De beoordeling
1. De rechtbank stelt vast dat in onderhavig geval sprake is van een opvolgende asielaanvraag. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759) volgt dat het ne bis-beoordelingskader niet langer van toepassing is op asielzaken. Dit betekent dat de bestuursrechter in asielzaken voortaan elk besluit op een opvolgende asielaanvraag – waarbij die aanvraag niet wordt ingewilligd – overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Deze toetsing omvat, zoals bij alle besluiten, de motivering van het besluit en de manier waarop het tot stand is gekomen.
2. Ter staving van zijn huidige (opvolgende) asielaanvraag heeft eiser, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht.
Eiser is van Soedanese nationaliteit en afkomstig uit Khartoum. Eiser is vicevoorzitter van het uitvoeringsbureau van het Comité voor Soedanese asielzoekers in Nederland (hierna: het Comité). Het Comité valt als NGO onder het politieke Soedanees Democratisch Forum (hierna: SDF) in Nederland. Eiser heeft deelgenomen aan demonstraties tegen het Soedanese regime in Nederland. Foto’s van deze demonstraties zijn gepubliceerd op [website] en [website] . Ook eiser staat op deze foto’s. In Soedan is door de autoriteiten geïnformeerd naar eiser bij zijn broer.
3. Verweerder heeft de volgende elementen van eiser relevant benoemd:
-
Eiser is [eiser] en is geboren op 1 januari 1957;
-
Eiser heeft de Soedanese nationaliteit en is afkomstig uit Khartoum;
-
Eiser is vicevoorzitter van het uitvoeringsbureau van het Comité;
-
Eiser heeft in Nederland deelgenomen aan demonstraties tegen het Soedanese regime. Foto’s van deze demonstraties zijn gepubliceerd op [website] en [website] . Ook eiser staat op deze foto’s.
-
In Soedan is door de autoriteiten geïnformeerd naar eiser bij zijn broer.
Verweerder heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) afgewezen. Verweerder acht de eerste vier elementen geloofwaardig. Dat door de Soedanese autoriteiten is geïnformeerd naar eiser bij zijn broer wordt niet geloofwaardig geacht. De enkele stelling van eiser acht verweerder daarvoor onvoldoende. Verweerder acht voorts niet aannemelijk dat de autoriteiten op de hoogte zijn van eisers lidmaatschap van het Comité noch van zijn gestelde rol binnen het SDF.
Gelet hierop heeft eiser geen gegronde reden om te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
4. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Eiser is van mening dat zijn deelname aan demonstraties en bijeenkomsten georganiseerd door het SDF in samenwerking met het Comité reeds voldoende zijn om aan te tonen dat hij in de negatieve belangstelling is komen te staan van de Soedanese autoriteiten. Eiser verwijst hiervoor naar een brief van [naam] , secretaris-generaal van het SDF in Nederland. In de brief wordt vermeld dat twee activisten (na deelname aan een bijeenkomst van het SDF) direct na aankomst in Soedan zijn opgepakt en gedetineerd en de doodstraf kunnen krijgen.
In de brief wordt voorts vermeld dat een Soedanese burger in Nederland door een medewerker van de Soedanese ambassade is bedreigd vanwege deelname aan een demonstratie georganiseerd door het SDF in samenwerking met het Comité.
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn betoog voorts de volgende documenten overgelegd:
- -
Het algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse zaken van juli 2015 inzake Soedan;
- -
Een uitdraai van de toespraak die eiser heeft gehouden op de bijeenkomst op 25 juni 2016, die ook op youtube staat;
- -
Een brief van Peter Verney, Soedanspecialist, van 2 september 2016 met antwoorden op vragen van Vluchtelingenwerk naar aanleiding van de casus van eiser;
- -
Verschillende krantenartikelen waarin staat dat het regime in Soedan ook politieke activiteiten onder Soedanezen in het buitenland proberen te beperken.
- -
Relevante passages (inclusief vertaling) uit internetartikelen over het proces tegen onder meer Mustafa Adam, de activist die na een bezoek aan een bijeenkomst van het SDF in Nederland bij aankomst in Khartoum is gearresteerd;
- -
De publicatie op [website] (inclusief vertaling) van een artikel waarin de namen van het nieuwe bestuur van het Comité (unie) staan vermeld;
- -
Twee foto’s van de youtube-site waarop een film te zien is van de benoeming van eiser;
- -
Een onvertaald document van het Civil Registration Directorate General, onderdeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Soedan;
- -
Een e-mailbericht van E. Reeves, Soedankenner, van 7 september 2016.
5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat met de deels in beroep overgelegde stukken niet aannemelijk is gemaakt dat de Soedanese autoriteiten bekend zijn of zullen geraken met de activiteiten van eiser. Verweerder acht wel aannemelijk dat eiser herkenbaar in beeld is gebracht op foto’s van een demonstratie tegen het Soedanese regime en acht eveneens aannemelijk dat deze foto’s zijn gepubliceerd. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Soedanese autoriteiten hem op basis van deze foto’s (kunnen) identificeren. Gelet hierop acht verweerder niet aannemelijk dat de Soedanese autoriteiten in het land van herkomst bekend zijn of op de hoogte zullen raken van de activiteiten van eiser.
Met betrekking tot eisers rol binnen het SDF heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de stukken die in eerste instantie zijn overgelegd niet is gebleken dat eisers naam hierbij bekend is gemaakt en dat uit de stukken die in beroep zijn overgelegd, waarin de naam van eiser wel staat vermeld, niet blijkt wat zijn rol is. Verweerder acht daarbij van belang dat in eerste instantie de functie van eiser is aangeduid als ‘voorzitter van het Comité’ en dat in de in beroep overgelegde stukken waarin de naam van eiser staat vermeld zijn functie is aangeduid als ‘Algemeen secretaris van de Unie’.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. Het beroep richt zich niet tegen het ongeloofwaardig bevinden door verweerder van het element dat in Soedan door de autoriteiten is geïnformeerd naar eiser bij zijn broer. Niet in geschil is verder dat eiser op basis van de geloofwaardig bevonden elementen moet worden gezien als aanhanger van een oppositiegroep en dat hij daarmee ook deel uitmaakt van een zogenoemde risicogroep.
8. Paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) bepaalt, voor zover van belang, dat een vreemdeling die behoort tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden beleid is aangewezen als een risicogroep, indien er sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met geringe indicaties aannemelijk kan maken dat zijn problemen die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging.
Nu vaststaat dat eiser behoort tot een risicogroep dient hij derhalve met geringe indicaties aannemelijk te maken dat zijn problemen, die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging.
9. Eiser heeft vooralsnog geen problemen ondervonden, althans dit wordt door verweerder niet geloofwaardig geacht, maar in geschil is of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij, door zijn activiteiten hier in Nederland, bij terugkeer naar Soedan, problemen zal ondervinden, die verband houden met één van de vervolgingsgronden die leiden tot een gegronde vrees voor vervolging.
10.Volgens artikel 3.37b eerste lid van het Voorschrift Vreemdelingen (hierna: VV 2000) kan een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade gegrond zijn op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden nadat de vreemdeling het land van herkomst heeft verlaten.
11. Volgens paragraaf C2/3.2 van de Vc 2000 verleent de IND de vreemdeling die voldoet aan artikel 3.37b van het VV 2000, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze vreemdeling wordt aangeduid als ‘refugié sur place’. Ook indien de activiteiten van de vreemdeling, die de vreemdeling heeft ondernomen na zijn vertrek uit het land van herkomst, niet volgen op activiteiten die de vreemdeling al in het land van herkomst heeft ondernomen vóór zijn vertrek kan de IND een vreemdeling aanmerken als ‘refugié sur place’. Hiervan kan sprake zijn indien de vreemdeling voldoet aan de volgende voorwaarden:
- -
de autoriteiten in het land van herkomst zijn bekend met of de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten in het land van herkomst op de hoogte zullen raken van deze activiteiten van de vreemdeling; en
- -
deze activiteiten leveren een gegronde vrees voor vervolging op in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.
12. Niet in geschil is dat de geloofwaardig bevonden activiteiten van eiser, een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag opleveren indien de autoriteiten daarmee bekend zijn of daarvan op de hoogte zullen raken. In geschil is of de autoriteiten in het land van herkomst bekend zijn met of op de hoogte zullen raken van de activiteiten van eiser.
13. De rechtbank stelt voorop dat in Soedan iedereen die tegen het regime is, (en dus niet alleen leiders van politieke organisaties of andere hooggeplaatste personen) risico lopen op detentie, mishandeling en marteling door het regime (vergelijk het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 7 januari 2014, A.A. v Switzerland, nummer 58802/12). Voorts staat vast dat eiser herkenbaar te zien is op foto’s van een demonstratie tegen het Soedanese regime en verweerder bestrijdt niet dat deze foto’s door plaatsing [website] en [website] voor een ieder en ook voor het Soedanese regime, toegankelijk zijn.
De rechtbank overweegt verder dat E. Reevesin zijn e-mail van 7 september 2016, verklaart dat de National Intelligence and Surveillance Service (NISS) van Soedan toegewijd online berichten van alle Soedanese nieuwsbronnen afspeurt, zowel in het Engels, het Arabisch, als de (andere) belangrijke Europese talen.
Uit de verklaring van Peter Verney, Soedanspecialist, van 2 september 2016 volgt daarnaast dat de Soedanese veiligheidsdienst het vermogen en de motivatie heeft om individuele activisten te identificeren en dat de Soedanese ambassade foto’s en video’s van deelnemers in anti-regeringsdemonstraties verkrijgt en deze tracht deze te identificeren.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande en mede gelet op de door eiser overgelegde internetartikelen, waaruit blijkt dat andere activisten die actief zijn geweest bij het SDF, direct bij aankomst in Khartoum zijn gearresteerd, van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom, in het geval van eiser, geen sprake is van geringe indicaties in eerdergenoemde zin, waardoor hij niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
14. Dat eiser deelnam aan een grote demonstratie met veel deelnemers, zoals gemachtigde van verweerder ter zitting aangaf, doet aan het voorgaande niet af, nu van eiser bekend is dat van hem herkenbare foto’s zijn genomen en dat die op de genoemde websites zijn geplaatst.
15. Nu reeds gelet op het bovenstaande het beroep gegrond moet worden verklaard, behoeft hetgeen is aangevoerd met betrekking tot eisers rol binnen het SDF geen bespreking.
16. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal dan ook een nieuw besluit moeten nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
17. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 992 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 496 per punt en wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.