RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2014 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Altena-Staalenhoef),
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. van der Wal).
Overwegingen
1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 aan eiser een vertrektermijn van 28 dagen heeft gegund. Verweerder heeft hieraan, blijkens het bestreden besluit, ten grondslag gelegd dat in dit geval de in artikel 5.1b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c genoemde omstandigheden van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen en dat op grond hiervan een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
2.
Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit onbevoegd is genomen, nu in het besluit slechts is vermeld dat het is genomen door de buitengewone opsporingsambtenaren [persoon 1] en
[persoon 2], waarvan niet is gebleken dat zij tevens hulpofficier van justitie zijn. Het vakje hulpofficier van justitie is niet aangevinkt. Verder voert eiser aan dat hij is gediagnosticeerd met een depressieve stoornis NAO en psychotische stoornis NAO en dat behandeling in Nederland noodzakelijk is. In het verleden was er suïcidegevaar bij eiser, hiertoe verwijst eiser naar het verslag van de psychiater en de huisarts van
14 november 2012. Zij zien de mogelijkheid dat, als eiser wordt uitgezet, de klachten weer zullen opleven vanwege de daarmee gepaard gaande stress. Voorts voert eiser aan dat hij in afwachting is van papieren en dat hij mogelijk als Turkse zelfstandige een aanvraag wil indienen. Op grond van het Turks Associatieverdrag heeft eiser recht op verblijf in Nederland, indien hij als zelfstandige aan de slag mag. Verder staat eiser ingeschreven in het Gemeentelijke Basisadministratie (GBA), zodat er geen sprake is van risico op onttrekking aan het toezicht.
3.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.
Het bestreden terugkeerbesluit is genomen door buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s) van de eenheid Noord-Holland, onderdeel Dienst Regionale Recherche, afdeling Vreemdelingenpolitie, waarbij in het bestreden besluit is vermeld dat de betreffende BOA’s zijn belast met het toezicht op vreemdelingen.
5.
Ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 zijn met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen belast de ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, c en d van de Politiewet 2012, die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
6.
Ingevolge artikel 2 van de Politiewet 2012 zijn ambtenaren van de politie in de zin van die wet:
a. ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;
(..)
c. vrijwillige ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, onderscheidenlijk voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie;
d. ambtenaren van de rijksrecherche die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, onderscheidenlijk voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de rijksrecherche.
7.
In artikel 2 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar regionale eenheid Noord-Holland 2013 (hierna: Besluit boa 2013) is bepaald dat als buitengewoon opsporingsambtenaar worden aangewezen de ambtenaren van de politie, bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012, die hun werkgebied hebben in de regionale eenheid Noord-Holland.
8.
Blijkens artikel 2 van het Besluit boa 2013 zijn als BOA’s aangewezen de ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2, onder b, van de Politiewet 2012. Deze ambtenaren van politie zijn ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, en anders dan in het besluit vermeld, niet met toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen belast. De rechtbank is gelet daarop met eiser van oordeel dat de BOA’s het terugkeerbesluit onbevoegd hebben genomen. Het betoog van verweerder dat het besluit conform artikel 6.4 van het Vreemdelingen Voorschrift (VV) is genomen door een bevoegd bestuursorgaan faalt.
9.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren het bestreden besluit vernietigen.
10.
De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 487,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, waarde per punt € 487,00 en wegingsfactor 1).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.