Overwegingen
1. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de Vw 2000 en het daarbij behorende Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder zich gedurende de aan de inbewaringstelling voorafgaande strafrechtelijke detentie (van 9 mei 2015 tot 12 juni 2015) niet heeft gehouden aan de op hem rustende inspanningsverplichting. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat in paragaaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is bepaald dat verweerder gedurende de strafrechtelijke detentie een inspanningsverplichting heeft om handelingen te verrichten ter voorbereiding van de verwijdering, zodat de inbewaringstelling zoveel mogelijk wordt voorkomen. Niet is gebleken dat verweerder tijdens eisers detentie uitzettingshandelingen heeft verricht.
3. De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat eiser tijdens zijn strafrechtelijke detentie op 9 mei 2015 aanvullend is gehoord. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat gedurende de detentie bij zowel de Algerijnse als de Marokkaanse autoriteiten de rappellen inzake de in onderzoek zijnde aanvragen tot afgifte van een laissez-passer zijn voortgezet. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden.
4. Eiser heeft voorts het standpunt ingenomen dat de strafrechtelijke detentie ten onrechte pas op 12 juni 2012 is geëindigd. Hiertoe heeft eiser verwezen naar een mailbericht van [een medewerker O.M.], werkzaam bij het Arrondissementsparket Oost-Brabant, van 19 juni 2015. In de e-mail bevestigt zij dat eiser eigenlijk al op 8 juni 2015 in vrijheid had moeten worden gesteld. Nu daarmee, aldus eiser, vast is komen te staan dat sprake is van een onrechtmatige strafrechtelijke detentie, moet de daarop volgende bewaring van meet af aan voor onrechtmatig worden gehouden. De vreemdelingrechtelijke ophouding heeft, uitgaande van het eindigen van de strafrechtelijke detentie op 8 juni 2015, dan immers langer geduurd dan de op grond van artikel van artikel 50 van de Vw 2000 maximaal toegestane duur.
5. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1607) kan de vreemdelingenrechter slechts indien de onrechtmatigheid van de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de vreemdelingenrechtelijke inbewaringstelling. De rechtbank is, nu een oordeel van de strafrechter ontbreekt, dan ook niet bevoegd te oordelen over de aan de inbewaringstelling voorafgaande detentie van eiser.
6. De rechtbank overweegt verder dat eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld in het belang van de openbare orde onder overweging dat er een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert, aangezien hij:
(zware feiten)
- tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw 2000 of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000;
(lichte feiten)
7. Dat eiser tot ongewenst vreemdeling is verklaard, is onbestreden gebleven. Wel heeft eiser betwist dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats. In dit verband heeft eiser gesteld dat hij bij zijn vriendin verblijft en het voor hem als onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling niet mogelijk is om zich in te schrijven in de Basisregistratie personen (voorheen: de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens). De grond dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan kan, aldus eiser, evenmin standhouden. Uit het proces-verbaal van overbrenging en ophouding blijkt immers dat eiser in het bezit is van € 32,50.
8. Op grond van vaste Afdelingsjurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van 22 mei 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH9705) mag verweerder tot uitgangspunt nemen dat sprake is van een vaste woon en verblijfplaats, indien de vreemdeling op een gesteld adres in de GBA is ingeschreven. Niet in geschil is dat hiervan in het geval van eiser geen sprake is. Ook anderszins heeft eiser niet aangetoond dat hij over een vaste woon of verblijfplaats in Nederland beschikt. De rechtbank verwijst hiertoe naar het proces-verbaal van gehoor van 9 mei 2015, waarbij eiser heeft verklaard het adres van zijn vriendin niet te weten en hierover ook niet meer te willen vertellen. Onder voormelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder er terecht vanuit gaat dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts terecht tegengeworpen dat eiser niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Verweerder heeft een bedrag van € 32,50 onvoldoende mogen achten om aan te nemen dat eiser hiermee zijn verblijf tot aan zijn vertrek en zijn terugreis naar Marokko dan wel Algerije kan bekostigen.
10. De gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd geven voldoende aanleiding om te vermoeden dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
11. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Volgens eiser is de door verweerder gegeven motivering in de maatregel van bewaring ten aanzien van het lichter middel niet conform de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309).
12. De Afdeling heeft in de uitspraak van 10 april 2015 geoordeeld dat verweerder in aanvulling op de bewaringsgronden dient te beoordelen of de vreemdeling bijzondere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die de maatregel onevenredig maken. In de aan de inbewaringstelling ten grondslag gelegde motivering dient tot uitdrukking te komen waarom verweerder in het geval van de vreemdeling niet met toepassing van een lichter middel kan volstaan en waarom het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. Wanneer deze motivering ontbreekt, lijdt het besluit aan een motiveringsgebrek. De verplichting tot mededeling van voornoemde redenen is blijkens de uitspraak van de Afdeling vereist, zowel om de betrokken derdelander de mogelijkheid te beiden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de bevoegde rechter te wenden, als om deze laatste ten volle in staat te stellen om de controle van de rechtmatigheid van de betrokken handeling uit te oefenen.
13. Blijkens de maatregel van bewaring van 12 juni 2015 heeft verweerder – behoudens de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden – voor het achterwege laten van een lichter middel van belang geacht dat eiser na beëindiging van de eerdere bewaring niets heeft ondernomen om Nederland te verlaten en hij dat, gezien zijn verleden, waarschijnlijk ook niet zal doen. Voorts heeft verweerder betrokken dat eiser in het verleden meerdere malen niet is verschenen op zijn meldplicht.
14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de motivering van de maatregel voldoende tot uitdrukking heeft gebracht waarom hij in het geval van eiser niet met toepassing van een lichter middel heeft volstaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de motivering voldoende gevolg gegeven aan de vereisten die zijn neergelegd in de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 10 april 2015. Voorts kan verweerders standpunt standhouden dat op grond van de genoemde omstandigheden in samenhang met de gronden van bewaring niet kan worden volstaan met een lichter middel dan inbewaringstelling.
15. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat hij laatstelijk tot 3 april 2015 in bewaring heeft gezeten en die bewaring door verweerder vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting is opgeheven. Volgens eiser zijn de voor de onderhavige hernieuwde inbewaringstelling vereiste nieuwe feiten en omstandigheden niet aanwezig en is er ook nu geen zicht op uitzetting.
16. De rechtbank stelt vast dat op het model M113 (Opheffing van een maatregel als bedoeld in artikel 59 Vw 2000) van 3 april 2015 als reden van opheffing staat vermeld: “geen zicht op uitzetting op korte termijn”. Gelet hierop dient de rechtbank, zoals onder meer volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2008 (ECLI:NL:RVS:2008: BD8560), te beoordelen of ten tijde van het opleggen van de onderhavige maatregel sprake was van aanknopingspunten die leiden tot het oordeel dat, anders dan ten tijde van de opheffing van de eerdere bewaring, zicht op uitzetting binnen redelijke termijn niet ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen dergelijke aanknopingspunten worden gevonden in de brief van de minister van Sociale Zaken en werkgelegenheid van 6 mei 2015, waarin is vermeld dat Marokko heeft toegezegd de samenwerking met Nederland op het terrein van gedwongen terugkeer per direct te hervatten. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat inmiddels drie vreemdelingen bij de Marokkaanse autoriteiten zijn gepresenteerd en hun aanvragen tot afgifte van een laissez-passer in onderzoek zijn genomen. Voorts is de Dienst Terugkeer en Vertrek over volgende presentaties in gesprek met de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank is van oordeel dat voormelde toezegging, waaraan kennelijk door de Marokkaanse autoriteiten gevolg is gegeven, voldoende grond vormt om ook ten aanzien van eiser, voor wie reeds eerder zonder resultaat laissez-passeraanvragen bij Marokko zijn ingediend, een concreet zicht op verwijdering aan te nemen. Daarbij betrekt de rechtbank dat nimmer een laissez-passeraanvraag van eiser door de Marokkaanse autoriteiten is afgewezen en bovendien nog een aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten in onderzoek is. Tot slot mag hierbij niet uit het oog worden verloren dat eiser niet of in onvoldoende mate medewerking aan zijn verwijdering verleent.
17. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de toepassing van de maatregel onrechtmatig is. Daarom acht de rechtbank het beroep ongegrond en wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.