RECHTBANK DEN HAAG
zaaknummers: AWB 14/20400 en 14/20402 (beroepen) en
AWB 14/20401en 14/20403 (verzoeken om een voorlopige voorziening)
uitspraak van de voorzieningenrechter op de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening in de zaken van
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum], verzoeker,
[verzoekster]
,
geboren op [geboortedatum], verzoekster,
mede namens hun minderjarige kinderen:
[kind 1], geboren [geboortedatum],
[kind 2], geboren op [geboortedatum],
[kind 3], geboren op [geboortedatum],
[kind 4], geboren op [geboortedatum],
allen van Iraakse nationaliteit,
V-nummer [nummer] en[nummer], verzoekers,
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
(gemachtigde: mr. N.A.P. Trommelen).
Procesverloop
Bij besluiten van 4 september 2014 heeft verweerder de aanvragen van verzoekers om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en inreisverboden opgelegd voor de duur van twee jaren.
Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.
Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
2.
Als na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, dan verzet het algemene rechtsbeginsel dat niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak zich ertegen dat de rechter dit besluit beoordeelt als een eerste besluit. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, dan kan dat besluit door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders als zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden voordoen die nopen tot afwijking van dit rechtsbeginsel.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd, evenals bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.
3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers eerder, op 1 april 2008 (verzoeker) en
11 november 2008 (verzoekster) asielaanvragen hebben ingediend. Aan verzoeker is een verblijfsvergunning verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en aan verzoekster op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Bij besluiten van 25 mei 2011 zijn de verblijfsvergunningen ingetrokken. De daartegen ingestelde beroepen zijn op 4 april 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 juli 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd (zaaknr.: 201204437).
Verzoekers zijn op 28 november 2012 teruggekeerd naar Irak. Verzoekers stellen dat zij Irak in augustus 2013 opnieuw hebben verlaten. Na hun terugkeer in Nederland hebben zij op
15 oktober 2013 asielaanvragen ingediend. Bij besluiten van 23 oktober 2013 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Op 27 november 2013 heeft de rechtbank, zittingsplaats Assen/Groningen de beroepen daartegen ongegrond verklaard. Op 26 februari 2014 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd (zaaknr. 201310975).
4.
Uit het voorgaande volgt dat de bestreden besluiten moeten worden beschouwd als besluiten van gelijke strekking als de eerdere afwijzende besluiten van 15 oktober 2013. Derhalve ligt thans de vraag voor of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden dan wel een voor verzoekers relevante wijziging van recht sinds de eerdere besluiten van 23 oktober 2013.
5.
Verzoekers hebben aan de opvolgende aanvragen de verslechterde veiligheidssituatie in Irak in zijn algemeenheid en in hun woonplaats Bagdad in het bijzonder ten grondslag gelegd.
6.
Ter onderbouwing hebben zij verwezen naar een aantal documenten waarin de verslechterde veiligheidssituatie in Irak en de opmars van de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIS), thans ook aangeduid als de Islamitische Staat (IS), wordt beschreven, te weten:
- -
Een artikel van The New York Times van 17 juni 2014;
- -
Een artikel van NBC News van 24 juni 2014;
- -
UN Casualty Figures for June 2014 van 1 juli 2014;
- -
Een artikel van Reuters van 4 augustus 2014;
- -
Een bericht op Antiwar.com van 4 augustus 2014;
- -
Een bericht van Euronews van 6 augustus 2014;
- -
Een artikel van The National Journal van 11 augustus 2014;
- -
Een bericht van The Siasat Daily van 13 augustus 2014;
- -
Een artikel van het Reformatisch Dagblad van 26 augustus 2014;
- -
Een overzicht van The Institute for the Study of War over september 2014;
- -
Een bericht van BBC van 4 september 2014;
- -
Een bericht van ABC News van 10 september 2014;
- -
Het algemeen ambtsbericht van september 2014.
Verzoekers hebben gesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (Definitierichtlijn).
7.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van 25 juni 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ1596) volgt dat in verband met artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden sprake is, als de vreemdeling aantoont dat de algemene veiligheidssituatie in relevante zin voor zijn aanspraken op die bepaling is gewijzigd ten opzichte van het eerdere afwijzende besluit.
8.
De voorzieningenrechter is, op basis van hetgeen verzoekers met verwijzing naar de genoemde documenten – die dateren van na de vorige procedure – hebben aangevoerd, van oordeel dat sprake is van een relevante wijziging van de algemene veiligheidssituatie in Irak in zijn algemeenheid en Bagdad in het bijzonder, zodat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Dit brengt mee dat de voorzieningenrechter de bestreden besluiten, de motivering ervan en de wijze waarop deze tot stand zijn gekomen, zal toetsen.
9.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de veiligheidssituatie ernstig is maar dat niet kan worden gesproken van een uitzonderlijke situatie waarin personen louter door hun aanwezigheid een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Uit cijfers van Iraq Body Count blijkt dat het aantal slachtoffers dat is gevallen in de periode januari tot en met augustus 2014 beduidend minder is dan het aantal slachtoffers in de jaren 2006 en 2007. Ook het de mate van geweld is niet vergelijkbaar met de jaren 2006 en 2007. Ten aanzien van die periode heeft het EHRM nimmer geoordeeld dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Voorts staat Bagdad niet onder controle van ISIS en evenmin vindt in dit herkomstgebied op dit moment felle strijd met ISIS plaats. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat er thans nog geen formeel beleidsstandpunt is met betrekking tot het algemeen ambtsbericht van september 2014. Vooralsnog geeft het ambtsbericht verweerder geen aanleiding tot een wijziging van het standpunt van verweerder, als verwoord in het bestreden besluit.
10.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, gelet op de inhoud van de door verzoekers ingebrachte, recente documenten met betrekking tot de actuele veiligheidssituatie in Irak en met name het algemeen ambtsbericht van september 2014, onvoldoende gemotiveerd dat de veiligheidssituatie in Irak en in het bijzonder in Bagdad, niet zodanig ernstig is dat dient te worden gesproken van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.
Uit de stukken blijkt een hoge mate van onvoorspelbaarheid en veranderlijkheid van de veiligheidssituatie in Irak in zijn algemeenheid en Bagdad in het bijzonder. Gelet op de snelle opmars van ISIS en grote gewelddadigheid waarmee te werk wordt gegaan, heeft verweerder niet kunnen volstaan met de constatering dat het geweld nog beneden de mate van geweld in 2006 en 2007 is en de stelling dat Bagdad niet onder controle van ISIS staat en in dit herkomstgebied geen felle strijd met ISIS plaatsvindt.
De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het algemeen ambtsbericht van september 2014 de sterk aanhoudende verslechtering van de veiligheidssituatie in Centraal- en Zuid-Irak bevestigt (pagina 8). Voorts volgt uit het ambtsbericht dat sinds juni 2014 het aantal burgerslachtoffers sterk is toegenomen (pagina 17). De provincie Bagdad kent het grootste aantal burgerslachtoffers en –gewonden (pagina 19). Het merendeel van de aanslagen (van de door ISIS geleide opstandelingen) vindt plaats in Bagdad. Het doel van de aanslagen door IS en gelieerde groeperingen is zoveel mogelijk burgers te doden en te verwonden (pagina 15). Er vinden geregeld bomaanslagen plaats in sjiitische wijken en op plaatsen waar veel burgers samenkomen, zoals winkelcentra, markten en moskeeën. Er vonden ook mortieraanvallen plaats op sjiitische wijken (pagina 18). Daarnaast worden bij luchtaanvallen door de Iraakse strijdkrachten – waarvan pas sinds januari 2014 sprake is – vaak burgers getroffen. De sjiitische milities – die veel macht zouden hebben gekregen in Bagdad en waar de veiligheid zelfs in grote mate afhankelijk van zou zijn (pagina 18) – zouden zich ook schuldig maken aan sektarisch gemotiveerde ontvoeringen, moordaanslagen, en groepsexecuties van soennieten, met name in en rondom Bagdad, uit wraak voor het geweld dat in Centraal- Zuid-Irak gepleegd wordt door de soennitische opstandelingen tegen sjiitische burgerdoelen. Daarnaast zou de soennitische gemeenschap in Bagdad geregeld het slachtoffer worden van massale arrestaties door leden van Iraakse veiligheidstroepen (pagina‘s 14 en 15). Voorts vermeldt het ambtsbericht dat gezien de huidige fluïditeit van omstandigheden in Irak en de complexiteit van de veiligheidssituatie aldaar, de informatie in het ambtsbericht niet als uitputtend dient te worden beschouwd en dat de garantie van accuraatheid lager is, vanwege beperkte verificatiemogelijkheden ter plaatse en tegenstrijdigheden in de berichtgeving (inleiding).
Gelet op het vorenstaande en nu verweerder niet heeft gereageerd op het ambtsbericht en desgevraagd niet heeft kunnen aangeven wanneer er een formeel beleidsstandpunt volgt, ziet de voorzieningenrechter reden om de beroepen gegrond te verklaren en de bestreden besluiten te vernietigen, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
11.
Met de vernietiging van de bestreden besluiten, voor zover dit ziet op de afwijzing van verzoekers asielaanvragen, is tevens de grondslag aan het inreisverbod komen te ontvallen. Ook dit gedeelte van de bestreden besluiten dient derhalve te worden vernietigd.
12.
Vanwege de beslissing in de hoofdzaak, is er geen grond voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat de verzoeken worden afgewezen.
13.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.461,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 487,-- met wegingsfactor 1). De beroepen en verzoeken van verzoekers zijn samenhangende zaken en worden beschouwd als één zaak als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461,--;
- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van K.M.C. Zijlstra-van Middelkoop, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2014.
griffier voorzieningenrechter
De griffier is buiten staat de uitspraak mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op: