Louboutin en CLS hebben zich in hun akte van 8 juli 2015 op het navolgende, zakelijk weergegeven standpunt gesteld.
3.1.3.
Voor het geval de rechtbank al in dit stadium van de procedure vragen wil stellen, stellen Louboutin en CLS een zestiental vragen voor die naar zij menen alle relevant zijn voor de onderhavige procedure. Zij onderscheiden voorvragen, vragen over het deelvereiste ‘uitsluitend bestaan uit een vorm’, vragen over positiemerken die niet bestaan uit de (gehele) vorm van de waar en vragen over het deelvereiste ‘wezenlijke waarde aan de waar’. Deze vragen luiden als volgt.
Vraag 1.1
Vallen de uitsluitingsgronden van artikel 3, lid 1, sub e, van de Merkenrichtlijn
buiten de in artikel 15, lid 2 van de TRIPs-overeenkomst aan de Leden bij die
overeenkomst geboden mogelijkheden de inschrijving van merken te weigeren.
nu deze uitsluitingsgronden afwijken van de bepalingen van het Verdrag van
Parijs (1967)?
Vraag 1.2
Zo vraag 1.1 bevestigend wordt beantwoord: dienen de nationale rechterlijke
autoriteiten, wanneer zij artikel 3, lid 1, sub e, van de Merkenrichtlijn
conform het arrest Anheuser Busch, C-245/02 zoveel mogelijk toepassen in
het licht van de bewoordingen en het doel van de bedoelde bepaling van de
TRIPs-overeenkomst, deze uitsluitingsgronden zo beperkt mogelijk uit te
leggen?
Vraag 2.1
Behelst toepassing van de uitsluitingsgronden van artikel 3, lid 1, sub e, van de
Merkenrichtlijn een beperkingen op de in dat Handvest erkende rechten, in het
bijzonder op het in artikel 17, lid 2 erkende recht op intellectuele eigendom,
zodat aan toepassing van die uitsluitingsgronden de eisen van artikel 52, lid 1
van het Handvest gesteld moeten worden?
Vraag 2.2
Zo vraag 2.1 bevestigend wordt beantwoord: omvatten de eisen van artikel 52
lid 2 van het Handvest ook de eis dat een dergelijke beperking op een recht
van intellectuele eigendom voldoende voorzienbaar moet zijn, zoals dat
vereiste geldt voor wettelijke beperkingen op de rechten die beschermd
worden door art. 7 van het Handvest en artikel 8 EVRM.
Vraag 3
Zijn de uitsluitingsgronden van artikel 3, lid 1 sub e, van de Merkenrichtlijn
bepalingen die afwijken van een in dezelfde richtlijn vastgesteld algemeen
beginsel, zodat deze bepalingen strikt moeten worden uitgelegd, zoals bedoeld
in arrest ACI, C-435/12, punt 22 en de aldaar aangehaalde rechtspraak?
Vraag 4
Dient aan het begrip ‘vorm’ in artikel 3, lid 1 sub e, onder ii van de
Merkenrichtlijn dezelfde uitleg te worden gegeven als aan dit begrip in artikel 3,
lid 1 sub e, onder iii van de Merkenrichtlijn?
Vragen over het deelvereiste ‘uitsluitend bestaan uit een vorm’
Vraag 5
Ziet de uitsluitingsgrond van artikel 3, lid 1, sub e, sub iii van de Merkenrichtlijn
uitsluitend op driedimensionale tekens, of kan deze ook betrekking hebben op
tweedimensionale tekens?
Vraag 6.1
Ziet de uitsluitingsgrond van artikel 3, lid 1, sub e, sub iii van de Merkenrichtlijn
tevens op (twee- of driedimensionale) tekens waarvan een kleur een dominant
en onderscheidend onderdeel uitmaakt?
Vraag 6.2
Zo vraag 6.1 bevestigend wordt beantwoord: Ziet de uitsluitingsgrond van
artikel 3, lid 1, sub e, sub iii van de Merkenrichtlijn tevens op tekens
waarmee geen bescherming wordt gevraagd voor enige (twee- of
driedimensionale) vorm, zoals een kleurmerk of een positiemerk dat niet op
specifieke vorm betrekking heeft?
Vragen over positiemerken die niet bestaan uit de (gehele) vorm van de waar
Vraag 7.1
Ziet de uitsluitingsgrond van artikel 3, Lid 1 sub e, sub iii van de Merkenrichtlijn
tevens op tekens die niet bestaan uit de waar zelf, doch die enkel zien op een op
de waar aan te brengen teken?
Vraag 7.2
Zo vraag 7.1 bevestigend wordt beantwoord: Ziet artikel 3, lid 1, sub e, sub iii
van de Merkenrichtlijn ook op tekens die slechts worden aangebracht op een
gedeelte van de waar?
Vraag 7.3
Is het antwoord op vraag 7.2 verschillend naar gelang het gedeelte van het
uiterlijk van de waar dat door het merk is gedekt domineert in het algemeen
uiterlijk van de waar?
Vraag 7.4
Is het antwoord op vraag 7.2 verschillend naar gelang het gedeelte van het
uiterlijk van de waar dat door het merk niet is gedekt, door vrije keuzes van
de maker kan worden bepaald?
Vragen over het deelvereiste ‘een wezenlijke waarde aan de waar’
Vraag 8.1
Wordt onder ‘wezenlijke waarde aan de waar’ in de zin van artikel 3, lid 1, sub e,
sub iii van de Merkenrichtlijn mede verstaan de waarde die het gevolg is van de
bijzondere verkoopmodaliteiten volgens welke de door de merken aangeduide
waren en diensten in de handel worden gebracht, en die aldus in de tijd en
volgens de wens van de houders van deze merken kunnen variëren — ook
wanneer deze afwijken van de ‘normale’ verkoopmodaliteiten van de door de
merken aangeduide waren en diensten?
Vraag 8.2
Zo vraag 8.1 bevestigend wordt beantwoord: geldt dit ook voor waarde die het
gevolg is van de bekendheid en reputatie van het merk als onderscheidingsteken?
Vraag 9
Zo vragen 7.1 en 7.2 bevestigend worden beantwoord: Dient de rechter zich bij
een oordeel over de vraag of een merk een ‘wezenlijke waarde aan de waar’
geeft in de zin van artikel 3, lid 1, sub e, sub iii van de Merkenrichtlijn, in het
geval van een positiemerk, zoals het voorwerp is van de onderhavige zaak, zich
een oordeel te vormen over de waarde van dat positiemerk voor de gehele waar
waarvoor dit merk is ingeschreven of aangevraagd?