2 Tenlastelegging
Aan verdachte is na wijziging op de zitting van 10 oktober 2019 – kort gezegd – in zaak A ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
1.het op 24 oktober 2018 in Amsterdam opzettelijk handelen in strijd met de gedragsaanwijzing van 13 oktober 2018, gegeven door de officier van justitie, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich moet onthouden van contact met [slachtoffer] ; en,
2.belaging van [slachtoffer] in Amsterdam in de periode van 2 september 2018 tot en met 1 november 2018.
Aan verdachte is – kort gezegd – in zaak B ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
1. belaging van [slachtoffer] in Amsterdam in de periode van 4 juli 2018 tot en met 1 september 2018; en,
2.huisvredebreuk in de woning bij [slachtoffer] in Amsterdam op 15 augustus 2018.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde:
op 24 oktober 2018 te Amsterdam opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 13 oktober 2018 gegeven door de officier van justitie te Amsterdam kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich moet onthouden van contact met [slachtoffer] (geboren [geboortedatum slachtoffer] );
Ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde:
in de periode van 2 september 2018 tot en met 1 november 2018 te Amsterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- veelvuldig naar voornoemde [slachtoffer] te bellen en
- veelvuldig voice(mail)berichten naar voornoemde [slachtoffer] te sturen en
- veelvuldig (whats) app berichten naar voornoemde [slachtoffer] te sturen en
- veelvuldig emailberichten naar voornoemde [slachtoffer] te sturen
met het oogmerk voornoemde [slachtoffer] te dwingen iets te dulden;
Ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde:
in de periode van 4 juli 2018 tot en met 1 september 2018 te Amsterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door
- veelvuldig naar voornoemde [slachtoffer] te bellen en
- veelvuldig de voicemail van voornoemde [slachtoffer] in te spreken en
- veelvuldig emailberichten naar voornoemde [slachtoffer] te sturen en
- meermalen naar de woning van voornoemde [slachtoffer] te gaan en
- bij de woning van voornoemde [slachtoffer] aan te bellen,
met het oogmerk voornoemde [slachtoffer] te dwingen iets te dulden;
Ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde:
op 15 augustus 2018 te Amsterdam in de woning, perceel [adres slachtoffer] , bij een ander, te weten bij [slachtoffer] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
8 Benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij vordert € 2.634,53, bestaande uit een bedrag van € 134,53 aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering is betwist. De raadsman heeft zich, nu hij heeft bepleit dat verdachte van de ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken, zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard, omdat de post voor de reis-en verletkosten onredelijk is en de post voor de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd en veel te hoog is gelet op de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Volgens de raadsman houden de gevorderde kosten ook geen verband met de ten laste gelegde feiten.
De rechtbank concludeert dat het bedrag dat is gevorderd voor de reis- en verletkosten (€ 134,53) voldoende is onderbouwd en voor vergoeding in aanmerking komen.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat een slachtoffer van dergelijke feiten last ondervindt of enige geestelijke schade lijdt. De rechtbank waardeert deze schade op € 1.250,-. Voor het overige kan in deze procedure niet worden vastgesteld dat het nadeel dat door het slachtoffer wordt beschreven samenhangt met de feiten die de rechtbank bewezen heeft verklaard.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 november 2018.
Nu de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
In het belang van [slachtoffer] wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
9 Vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 10 december 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/118509-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 4 oktober 2017 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 40 uren niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ook bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen.
De raadsman van verdachte heeft primair verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de proeftijd van de vordering te verlengen.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel te gelasten.
11 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het in zaak A onder 2 en het in zaak B onder 1 ten laste gelegde:
belaging, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde:
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;
Ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde:
in de woning bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 1 (een) maand van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast, als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.
Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 3 (drie) jaar:
-
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] ; en,
-
zich niet zal ophouden binnen een straal van 50 (vijftig) meter van het adres van [slachtoffer] : [nieuwe adres slachtoffer] .
Beveelt dat de vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting om te voldoen aan de opgelegde maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] , beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 1.384,53, (duizend driehonderdvierentachtig euro en drieënvijftig eurocent) bestaande uit € 134, 53 (honderdvierendertig euro en drieënvijftig eurocent) aan materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2018, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.
Veroordeelt verdachte verder in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.
Legt op aan verdachte de verplichting ten behoeve van [slachtoffer] , een bedrag van € 1.384,53, (duizend driehonderdvierentachtig euro en drieënvijftig eurocent) bestaande uit € 134, 53 (honderdvierendertig euro en drieënvijftig eurocent) aan materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2018, tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 23 (drieëntwintig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, als en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van
4 oktober 2017 met parketnummer 13/118509-17, zijnde een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 40 (veertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.C.J. Hamming, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en Y. Moussaoui, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 oktober 2019.