[Eiser] vordert, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. te verklaren voor recht dat [gedaagde] met het trekken en publiceren van de conclusies zoals gepubliceerd in het jaarverslag [gedaagde] 2012 jegens [Eiser] en zijn collega’s onrechtmatig heeft gehandeld,
B. [gedaagde] te bevelen om na betekening van het vonnis de onrechtmatig geoordeelde publicatie te rectificeren middels:
- het uitgeven van een persbericht;
- het plaatsen en gedurende een onafgebroken periode van 1 maand op de homepage van [gedaagde] en zes maanden als 1e item links bovenaan op de webpagina van [gedaagde] geplaatst houden van een item genaamd “Rehabilitatie de heer [Eiser] , voormalig algemeen directeur [gedaagde] ” met onder de knop “Lees meer” een link naar een bericht met de tekst van de rectificatie;
- het opnemen van een mededeling in het eerstevolgende door [gedaagde] te publiceren jaarverslag inhoudende de tekst van de rectificatie, voor wat betreft het uitgeven van het persbericht en het plaatsen van de hierboven bedoelde rectificatie op de website, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft nadat veertien dagen na betekening zijn verstreken en voor wat betreft het opnemen van een mededeling in het eerstvolgende door [gedaagde] te publiceren jaarverslag, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- als [gedaagde] daarmee in gebreke blijft,
C. [gedaagde] te veroordelen om ter zake van vergoeding van geleden immateriële schade aan [Eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro), althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren,
D. [gedaagde] te veroordelen om ter zake van vergoeding van geleden materiële schade aan [Eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
E. [gedaagde] te veroordelen om ter zake van vergoeding van door [Eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten aan [Eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van € 9.156,48 (negenduizendhonderdzesenvijftig euro en 48 eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening,
een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten.