Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1983,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
met postadres: [adres]
gedetineerd in het Huis van Bewaring [detentie plaats] .
1 Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 14 juni 2019.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. F.E.A. Duyvendak en van wat door de raadsman van verdachte mr. C.J. Nierop en door de verdachte naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van wat deskundige P.M. van Doleweerd, medewerker van de reclassering te Amsterdam naar voren heeft gebracht.
Op de zitting heeft verdachte bijstand gehad van A.F. Zuijdwijk, tolk in de Engelse taal.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is in zaak A – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 6 maart 2019 te Amsterdam, heeft schuldig gemaakt aan diefstal van zes trainingspakken toebehorende aan de Dirk van den Broek.
Aan verdachte is in zaak B – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 12 januari 2019 te Amsterdam, heeft schuldig gemaakt aan diefstal van pakken luiers en babymelkpoeder toebehorende aan de Albert Heijn.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Waardering van het bewijs
3.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht op grond van de aangiftes en de bekennende verklaring van verdachte de in zaken A en B ten laste gelegde diefstallen bewezen.
3.2
Standpunt van de verdediging
Nu verdachte in zaak A heeft verklaard de zes trainingspakken bij het filiaal aan de [filiaal] te hebben gestolen, heeft de raadsman verzocht vrij te spreken van het onderdeel “filiaal gelegen aan het [filliaal] ”. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van zaak B heeft de raadsman zich tevens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte, de in zaak A ten laste gelegde diefstal bewezen. De rechtbank volgt verdachte in zijn verklaring dat hij de zes trainingspakken in het filiaal van Dirk van den Broek aan de [filiaal] heeft gestolen en zal verdachte van het onderdeel “filiaal gelegen aan het [filliaal] ” vrijspreken.
De rechtbank acht met de officier van justitie op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte de in zaak B ten laste gelegde diefstal bewezen.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde
op 6 maart 2019 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen zes trainingspakken (merk Adidas) (ter waarde van 179,94), toebehorende aan winkelbedrijf Dirk van den Broek;
Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde
op 12 januari 2019 te Amsterdam pakken luiers en babymelkpoeder, toebehorende aan de Albert Heijn (filiaal [filiaal] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5 Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders
7.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren zonder aftrek van voorarrest.
7.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht een voorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte heeft verklaard terug te willen keren naar [geboorteland] . Deze rechtbank heeft eerder, zie ECLI:NL:RBAMS:2018:885, een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd aan een EU-onderdaan die zelfstandig terug wilde keren naar het land van herkomst. De terugkeer zou eventueel als bijzondere voorwaarde aan verdachte kunnen worden opgelegd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de ISD-maatregel voor een duur van één jaar op te leggen, zodat verdachte binnen dat jaar vanuit de ISD-maatregel terug kan keren naar [geboorteland] . Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht een tussentijdse beoordeling te bepalen na een periode van zes maanden.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft twee winkeldiefstallen gepleegd. Dat zijn vervelende feiten die voor de gedupeerde winkeliers in het algemeen schade en overlast teweegbrengen.
De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa van 3 juni 2019, opgemaakt door S. van Niekerken. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: ten gevolge van het overlijden van verdachtes zoontje raakte verdachte verslaafd aan harddrugs, waardoor hij inmiddels alles is kwijtgeraakt. Door de EU-status van verdachte (hij heeft in Nederland geen rechten opgebouwd) maakt hij geen aanspraak op een uitkering en heeft hij geen legale bron van inkomsten. Verdachte pleegt vermogensdelicten om in zijn levensonderhoud en drugsverslaving te kunnen voorzien. Verdachte voldoet momenteel aan de harde ISD-criteria. Eerder ingezet reclasseringscontact verliep goed tot verdachte terugviel in zijn verslaving. De kans op recidive blijft hoog zolang zijn verslaving niet wordt aangepakt. De problematiek van verdachte is dusdanig complex, dat de reclassering de kans van slagen in het kader van een voorwaardelijke veroordeling erg klein schat. De reclassering acht een langdurige klinische verslavingsbehandeling geïndiceerd. Wellicht is ook behandeling die ziet op rouwverwerking geïndiceerd. De ISD-maatregel zou verdachte hulp kunnen bieden bij zijn verslaving en het onderliggende rouwproces. Gezien de motivatie van verdachte verwacht de reclassering dat hij voldoende zou kunnen profiteren van de ISD-maatregel. De reclassering adviseert een de ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaren.
De rechtbank heeft op de zitting P.M. van Doleweerd, reclasseringsmedewerker, verbonden aan de reclassering te Amsterdam, als deskundige gehoord. Haar verklaring houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: verdachte is een EU-onderdaan die geen rechten heeft opgebouwd, wat betekent dat hij in Nederland zelfvoorzienend moet zijn. Er staat dus nauwelijks maatschappelijke opvang open voor hem. Wanneer verdachte een klinische behandeling zou krijgen is het voor de reclassering niet mogelijk om daarna woonbegeleiding aan verdachte aan te bieden. Dan zou verdachte waarschijnlijk weer op straat terechtkomen en mogelijk direct weer in zijn verslaving vervallen. Bovendien is verdachte dan opnieuw afhankelijk van allerlei illegale activiteiten om in zijn levensonderhoud te voorzien. Wanneer er redelijk zicht is op zelfvoorziening is er in dit soort gevallen een enkele keer plaats voor een traject bij Exodus. Er zou binnen de ISD-maatregel kunnen worden gekozen voor twee trajecten. Er kan voor worden gekozen om verdachte in Nederland een klinische opname te bieden voor zijn verslaving en onderliggende problematiek. Daarna kan Exodus wellicht opvang bieden. Van belang is wel dat verdachte voor het einde van de maatregel zelfvoorzienend moet zijn. Er kan hem geen hulp worden geboden in het kader van woonbegeleiding. De vraag is daarom hoe realistisch zo’n traject zou zijn. Een andere mogelijkheid is om binnen de ISD-maatregel een terugkeer naar het land van herkomst te realiseren. In [geboorteland] heeft verdachte wel recht op voorzieningen en deze zijn in [geboorteland] over het algemeen ook goed geregeld. Dit is volgens de reclassering het meest realistische traject voor verdachte. Op een zelfstandige manier terugkeren buiten het kader van de ISD-maatregel acht de reclassering niet realistisch. Het realiseren van terugkeer in combinatie met een toezicht acht de reclassering ook niet goed haalbaar. Verdachte zou op dat moment in een gat vallen, omdat [geboorteland] mogelijk niet meteen een in Nederland opgelegde voorwaardelijke straf zou kunnen effectueren. Ter beveiliging van de maatschappij en het welzijn van verdachte is het van belang dat een eventuele terugkeer binnen het kader van de ISD-maatregel plaatsvindt. Omdat nog onbekend is hoeveel tijd de uitvoering van dit traject in beslag zal nemen adviseert de deskundige om de maatregel op te leggen voor de duur van twee jaar. Als het komt tot terugkeer dan kan de maatregel voor het einde al worden opgeheven.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 mei 2019 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de op 12 januari 2019 gepleegde winkeldiefstal meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. De in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Ook moet er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
De verdachte in de zaak met nummer ECLI:NL:RBAMS:2018:885 wilde graag terugkeren naar het land van herkomst, omdat zijn moeder ernstig ziek was. Bovendien kon die terugkeer ook binnen een paar uur na vrijlating worden gerealiseerd. Dat is anders in het onderhavige geval, waarbij de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen of verdachte in eenzelfde mate gemotiveerd is om terug te keren naar zijn land van herkomst en of dit ook praktisch te realiseren zal zijn zonder hulp. Daarvan is onvoldoende gebleken. Daarnaast is er in het geval van verdachte, anders dan in eerdergenoemde zaak, sprake van complexe problematiek en een hardnekkige verslaving. De rechtbank acht het daarom niet opportuun om een voorwaardelijke straf of maatregel op te leggen, verdachte is immers gebaat bij een klinische behandeling in een verslavingskliniek. Onduidelijk is op welke termijn verdachte in [geboorteland] terecht zou kunnen in een kliniek. De rechtbank is van oordeel dat terugkeer naar [geboorteland] binnen het kader van de ISD-maatregel dient te worden onderzocht en indien aangewezen gerealiseerd. Op dit moment is onbekend voor welk traject binnen de ISD-maatregel zal worden gekozen; een traject gericht op terugkeer naar [geboorteland] of een traject gericht op zelfvoorziening in Nederland. Als er wordt gekozen voor een traject in Nederland zal, gezien de hardnekkige verslaving van verdachte en de daaraan onderliggende complexe problematiek, voldoende tijd moeten worden genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. Als er wordt gekozen voor terugkeer naar het land van herkomst, zal de maatregel beëindigd worden zodra verdachte kan terugkeren naar [geboorteland] .
Tussentijdse beoordeling
De rechtbank ziet ten slotte aanleiding om uiterlijk zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel te toetsen. Als een ISD-traject wordt ingezet op de terugkeer naar [geboorteland] is het van belang dat dit spoedig kan worden gerealiseerd, zodat verdachte daar de benodigde hulp kan ontvangen. Naar verwachting is er binnen zes maanden duidelijk op welk traject is ingezet en is er zicht op de voortgang.
8 Vorderingen tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling
De raadsman heeft aangevoerd dat voor een verdachte die de Nederlandse taal niet beheerst essentiële processtukken dienen te worden vertaald. De mededeling dat aan verdachte een voorwaardelijke straf is opgelegd, als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, is niet voor verdachte vertaald. De raadsman heeft de rechtbank verzocht daar een consequentie aan te verbinden.
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte bij de oplegging van beide voorwaardelijke straffen op zitting aanwezig was en dus niet het verweer kan worden gevoerd dat verdachte niet van de voorwaardelijke straffen op de hoogte was.
De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel zal worden opgelegd. Gelet op de afwijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging zal de rechtbank niet ingaan op het door de raadsman gevoerde verweer.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38s, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaken A en B
diefstal, meermalen gepleegd
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 6 (zes) maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.
Beslissing op de vorderingen tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling
Wijst de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met parketnummers 15/127596-17 en 16/234909-18 af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.C.J. Elte-Hamming, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en Y. Moussaoui, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juni 2019.
[...]
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: