis van deze feiten, voldoende aannemelijk dat eiser de verschuldigde belasting heeft voldaan aan verweerder. Dat eiser voor een andere auto heeft betaald die ook in de omgeving van de betaalautomaat geparkeerd stond, acht de rechtbank, gegeven het consistente relaas van eiser in samenhang met het overgelegde betaalbewijs en de overgelegde pashouderbon, niet aannemelijk. Dit betekent dat eiser met de in overweging 3 genoemde bewijsmiddelen erin is geslaagd het (tegen)bewijs te leveren dat voor het parkeren van zijn auto op de genoemde plaats, dag en tijdstip is betaald.
8. Het beroep is gelet op het vorenstaande gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en herroept de naheffingsaanslag.
9. Gegeven dit oordeel komt de rechtbank niet toe aan de grieven die eiser naar voren heeft gebracht die zien op de bescherming van zijn privéleven.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank tevens dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).