Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBAMS:2021:6432

Rechtbank Amsterdam
11-11-2021
11-11-2021
13/117620-20 + 13/104945-18 (tul) (Promis)
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig

De rechtbank acht het bezit van een nepvuurwapen (op vuurwapen gelijkend voorwerp) en opruiing door het op Instagram en Youtube te plaatsen van de tenlastegelegde video bewezen.

Daarbij overweegt de rechtbank dat de wapens in de video door verdachten nepvuurwapens genoemd worden en qua vorm en afmeting lijken op een vuurwapen.

Tav de opruiiing:

De rechtbank overweegt dat met de geuite woorden zoals hiervoor zijn benoemd in combinatie met de gebaren die de rechtbank interpreteert als het zogenaamde ‘afmaak’-gebaar, het gebaar voor een time-out, het maken van het gebaar voor de drillrapgroep alsmede het tonen van nepvuurwapens, expliciet wordt opgeroepen tot het plegen van strafbare feiten. Naar het oordeel van de rechtbank wijzen de titel van de video “Intensive Care”, de tekst ‘Richt op die opps ze doen hands in de air, ik wil mn opps in de intensive care’ en het time-out-gebaar op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast zetten verdachte en medeverdachte met de tekst ‘richt op die opps ze doen hands in the air/ik werk met skdededed bang/mik niet naast die body/ik maak m dood/Ik blaas op opss/de bullets gaan fast/zet m in rib en zorg dat ik win/ik blaas op je head, want ik wil je go’, het maken van het afmaak-gebaar, het maken van het gebaar voor de drillrapgroep en het tonen van nepvuurwapens, anderen aan tot het plegen van levensdelicten op ‘opps’ zoals doodslag of moord en het bezit/gebruik van vuurwapens.

Door deze video op Instagram en Youtube te plaatsen hebben verdachten de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij anderen zouden opruien tot het plegen van strafbare feiten.

Er mag in dit geval inbreuk worden gemaakt op de vrijheid van meningsuiting (art 7 grondwet en art 10 EVRM) nu aan de voorwaarden in art 10 lid 2 genoemd wordt voldaan: de beperking is voorzien bij de wet (art 131sr), dient een geoorloofd doel (het voorkomen van strafbare feiten) en er is hier geen sprake van een bijdrage aan een maatschappelijk debat.

Ernst van de feiten:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een nepvuurwapen en het medeplegen van opruiing door het (laten) plaatsen van een videoclip waarin zogenaamde drillrap te horen is. Dat op het internet ernstigere drillrap-video’s te vinden zijn, waarin specifiek wordt aangezet tot het plegen van strafbare feiten door en tegen expliciet genoemde personen/groepen, maakt niet dat het maken en (laten) plaatsen van deze video’s door verdachte en medeverdachte aanvaardbaar is. Het oproepen tot en verheerlijken van geweld door het bedreigen van rivaliserende groepen en het tonen van wapens alsof dat normaal is, zoals dat in drillrap wordt gedaan, is onacceptabel en zorgwekkend. De mogelijke consequentie dat degenen die deze video’s bekijken het normaal gaan vinden dat dit soort (nep)wapens worden getoond en/of gebruikt, is verontrustend. Daarnaast vinden in het binnen- en buitenland steeds meer geweldsincidenten plaats, waarbij van een aantal schiet- en steekpartijen bekend is dat deze het gevolg zijn van videoclips waarin drillrap-groepen elkaar bedreigen en uitdagen. Het is een kenmerk van drillrap dat wat er in deze video’s wordt aangekondigd ook wordt uitgevoerd. Het is de rechtbank bekend dat er drillrap-gemeenschap zelfs punten worden toegekend aan drillrappers die hun gewelddadige uitspraken uit de videoclips ten uitvoer brengen. Daarom vindt de rechtbank het belangrijk dat tegen het verspreiden van opruiende video’s streng wordt opgetreden.

Daarnaast is het voorhanden hebben van een nepwapen verboden, nu met een dergelijk nepwapen mensen angst kan worden aangejaagd. Gelet op het toenemende (vuur)wapenbezit in Nederland, met name in grote steden zoals Amsterdam, wordt aan het voorhanden hebben van wapens zwaar getild, ook als dit op vuurwapen gelijkende voorwerpen betreffen. In de onderhavige videoclip wordt het (nep)wapen gebruikt om de boodschap van verdachte – zijn opps op intensive care - te onderstrepen.

Bij verdachte wordt nog een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur tenuitvoergelegd.

Rechtspraak.nl
NJFS 2022/70

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/117620-20 + 13/104945-18 (tul) (Promis)

Datum uitspraak: 11 november 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 oktober 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Hoekstra en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.C. Reehuis naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. het voorhanden hebben van een nepvuurwapen in de periode 22 april 2020 tot en

met 28 april 2020.

2. het verheerlijken van en oproepen tot geweld en/of wapengebruik en/of wapenbezit,

oftewel: opruiing, in de periode 22 april 2020 tot en met 19 augustus 2020.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd (Bijlage 1).

3 Feiten en omstandigheden

Op 24 april 2020 stuit een wijkagent tijdens zijn digitale surveillance op een ‘story’ op het Instagramaccount van de Amsterdamse drill-rapgroep de [naam rapgroep] . In deze vijf seconden durende video wordt een preview van een videoclip getoond, waarbij twee personen ieder een vuurwapen dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in hun hand dragen. Deze video was oorspronkelijk geplaatst door [naam] en door het account van de [naam rapgroep] gedeeld.

Het onderzoek naar de identiteit van [naam] en de personen op de videobeelden leidt tot de aanhouding van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Medeverdachte [medeverdachte] is de eigenaar van het Instagramaccount [naam] . Volgens de politie kan hij worden aangemerkt als (een) voorman van de [naam rapgroep] .

Op 19 augustus 2020 ontdekt de politie op YouTube dat onder het account van [account] op 31 juli 2020 een videoclip is geplaatst met de titel: “ [titel] ”. In deze videoclip spelen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de hoofdrol. Zij zijn prominent aan het woord en hebben op vuurwapen gelijkende voorwerpen in hun handen. Deze videoclip bevat beelden die overeenkomen met de beelden uit de eerdergenoemde videoclip op Instagram.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Volgens het Openbaar Ministerie heeft de video een opruiend karakter. Door deze videoclip op internet te plaatsen/laten plaatsen, zouden verdachten gelet op de inhoud van de raptekst, de gebaren die worden gemaakt en het tonen van (nep)vuurwapens anderen hebben aangezet tot het plegen van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten en het bezit van (vuur)wapens.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak van de gehele tenlastelegging bepleit. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit heeft zij primair aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte in de tenlastegelegde periode een verboden voorwerp voorhanden heeft gehad. Subsidiair is beargumenteerd dat vrijspraak dient te volgen omdat niet kan worden bewezen dat sprake is van een sprekende gelijkenis dan wel van een bewuste nabootsing van een vuurwapen zonder dat de maker een bepaald merk en model voor ogen heeft gehad. Ook is in dat kader door de verdediging naar voren gebracht dat er geen globale herkenning van het voorwerp als een op vuurwapen gelijkend voorwerp door de wapenspecialist heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de raadsvrouw primair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat geen sprake is van opruiing in de zin van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht (hierna WvSr) nu de uitlatingen zijn gedaan in de context van een rap-videoclip. Daarbij is door de verdediging ook gewezen op het ontbreken van een intentie van verdachte om conflicten op te roepen en op het feit dat er naar aanleiding van deze video geen (gewelddadig) conflict is ontstaan. Subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak verzocht nu de uitlatingen van verdachte onderdeel zijn van zijn artistieke vrijheid en dat veroordeling een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting oplevert, zoals vervat in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit

4.3.1.

Een op een vuurwapen gelijkend voorwerp

Dat verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden heeft gehad kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen op basis van de verklaringen die verdachte hierover in het vooronderzoek en op de zitting heeft afgelegd. Verdachte heeft immers verklaard dat hij wist dat sprake was van een nepvuurwapen. Bevestiging hiervoor vindt de rechtbank in het proces-verbaal van de vuurwapendeskundige van de Forensische Opsporing, die het wapen in de handen van verdachte naar uiterlijke kenmerken, te weten de vorm en afmeting, herkent als een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Voor zover voor een bewezenverklaring van dit feit sprake moet zijn van een sprekende gelijkenis, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, wijst de rechtbank op recente jurisprudentie van de Hoge Raad, waaruit volgt dat bij de beoordeling of een voorwerp “een sprekende gelijkenis” vertoont met een vuurwapen, de feitelijke vorm en afmeting van het voorwerp beslissend zijn.1 Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen.

4.3.2.

Pleegdatum

Met betrekking tot de betwiste pleegdatum overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de preview van de videoclip, waarin verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen draagt, op 24 april 2020 op het sociale media kanaal Instagram te zien was. Voorts is verdachte op 29 april 2020 aangehouden en heeft hij bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting verklaard dat de videoclip ongeveer een week voor zijn aanhouding is opgenomen. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de videoclip is opgenomen in de periode van 22 april 2020 tot en met 24 april 2020. Daarmee kan worden bewezen dat verdachte op enig tijdstip in deze periode een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden heeft gehad.

Dat verdachte in zijn verhoor bij de politie op 29 april 2020 spreekt over dat de opname van de videoclip op “24 december” gebeurd moet zijn, ziet de rechtbank als een kennelijke verschrijving.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit

4.3.3.

Het (laten) plaatsen van de video’s

Ten aanzien van het (laten) plaatsen van video’s moet onderscheid gemaakt worden tussen het kort videofragment dat op 24 april 2020 op Instagram is gedeeld en de gehele videoclip van het nummer “Intensive Care” die op 31 juli 2020 op YouTube is geplaatst. Verdachte heeft ter zitting verklaard toestemming te hebben gegeven voor het plaatsen van de YouTube-video, maar niet voor de Instagramstory. Daarentegen hebben verdachte en medeverdachte beiden een prominente rol in beiden video’s en heeft verdachte aangegeven dat hij wist dat de video werd opgenomen om (via internet) te delen. Dit geeft blijk van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het maken van deze videoclip met het doel deze in de openbaarheid te brengen.

De inhoud van de videoclip en het feit dat zowel verdachte als de medeverdachte daarin een prominente rol spelen, brengen de rechtbank tot het oordeel dat verdachte door zijn toestemming tezamen en in vereniging met medeverdachte het korte videofragment op Instagram heeft geplaatst en de gehele videoclip (met beider toestemming) op YouTube heeft laten plaatsen. De rechtbank neemt ten aanzien van de samenwerking tussen verdachte en medeverdachte mede in overweging dat de titel van de videoclip luidt: [titel] . [artiestennaam] en [artiestennaam] zijn de artiestennamen van respectievelijk medeverdachte [medeverdachte] en verdachte [verdachte] .

4.3.4.

Opruiing

Voor de rechtbank staat dus vast dat verdachte en medeverdachte de video’s op Instagram en YouTube hebben geplaatst/laten plaatsen. Uit het dossier en uit de video die ter terechtzitting is getoond volgt dat in deze video’s -onder andere- de volgende bewoordingen worden geuit:

- Richt op die opps, ze doen hands in the air;

- Ik wil mn opp in intensive care;

- Mik niet naast body, ikke blaas in;

- Zet m in rib en zorg dat ik win;

- Ik blaas op je head, want ik wil je go;

- Catch een opp ik maak m echt (dood);

- Richt op die opps, ze doen hands in the air;

- Ik werk met skdededed bang;

- Ik zie de opps, ze kijken mn posts;

- Ten toe step als ik kom in ans;

- Ik blaas op opss en ik doe mn dance;

- Kom in me ans en ik blaas je weg;

- Ik kom van west, hier wordt niet getest;

- We bossen die guns, die bullets gaan fast;

- Die bullets gaan fast, je hebt niks aan je vest;

- Ik mik op je head en zorgt dat je crasht;

- Druk m in west, die opps die gaan down.

Bij deze tekst worden door verdachte en medeverdachte verschillende gebaren gemaakt, waaronder een horizontale beweging met de hand langs de keel en het algemeen bekende teken/gebaar voor een ‘time-out’. Daarnaast worden er nepvuurwapens getoond, waarbij op de camera wordt gericht en bij het uitspreken van de tekst “Catch een opp ik maak m echt dood” een wapen tegen het hoofd wordt gehouden.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of deze video als opruiend in de zin van artikel 131 WvSr kan worden aangemerkt.

Algemeen juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van opruiing moet aan de volgende – kort weergegeven – vier vereisten zijn voldaan:

1. Er moet zijn aangezet tot iets ongeoorloofds. Dit ongeoorloofde moet een naar Nederlands recht strafbaar feit zijn. Het is niet nodig dat het feit waartoe wordt aangezet ook daadwerkelijk wordt gepleegd.

2. Er moet sprake zijn van opzet. Dat kan voorwaardelijk opzet zijn: het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat wordt opgeruid tot het plegen van een strafbaar feit.

3. Vereist is verder dat de uitlating in het openbaar is gedaan. Dat wil zeggen onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat deze door het publiek gehoord, gelezen, of gezien kon worden.

4. De uitlating moet bovendien mondeling of bij geschrift of afbeelding zijn gedaan. Daaronder zijn inbegrepen tekstberichten op internet en sociale media.2

Is de uitlating opruiend?

Bij beantwoording van de vraag of de inhoud van de video als opruiend kan worden aangemerkt dient de videoclip als geheel te worden beoordeeld. De rechtbank overweegt dat met de geuite woorden zoals hiervoor zijn benoemd in combinatie met de gebaren die de rechtbank interpreteert als het zogenaamde ‘afmaak’-gebaar, het gebaar voor een time-out, het maken van het gebaar voor de [naam rapgroep] alsmede het tonen van nepvuurwapens, expliciet wordt opgeroepen tot het plegen van strafbare feiten. Naar het oordeel van de rechtbank wijzen de titel van de video “Intensive Care”, de tekst ‘Richt op die opps ze doen hands in de air, ik wil mn opps in de intensive care’ en het time-out-gebaar op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast zetten verdachte en medeverdachte met de tekst ‘richt op die opps ze doen hands in the air/ik werk met skdededed bang/mik niet naast die body/ik maak m dood/Ik blaas op opss/de bullets gaan fast/zet m in rib en zorg dat ik win/ik blaas op je head, want ik wil je go’, het maken van het afmaak-gebaar, het maken van het gebaar voor de [naam rapgroep] en het tonen van nepvuurwapens, anderen aan tot het plegen van levensdelicten op ‘opps’ zoals doodslag of moord en het bezit/gebruik van vuurwapens.

Bij de beoordeling van het opruiend karakter van de uitlatingen van verdachte en zijn medeverdachte neemt de rechtbank ook in aanmerking dat met name in grote steden zoals Amsterdam het aantal geweldsincidenten (onder jongeren) met vuurwapens nu en in het verleden maatschappelijke onrust hebben veroorzaakt.3 Door in videoclips nepvuurwapens te tonen, wordt het bezit en het gebruik van vuurwapens als het ware genormaliseerd. De rechtbank ziet het als een groot risico dat de videoclip die verdachte en medeverdachte hebben opgenomen en op sociale media hebben verspreid met name jongeren ertoe beweegt een eigen vuurwapen aan te schaffen.

Wie wordt/worden er opgeruid?

Anders dan bij eerdere uitspraken ten aanzien van opruiing wordt in de onderhavige videoclip niet verwezen naar een specifieke persoon of groep personen tegen wie de opruiing gericht is en tegen wie de strafbare feiten gepleegd moeten worden. Aangezien de videoclip naar uiterlijke verschijningsvorm kenmerken vertoont van drillrap en in de tekst wordt gesproken over zogenaamde ‘opps’, begrijpt de rechtbank dat met ‘opps’ opponenten/tegenstanders/rivalen/vijanden worden bedoeld. Gelet op de incidenten die de afgelopen jaren binnen de drillrap-scene in het binnen- en buitenland hebben plaatsgevonden, neemt de rechtbank aan dat verdachte en medeverdachte met ‘opps’ andere (rivaliserende) drillrap-groepen bedoelen. Gelet op de tekst – ‘ik zie de opps, ze kijken mn posts’ - is het in ieder geval aan verdachte en zijn medeverdachte duidelijk wie zijn ‘opps’ zijn en zijn de ‘opps’ op de hoogte van de “posts” van verdachte en zijn medeverdachte. Dat niet expliciet is benoemd tegen welke andere drillrap-groepen de tekst zich richt en welke personen/groep personen door deze videoclip zou moeten worden opgeruid, doet aan het opruiend karakter van de video niet af.

Dit laatste volgt ook uit eerdere uitspraken van deze rechtbank waarin is gekomen tot een veroordeling wegens opruiing als gevolg van het plaatsen van een Facebookbericht onder een video van een demonstratie tegen Zwarte Piet met teksten zoals: “Dood slaan die gasten. Te triest voor woorden. Land uit, opkankeren” en “Die moet je helemaal de kanker inslaan. Kanker volk. Groep hooligans in inslaan. Gewoon met groep erin hakken”.4 De rechtbank overwoog in die zaken dat verdachten met deze bewoordingen expliciet hebben opgeroepen tot het plegen van moord of doodslag. Ook in dit geval worden er geen specifieke personen/groep personen benoemd, maar wordt de groep demonstranten in zijn algemeenheid aangeduid. Net als de ‘opps’ waarnaar verdachte en medeverdachte in de videoclip verwijzen, kent ook deze groep demonstranten diverse samenstellingen en behelst deze niet altijd dezelfde personen. De rechtbank is van oordeel dat het voor het opruiend karakter van de geschriften, mondelinge teksten en/of afbeeldingen niet uitmaakt of daarbij expliciet wordt aangegeven tot welke persoon/groep personen de opruiing gericht is en wie de slachtoffers van de strafbare feiten moeten zijn. Een algemene aanduiding, die op basis van de context waarin de uitlatingen zijn gedaan kan worden toegeschreven aan een groep personen, is voldoende.

Is er sprake van (voorwaardelijk) opzet?

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij met het (laten) plaatsen van deze video’s niet de bedoeling had om anderen aan te zetten tot het plegen van strafbare feiten. Teneinde vast te kunnen stellen of verdachte en zijn medeverdachte hierop het voorwaardelijk opzet hadden, is allereerst van belang of sprake is van een aanmerkelijke kans dat wordt opgeruid tot het plegen van een strafbaar feit. Daarvoor zijn zowel de inhoud van de uitlatingen als de omstandigheden waaronder die zijn gedaan relevant.

In de eerste plaats komt aan de inhoud van de uitlatingen in de videoclip veel betekenis toe. De gebruikte woorden in combinatie met de gebaren en het tonen van nepvuurwapens, laten niets aan de verbeelding over. Het is voor de rechtbank duidelijk dat daarmee wordt gedoeld op het plegen van ernstige geweldsmisdrijven en/of levensdelicten. Verdachte en zijn medeverdachte hebben, hoewel zij daartoe door de officier van justitie en de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, aan deze tekst en de gebaren geen andere uitleg gegeven.

Reeds is vast komen te staan dat verdachte en medeverdachte de video’s op Instagram en YouTube hebben geplaatst/laten plaatsen. Instagram en YouTube zijn media op internet waarbij volstrekt onbekenden een reactie kunnen plaatsen op posts die worden gedeeld. Daarmee wordt het moeilijk, zo niet onmogelijk, voor de overige lezers om een reactie te interpreteren precies op de manier zoals die door de plaatser/de maker van de video is bedoeld. Nog minder duidelijk is wie de reactie leest en hoe deze persoon dit op zal vatten. De plaatser heeft hier nauwelijks tot geen invloed op. Als men een bericht of video op internet plaatst waar in principe iedereen het kan lezen (en kennelijk veel mensen dat ook doen zo blijkt uit het aantal keren dat de story en de video zijn bekeken), dan maakt dit de kans groter dat hier personen tussen kunnen zitten die een oproep letterlijk opvatten, dan wanneer deze uitlating alleen tot bekenden is gericht. Hiermee wordt de kans vergroot dat iemand door het lezen van de uitlating daadwerkelijk overgaat tot het plegen van een strafbaar feit. Dat verdachte niet de bedoeling had om daadwerkelijk aan te zetten tot geweld en/of wapenbezit doet hier niet aan af. Hij had zich op zijn minst moeten realiseren dat de bewoordingen zo zouden overkomen en sterker nog, dat deze zich moeilijk op een andere wijze zouden kunnen laten verklaren.

Verder overweegt de rechtbank dat de uitlatingen van verdachte en medeverdachte niet op zichzelf staan. De video is, zoals verdachte ter zitting heeft aangegeven, in ieder geval met betrekking tot de muziek (volgens verdachte: de beat), een drillrap-video. Het plaatsen van deze video moet worden bezien in de context van gebeurtenissen in het binnen- en buitenland rondom drillrap. Drillrap is een vorm van rapmuziek die zich kenmerkt door het zoeken van een confrontatie met rivaliserende groepen. De afgelopen jaren hebben zich zowel in het buitenland waaronder de Verenigde Staten en Engeland, als ook in Nederland een aantal heftige geweldsincidenten voorgedaan die aan drillrap te relateren zijn.

De voornoemde omstandigheden waren voor verdachte en medeverdachte kenbaar, zodat zij zich ook van die aanmerkelijke kans bewust moeten zijn geweest. Desondanks hebben verdachte en medeverdachte op 24 april 2020 het korte videofragment van de videoclip op Instagram geplaatst. De daaropvolgende aanhouding voor het voorhanden hebben van een vuurwapen heeft hem er vervolgens niet van weerhouden de gehele videoclip een aantal maanden later, op 31 juli 2020, op YouTube te laten plaatsen. Door dit te doen heeft verdachte willens en wetens bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij met deze video anderen zou opruien tot het plegen van strafbare feiten.

Openbaarheid van video’s

Voorts is de rechtbank van oordeel dat aan het vereiste van openbaarheid is voldaan. Door het plaatsen van uitingen op social media worden deze in de openbaarheid gebracht. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waar de teksten zijn weergegeven.5 Verdachte en medeverdachte hebben de betreffende uitlating in een video op een openbaar Instagram-account en YouTube-kanaal geplaatst/laten plaatsen, waardoor deze voor iedere internetgebruiker beschikbaar is. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat een video kan worden aangemerkt als een van de uitingsmiddelen die in de delictsomschrijving van artikel 131 WvSr worden genoemd.

Conclusie

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte en medeverdachte zich in vereniging schuldig hebben gemaakt aan opruiing door het (laten) plaatsen van het de videoclip waarin de woorden “Richt op die opps, ze doen hands in the air; Ik wil mn opps in intensive care; Mik niet naast body, ikke blaas in; Zet m in rib en zorg dat ik win; Ik blaas op je head, want ik wil je go; Catch een opp ik maak m echt (dood); Richt op die opps, ze doen hands in the air; Ik werk met skdededed bang; Ik zie de opps, ze kijken mn posts; Ten toe step als ik kom in ans; Ik blaas op opss en ik doe mn dance; Kom in me ans en ik blaas je weg; Ik kom van west, hier wordt niet getest; We bossen die guns, die bullets gaan fast; Die bullets gaan fast, je hebt niks aan je vest; Ik mik op je head en zorgt dat je crasht; Druk m in west, die opps die gaan down”, worden geuit, genoemde gebaren worden gemaakt en met nepvuurwapens richting de camera en tegen het eigen hoofd wordt gericht.

De rechtbank weegt daarbij in het bijzonder mee dat verdachte en medeverdachte de video’s op social media hebben geplaatst/laten plaatsen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het bij social media er om gaat een publiek te vinden, en ‘volgers’ te verleiden de gedeelde berichten en daarmee (uiteindelijk) ook de achterliggende boodschap te lezen en liefst te ‘liken’. Daarbij speelt voor het opruiend karakter van de videoclip nog een rol dat deze herhaaldelijk kan worden bekeken. Bestanden die op YouTube worden gezet verdwijnen immers niet, althans niet ‘vanzelf’. De opruiende werking die ervan uitgaat wordt versterkt door het gegeven dat de ‘content’ – de inhoud van die berichten – permanent is op te roepen.6

Ook voelt de rechtbank zich in dit oordeel gesterkt door de omstandigheid dat de medeverdachte door de politie wordt herkend als de voorman van de drillrap-groep de [naam rapgroep] uit Amsterdam en dat de muziek die deze groepen produceren zich kenmerkt door het nemen van wraak en het opzoeken van (gewelddadige) confrontaties met rivaliserende groepen. Medeverdachte maakt in de videoclip ook het gebaar voor de [naam rapgroep] . Mede gelet op de geweldsincidenten die in het binnen- en buitenland bekend zijn rondom drillrap heeft de rechtbank ook de overtuiging dat verdachte en medeverdachte door middel van deze videoclip anderen kunnen aanzetten tot het plegen van geweld en het bezit van wapens.

De raadsvrouw heeft gewezen op het criminologisch onderzoek van Roks en Van den Broek7 waaruit zou blijken dat het aantal fysieke geweldsincidenten als gevolg van drillrap beperkt is gebleven en dat de drillrap meer gericht is op het communiceren van een gevaarlijk en gewelddadig imago dan op een daadwerkelijke bereidheid tot het plegen van fysiek geweld. De rechtbank heeft kennis genomen van de resultaten van dit onderzoek en merkt op dat hieruit ook volgt dat door het gebruik van social media door drillrap-groepen het risico op daadwerkelijk geweld wordt vergroot. Door social media heeft de drillrap-muziek een groot bereik gekregen, zowel onder de eigen leden en (vaak jonge) geïnteresseerden, als rivaliserende groepen. Roks en Van den Broek wijzen er dan ook op dat gevaarlijke en gewelddadige poses in die muziek wel degelijk kunnen resulteren in fysiek geweld. Het idee van drillrap is immers dat een rivaliserende groep wordt beledigd, uitgedaagd en/of bedreigd. Ook het daad bij woord voegen is een kenmerk van drillrap. Men is er op gericht om binnen de gemeenschap een bepaalde status te verkrijgen en deze te behouden. Dat de uitlatingen van verdachte en medeverdachte in dit geval niet tot daadwerkelijke geweldsincidenten hebben geleid, doet aan het opruiend karakter en de strafbaarheid daarvan niet af.

4.3.5.

Het recht op vrijheid van meningsuiting

Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, is het de vraag of het recht op vrijheid van meningsuiting aan een veroordeling van verdachte in de weg staat.

Het recht op vrijheid van meningsuiting is onder meer neergelegd in artikel 7 van de Grondwet en in artikel 10 van het EVRM. De vrijheid van meningsuiting is één van de belangrijkste fundamenten van een democratische rechtsstaat. Daarnaast is het één van de grondvoorwaarden voor de ontwikkeling van de democratische samenleving en voor de ontwikkelingen van individuen binnen die samenleving. De vrijheid van meningsuiting gaat dan ook niet slechts op voor opvattingen die in de samenleving op breed draagvlak kunnen rekenen, maar ook, juist, voor die opvattingen die shockeren, kwetsen of verontrusten.8

Het voorgaande betekent echter niet dat de vrijheid van meningsuiting onbeperkt is. In lid 2 van artikel 10 EVRM is bepaald onder welke voorwaarden de vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt, namelijk:

1. de beperking is voorzien bij wet;

2. de beperking dient een geoorloofd doel;

3. de beperking is noodzakelijk in een democratische samenleving.

De onder 3) genoemde noodzaak moet worden gezien als een dwingende maatschappelijke noodzaak (pressing social need). Daarnaast is het vereist dat de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting proportioneel is. Voor de beoordeling van de vraag of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving, hebben de nationale autoriteiten een ruime beoordelingsvrijheid. Over het algemeen kan worden gesteld dat wanneer een uitlating als bijdrage aan een maatschappelijk debat moet worden gezien, een beperking daarvan schending van artikel 10 EVRM oplevert. In het geval een uitlating geen bijdrage levert aan een publiek debat is een beperking van de vrijheid van meningsuiting eerder geoorloofd.9

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de uitlatingen van verdachte

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zijn uitlatingen heeft gedaan in het kader van de artistieke uitingsvrijheid die hij als muzikant geniet en dat de vervolging door het Openbaar Ministerie inbreuk maakt op die vrijheid. De rechtbank stelt voorop dat de artistieke uitingsvrijheid (oftewel: het recht op vrijheid van meningsuiting), niet altijd beschermd wordt en dat deze onder de hiervoor genoemde voorwaarden mag worden beperkt.

In rubriek 4 heeft de rechtbank geconcludeerd dat de video’s die verdachte heeft geplaatst/laten plaatsen opruiend zijn. Opruiing is strafbaar gesteld in artikel 131 WvSr zodat aan de eerst gestelde voorwaarde is voldaan. Ook aan de tweede voorwaarde is voldaan, nu deze beperking een geoorloofd doel dient, namelijk het voorkomen van strafbare feiten.

Eveneens is rechtbank van oordeel dat aan de derde voorwaarde is voldaan. Vooropgesteld moet worden dat verdachte met zijn uitlating de grens van het toelaatbare heeft overschreden. Dat maakt dat er een dwingende maatschappelijke noodzaak bestaat om het recht op vrijheid van meningsuiting te beperken. Bovendien kan de uitlating van verdachte niet worden beschouwd als een bijdrage aan een maatschappelijk debat. Dat maakt dat de beperking die met een veroordeling voor opruiing op de vrijheid van meningsuiting wordt aangebracht, geoorloofd is. Gelet op de conclusie dat het recht op vrijheid van meningsuiting van verdachte niet is geschonden, behoeft de vraag of de inbreuk op de uitingsvrijheid proportioneel is, geen verdere bespreking.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart op grond van de in bijlage 2 opgenomen bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte:

1

in de periode van 22 april 2020 tot en met 24 april 2020 te Amsterdam, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een op een pistool gelijkend voorwerp, voorhanden heeft gehad.

2

op meer tijdstippen gelegen in de periode van 22 april 2020 tot en met 19 augustus 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, in het openbaar, door middel van video's tot enig strafbaar feit heeft opgeruid door

- het laten beheren van een social media-account (Instagram) met de naam ' [naam] ' en (vervolgens) het op dit account uploaden/plaatsen van een video (van ongeveer 5 seconden) waarin fragmenten van een videoclip worden getoond, en

- het laten uploaden/plaatsen van een video (van 2 minuten en 30 seconden) met de naam ' [titel] (Prod. [naam] ) (Official Video)' op een social media-account ' [account] ' (YouTube) waarin een videoclip wordt getoond

waarbij medeverdachte ( [artiestennaam] ) en verdachte ( [artiestennaam] ) meermalen in beeld komen en rappen op een afgespeelde rapbeat en daarbij dreigend met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp naar de camera richten en onder meer de volgende tekst rappen/zingen:

"Richt op die opps ze doen hands in the air

Ik wil mn opps in intensive care

Mik niet naast body, ikke blaas in

Zet m in rib en zorg dat ik win

Als ik blaas, schiet ik niet op O

Ik blaas op je head want ik wil je go

Catch een opp ik maak m echt (dood)

Richt op die opps ze doen hands in the air

Ik wil mn opps in intensive care

Ik werk met skdededed bang

Ik zie de opps, ze kijken mn posts;

Ten toe step als ik kom in ans;

Ik blaas op opss en ik doe mn dance

Kom in me ans en ik blaas je weg

Ik kom van west hier wordt niet getest

We bossen die guns, die bullets gaan fast,

Die bullets gaan fast, je hebt niks aan je vest

Ik mik Op je head en zorgt dat je crasht

Druk m in west, die opps die gaan down”,

waarin telkens geweld en wapengebruik en wapenbezit worden verheerlijkt en waarin mede hierdoor telkens impliciet wordt opgeroepen tot het gebruik van geweld jegens de tegenpartij, terwijl het gebruikmaken van geweld en voornoemde wapenbezit een strafbaar misdrijf, te weten zware mishandeling, doodslag, moord en overtredingen van de Wet wapens en munitie oplevert.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken en heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

8.3.1.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een nepvuurwapen en het medeplegen van opruiing door het (laten) plaatsen van een videoclip waarin zogenaamde drillrap te horen is. Dat op het internet ernstigere drillrap-video’s te vinden zijn, waarin specifiek wordt aangezet tot het plegen van strafbare feiten door en tegen expliciet genoemde personen/groepen, maakt niet dat het maken en (laten) plaatsen van deze video’s door verdachte en medeverdachte aanvaardbaar is. Het oproepen tot en verheerlijken van geweld door het bedreigen van rivaliserende groepen en het tonen van wapens alsof dat normaal is, zoals dat in drillrap wordt gedaan, is onacceptabel en zorgwekkend. De mogelijke consequentie dat degenen die deze video’s bekijken het normaal gaan vinden dat dit soort (nep)wapens worden getoond en/of gebruikt, is verontrustend. Daarnaast vinden in het binnen- en buitenland steeds meer geweldsincidenten plaats, waarbij van een aantal schiet- en steekpartijen bekend is dat deze het gevolg zijn van videoclips waarin drillrap-groepen elkaar bedreigen en uitdagen. Het is een kenmerk van drillrap dat wat er in deze video’s wordt aangekondigd ook wordt uitgevoerd. Het is de rechtbank bekend dat er drillrap-gemeenschap zelfs punten worden toegekend aan drillrappers die hun gewelddadige uitspraken uit de videoclips ten uitvoer brengen. Daarom vindt de rechtbank het belangrijk dat tegen het verspreiden van opruiende video’s streng wordt opgetreden.

Daarnaast is het voorhanden hebben van een nepwapen verboden, nu met een dergelijk nepwapen mensen angst kan worden aangejaagd. Gelet op het toenemende (vuur)wapenbezit in Nederland, met name in grote steden zoals Amsterdam, wordt aan het voorhanden hebben van wapens zwaar getild, ook als dit op vuurwapen gelijkende voorwerpen betreffen. In de onderhavige videoclip wordt het (nep)wapen gebruikt om de boodschap van verdachte – zijn opps op intensive care - te onderstrepen.

8.3.2.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 oktober 2021. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Aan verdachte is wel recent, op 26 augustus 2021, een strafbeschikking uitgevaardigd voor het rijden zonder rijbewijs. Dit betekent dat de rechtbank bij de strafoplegging toepassing zal geven aan artikel 63 WvSr en zal moeten beoordelen welke straf (in theorie) zou zijn opgelegd indien deze feiten bij het uitvaardigen van deze strafbeschikking zouden zijn meegenomen.

Uit het reclasseringsadvies van 30 april 2020 volgt dat verdachte destijds tot de Top600 behoorde, geen concrete dagbesteding had, leefde van een uitkering en woonde bij zijn vriendin. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zijn leven inmiddels op orde heeft, de zorg draagt voor zijn kinderen en werk heeft via een uitzendbureau. Een eerder opgelegde taakstraf heeft verdachte positief afgerond.

8.3.3.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank voorts rekening met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. De LOVS, de uitgangspunten die rechters in Nederland bij het bepalen van de strafmaat hanteren, bevat geen oriëntatiepunt voor de straf die in geval van opruiing zou moeten worden opgelegd. Daarom ziet de rechtbank reden om aansluiting te zoeken bij de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Zoals vermeld is verdachte niet eerder veroordeeld voor opruiing en wapenbezit en moet hij dus als first offender worden aangemerkt. In dat geval schrijven de richtlijnen een taakstraf van 90 uren voor. Ten aanzien van het voorhanden hebben van een nepvuurwapen kent de LOVS wel oriëntatiepunten en geldt een geldboete van €550,00 als uitgangspunt. Gelet op het toenemende (vuur)wapenbezit in Nederland, met name in grote steden zoals Amsterdam, wordt aan het voorhanden hebben van vuurwapens zwaar getild. De rechtbank weegt bovendien strafverzwarend mee dat dit nepvuurwapen is gebruikt in een drillrap-videoclip waarin wordt aangezet tot het plegen van geweld en vuurwapenbezit wordt verheerlijkt. In deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om de voorgeschreven geldboete om te zetten in een zwaardere strafmodaliteit.

Ook heeft de rechtbank gekeken naar eerdere uitspraken van deze rechtbank en het gerechtshof te Amsterdam met betrekking tot opruiing en het voorhanden hebben van (nep)vuurwapens in het kader van drillrap-videoclips. In soortgelijke gevallen zijn telkens taakstraffen opgelegd. Uit het reclasseringsrapport van 30 april 2020 blijkt dat verdachte al eerder een aan hem opgelegde taakstraf positief heeft afgerond. Daarom zal de rechtbank ook in dit geval tot oplegging van een taakstraf overgaan.

Ten aanzien van de hoogte van die taakstraf weegt de rechtbank mee dat de zaak tegen verdachte anderhalf jaar na zijn aanhouding op zitting is aangebracht en dat hij drie dagen in verzekering heeft doorgebracht.

8.3.4.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een taakstraf van 100 uren met aftrek van het voorarrest passend en geboden.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 27 mei 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/10494-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter te Amsterdam d.d. 4 maart 2019, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, met bevel dat een gedeelte van deze straf, te weten 20 uren, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 57, 63 en 131 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Onder 1:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Onder 2:

in het openbaar, mondeling, tot enig strafbaar feit opruien.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 100 (honderd) uren, te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis indien deze taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht.

Beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht, met dien verstande dat voor iedere dag voorarrest aftrek van 2 uren zal plaatsvinden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter te Amsterdam d.d. 4 maart 2019 voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 20 uren, te vervangen door 10 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.E. Hoogendijk, voorzitter,

mrs. R.M. Troost en B. Yeşilgöz, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden en L. Jaakke-van den Berg, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 november 2021.

1 Hoge Raad 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:687.

2 Zie onder andere: Rechtbank Amsterdam, 2 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5282; Hof Arnhem-Leeuwarden, 29 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2953.

3 Rechtbank Amsterdam 22 februari 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BA0795.

4 Rechtbank Amsterdam, 2 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5290 en ECLI:NL:RBAMS:2020:5282.

5 zie onder meer: HR 5 juli 2011, NJ 2011/325, Rechtbank Den Haag 26 oktober 2016, NJFS 2017/6 en Hof Amsterdam 23 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4139.

6 Hoge Raad 24 maart 2020 (Context-zaak), ECLI:NL:HR:2020:447.

7 R.A. Roks & J.B.A. van den Broek (2020). Cappen voor Clout? Een verkennend onderzoek naar Rotterdamse jongeren, drill en geweld in het digitale tijdperk. Rotterdam: Erasmus School of Law.

8 Europees Hof voor de Rechten van de Mens 7 december 1976, NJ 1978/236 (Handyside).

9 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2953.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.