RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2014
[eiser 1],
geboren op [geboortedatum],
v-nummer [nummer],
van Vietnamese nationaliteit,
eiser 1,
[eiseres]
geboren op [geboortedatum],
v-nummer [nummer],
van Vietnamese nationaliteit,
eiseres,
en
[eiser 2],
geboren op [geboortedatum],
v-nummer [nummer],
van Vietnamese nationaliteit,
eiser 2,
gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. drs. M.J. Verwers),
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verweerder (onder verweerder wordt tevens verstaan de rechtsvoorganger(s) van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).
De beoordeling
1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.
2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van die wet worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.
In artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 en in artikel 3.71, tweede lid, van het
Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), worden categorieën vreemdelingen opgesomd die vrijgesteld zijn van de verplichting over een (geldige) mvv te beschikken. Op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000, zoals dat luidde ten tijde van de aanvraag, wijst verweerder de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).
3. In hoofdstuk 9 van het op 29 oktober 2012 gesloten Regeerakkoord is opgenomen dat langdurig in Nederland verblijvende kinderen en alleenstaande minderjarige vreemdelingen in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling en dat één van de ter zake geldende voorwaarden is dat kinderen zich niet langdurig aan het toezicht van de rijksoverheid mogen hebben onttrokken. Het betreffende beleid is vervolgens opgenomen in paragraaf B22 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000).
4. In paragraaf B22/2 van de Vc 2000, zoals deze luidde ten tijde van de aanvraag, is de definitieve regeling opgenomen. Volgens paragraaf B22/2.1 van de Vc 2000 verleent verweerder een verblijfsvergunning aan de vreemdeling die in het kader van de Regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:
‘c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de IND, de DT&V, het COa of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdijinstelling Nidos; én
(…)
Ad c. De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht indien de vreemdeling of zijn eventuele gezinsleden:
• sinds 27 juli 2010 bekend is bij de IND, DT&V, COa, of Vreemdelingenpolitie (in het kader van de opgelegde meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen voogdijinstelling Nidos; en
• niet langer dan een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden uit beeld is geweest.’
Paragraaf B22/2.3 bepaalt dat in aanvulling op het bepaalde in paragraaf B1/4.1.1 van de Vc 2000 verweerder de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de Regeling aanmerkt als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid van het Vb 2000 vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend.
Verweerder heeft in het bestreden besluit ook getoetst aan de overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen, opgenomen in paragraaf B22/3 van de Vc 2000. Die bevat voor wat betreft het vereiste dat de hoofdpersoon zich niet aan het toezicht heeft onttrokken, gelijkluidende bepalingen.
5. Verweerder heeft aan het besluit van 29 april 2014 ten grondslag gelegd dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden van de Regeling. Zij hebben zich vanaf de peildatum van 27 juli 2010 langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden onttrokken aan het toezicht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND), de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V) en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa). Ook overigens is volgens verweerder niet gebleken van omstandigheden die aan het tegenwerpen van het mvv-vereiste in de weg staan, zodat de aanvraag wegens het ontbreken van een mvv wordt afgewezen.
6. Hiermee kunnen eisers zich niet verenigen. Op hetgeen zij tegen het besluit van 29 april 2014 hebben aangevoerd wordt hierna ingegaan.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. Niet in geschil is dat eisers niet beschikken over een geldige mvv. In geschil is of eisers van dit vereiste moeten worden vrijgesteld omdat zij voldoen aan de voorwaarden van de Regeling. Aan eisers wordt in dat verband uitsluitend tegengeworpen dat zij zich hebben onttrokken aan het toezicht.
9. Met betrekking tot deze voorwaarde overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juli 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:8015), dat in paragrafen B22/2.1 en B22/3.1 van de Vc 2000 wisselend wordt gesproken van ‘hebben onttrokken aan toezicht’ en ‘uit beeld zijn’. Zoals ook volgt uit de wijze waarop deze paragrafen zijn opgesteld, is bedoeld om aan deze begrippen dezelfde betekenis te geven. Daaruit kan immers worden afgeleid dat met het onder ad c. vermelde beleid, en specifiek met de daar gebezigde term ‘uit beeld zijn’, beoogd is het eerder in die paragrafen opgenomen en aan het Regeerakkoord ontleende uitgangspunt dat een vreemdeling geen aanspraken ontleent aan de Regeling indien hij zich (langdurig) heeft onttrokken aan toezicht nader in te vullen. Aldus volgt uit de wijze waarop dit beleid vorm heeft gekregen dat aan het begrip ‘uit beeld zijn’ geen andere of ruimere uitleg kan worden gegeven dan aan het criterium ‘hebben onttrokken aan toezicht’. In het licht van het voorgaande ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld welke betekenis moet worden toegekend aan het begrip ‘hebben onttrokken aan toezicht’.
10. Volgens paragraaf B22/2.1 van de Vc 2000 voldoet een vreemdeling niet aan de voorwaarden van de Regeling indien hij zich, kort gezegd, gedurende de periode van verblijf in Nederland langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het rijkstoezicht. Deze (door de rechtbank) gecursiveerde woorden veronderstellen dat een vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling indien hij zich door eigen handelen actief heeft afgekeerd van het uitgeoefende toezicht van het rijksorgaan, en daarmee een bewuste keuze heeft gemaakt om niet uit Nederland te vertrekken maar hier illegaal te verblijven. Dat bedoeld is deze uitleg aan de Regeling te geven volgt ook uit het verslag van het op 12 maart 2013 over de Regeling gehouden plenaire debat (Handelingen 2012-2013, nr. 60, pag. 90). In dat debat heeft verweerder toegelicht dat met voormeld criterium beoogd wordt te voorkomen dat vreemdelingen die zich jarenlang hebben onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid en die een leven in illegaliteit hebben verkozen, in aanmerking kunnen komen voor de Regeling. Ook in antwoorden op Kamervragen (TK, 2012-2013, nr. 1394) is te lezen dat voorkomen moet worden dat vreemdelingen die zich hebben onttrokken aan het toezicht van de Rijksoverheid en een leven in de illegaliteit hebben verkozen in aanmerking zouden kunnen komen voor de Regeling. In aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 9 is overwogen over de betekenis van het begrip ‘uit beeld zijn’, als nadere invulling van het begrip ‘hebben onttrokken aan toezicht’, kan aan dit begrip geen andere betekenis te worden toegekend.
11.In voormelde uitspraak van 1 juli 2014 heeft deze rechtbank en zittingsplaats aan het voorgaande de conclusie verbonden dat de vaststelling dat een vreemdeling zich heeft onttrokken aan het toezicht, gelet op het doel van de Regeling, gegrond dient te zijn op een actieve handeling dan wel een bewust nalaten van die vreemdeling.
12. In reactie op deze uitspraak heeft verweerder aanvullend naar voren gebracht dat de focus dient te liggen op de verplichtingen in het kader van toezicht. Ter zitting is betoogd dat het uitgangspunt van de Regeling is dat van vreemdelingen wordt verwacht dat zij ofwel werken aan hun verblijf, door middel van contact met de IND, danwel werken aan hun vertrek, door middel van contact met DT&V danwel de Vreemdelingenpolitie.
13.De rechtbank volgt dit niet. De door verweerder benadrukte verplichting om mee te werken aan vertrek vormt in de definitieve regeling immers een aparte contra-indicatie, die in de overgangsregeling achterwege is gelaten en in het bestreden besluit aan eisers ook niet is tegengeworpen. Gelet hierop kan verweerder niet worden gevolgd in het standpunt dat deze meewerkplicht ten grondslag ligt aan de bepaling omtrent het onttrekken aan toezicht.
14.De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding anders te oordelen dan in voormelde uitspraak. Beoordeeld moet worden of eisers zich door een actieve handeling dan wel een bewust nalaten hebben onttrokken aan het toezicht.
15.Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder in het kader van het onttrekken aan toezicht specifiek tegenwerpt dat eisers zich ook na 27 juli 2010 niet bij een gezinslocatie hebben gemeld voor opvang. Daarmee zouden zij immers weer in beeld zijn gekomen. Verder heeft verweerder in het verweerschrift betoogd dat eisers zich niet aan hun meldplicht bij de Vreemdelingenpolitie hebben gehouden en ter zitting betoogd dat eisers zich aan het toezicht hebben onttrokken toen zij in 2008 het asielzoekerscentrum verlieten.
16.Naar het oordeel van de rechtbank vormt het niet melden voor opvang in een gezinslocatie geen ‘bewust nalaten’ als hiervoor bedoeld. In aanmerking genomen dat eisers nimmer een verplichting is opgelegd zich te melden op een gezinslocatie, zij in 2010 en nadien in Wageningen beschikten over onderdak en ondersteuning, zij daar hun sociale netwerk hadden en dat eiser 1 daar al enige jaren naar school ging, valt niet in te zien waarom zij dit alles zouden opgeven om hun intrek te nemen in een gezinslocatie elders. Dit nog daargelaten dat het onzeker was of zij daarvoor in aanmerking zouden komen. Verder waren zij bij de verschillende autoriteiten in Wageningen bekend. De keuze om zich niet te melden voor opvang in een gezinslocatie vormt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen ‘bewust nalaten’ dat als onttrekking aan het toezicht kan worden gezien.
17.Met betrekking tot het niet voldoen aan een meldplicht bij de Vreemdelingenpolitie overweegt de rechtbank dat in de toelichting bij dit criterium wordt gesproken van een opgelegde meldplicht. Door eisers is in bezwaar betwist dat hen een meldplicht is opgelegd, waarop in het bestreden besluit niet is gereageerd.
18.Verder is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat eisers in 2008 het asielzoekerscentrum vrijwillig hebben verlaten evenmin als onttrekkingshandeling kan worden gezien. Door verweerder is weliswaar ter zitting gesteld dat dit voor de ontruimingsdatum zou zijn gebeurd, maar door verweerder is niet betwist dat eisers op dat moment al wel te horen hadden gekregen dat zij het asielzoekerscentrum dienden te verlaten. Dat zij hieraan gevolg hebben gegeven en naar noodopvang elders zijn vertrokken kan niet als actieve onttrekking aan het toezicht als bedoeld in de Regeling worden gezien.
19. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling. Aangezien het inreisverbod voortvloeit uit de gehandhaafde weigering een verblijfsvergunning te verlenen en het daaraan verbonden terugkeerbesluit, ontbreekt ook daarvoor een deugdelijke motivering.
20. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het besluit van 29 april 2014 vernietigen wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, geen mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten. Verweerder dient, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen.
21. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eisers in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 974,- aan kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 487,-, wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Voorts bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht aan hen vergoedt.