Overwegingen
1.1.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder f, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft een ieder recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve (f) in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.
1.2.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, erkent de Unie de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, als aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg (hierna: het Handvest), dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft.
De bepalingen van het Handvest houden geenszins een verruiming in van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald bij de Verdragen.
De rechten, vrijheden en beginselen van het Handvest worden uitgelegd overeenkomstig de algemene bepalingen van titel VII van het Handvest betreffende de uitlegging en toepassing ervan, waarbij de in het Handvest bedoelde toelichtingen, waarin de bronnen van deze bepalingen vermeld zijn, terdege in acht genomen worden.
1.3.
Ingevolge artikel 6 van het Handvest heeft een ieder recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.
1.4.
In artikel 52 van het Handvest is het volgende bepaald:
1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
(…).
3. Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het EVRM zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.
(…).
7. De toelichting, die is opgesteld om richting te geven aan de uitlegging van dit Handvest, wordt door de rechterlijke instanties van de Unie en van de lidstaten naar behoren in acht genomen.
1.5.
Ingevolge artikel 8, derde lid, van Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Opvangrichtlijn) mag een verzoeker alleen in bewaring worden gehouden
-
om zijn identiteit vast te stellen of na te gaan;
-
om de gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming en die niet zouden kunnen worden verkregen als de betrokkene niet in bewaring zou worden gehouden, met name in geval van risico op onderduiken van de verzoeker;
-
(…);
-
(…);
-
wanneer de bescherming van de nationale veiligheid of openbare orde dat vereisen;
(…).
1.6.
Ingevolge artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, door Onze Minister in bewaring worden gesteld, indien:
-
bewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling;
-
bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, met name indien er sprake is van een risico op onttrekking;
-
(…);
-
De vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn.
Ingevolge het vierde lid duurt de bewaring krachtens het eerste lid, onderdeel d, niet langer dan zes maanden.
Ingevolge het vijfde lid kan Onze Minister de bewaring krachtens het eerste lid, onderdeel d, met ten hoogste negen maanden verlengen, indien er sprake is van:
-
complexe feitelijke en juridische omstandigheden die betrekking hebben op de behandeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28; en
-
een zwaarwegend belang van openbare orde of nationale veiligheid.
2.1.
Uit het verlengingsbesluit blijkt dat verweerder eiser op 28 augustus 2015 in bewaring heeft gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, c en d, van de Vw 2000. Op 14 september 2015 heeft de Directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) een individueel ambtsbericht over eiser uitgebracht. In dit ambtsbericht concludeert de AIVD dat eiser als een gevaar voor de nationale veiligheid moet worden beschouwd. Bij brief van 8 oktober 2015 heeft verweerder, gelet op het individueel ambtsbericht van de AIVD van 14 september 2015, de grondslag voor de inbewaringstelling uitgebreid in die zin dat eiser ook wordt beschouwd als gevaar voor de nationale veiligheid. Hiermee is artikel 59b, vierde lid, van de Vw 2000 op de maatregel van toepassing. Op grond hiervan mag de bewaring zes maanden duren, welke termijn op 24 februari 2016 verstrijkt.
2.2.
Op 21 september 2015 is het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag van eiser en het opleggen van een inreisverbod voor de duur van 20 jaar uitgebracht. Op 15 oktober 2015 heeft verweerder het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) gevraagd om onderzoek te doen naar het eventuele risico op schending van artikel 3 van het EVRM ten aanzien van eiser bij terugkeer naar [land van herkomst] . Ten tijde van het nemen van het verlengingsbesluit was nog geen individueel ambtsbericht van BZ beschikbaar, maar was het uitbrengen van het individuele ambtsbericht onderwerp van politieke afstemming.
2.3.
Verweerder heeft onder verwijzing naar het uit te brengen ambtsbericht van BZ geconcludeerd dat sprake is van complexe feitelijke en juridische omstandigheden met betrekking tot de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Daarnaast wordt eiser beschouwd als gevaar voor de nationale veiligheid. De maatregel van bewaring is derhalve op grond van artikel 59b, vijfde lid, van de Vw 2000 verlengd met ten hoogste negen maanden.
3.1.
Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat in het kader van het onderhavige besluit en artikel 59b, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet relevant is of sprake is van een risico op onttrekken aan het toezicht. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het bespreken van de gronden van eiser, voor zover deze in die zin betrekking hebben op onttrekkingsgevaar.
4.1.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van strijd met het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag), omdat het uitbrengen van het individueel ambtsbericht van BZ onderwerp is van politieke afstemming. Eiser concludeert dat sprake is van politieke redenen om hem vast te houden. Eiser moet daarom worden beschouwd als politiek gevangene.
4.2.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. Zoals verweerder heeft gesteld wordt met ‘politieke afstemming’ het ambtelijk overleg tussen verweerder en BZ bedoeld over het uitbrengen van het individueel ambtsbericht. Verweerder heeft met betrekking tot dit ambtsbericht eerder geconcludeerd dat het qua inhoud inzichtelijk is, maar qua procedure niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De stelling van eiser dat hij dient te worden beschouwd als politiek gevangene mist, mede gelet op de gronden die aan de maatregel en het besluit ten grondslag liggen, daarom feitelijke grondslag.
5.1.
Eiser heeft (ten tijde van de hoorzitting) gericht vragen gesteld over de door verweerder gestelde feitelijke en juridische complexiteit met betrekking tot de behandeling van eisers asielaanvraag, maar van verweerder geen antwoord gekregen, anders dan dat het veel tijd kost. Dit is niet voldoende voor de conclusie dat sprake is van feitelijke en juridische complexiteit, aldus eiser.
5.2.
Deze beroepsgrond faalt. Uit het bestreden besluit volgt genoegzaam dat sprake is van complexe feitelijke en juridische omstandigheden die betrekking hebben op de behandeling van eisers asielaanvraag. BZ heeft immers op verzoek van verweerder onderzoek moeten doen naar het eventuele risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer van eiser naar [land van herkomst] . Dit onderzoek is naar het oordeel van de rechtbank zowel feitelijk als juridisch complex, in dit geval te meer, omdat verweerder ten aanzien van het individueel ambtsbericht van BZ van 3 december 2015 heeft geconcludeerd dat het ambtsbericht qua inhoud en qua procedure niet zorgvuldig tot stand was gekomen. Op 12 januari 2016 is daarom een aanvullend individueel ambtsbericht uitgebracht. Op 14 januari 2016 heeft verweerder geconcludeerd dat dit ambtsbericht weliswaar qua inhoud inzichtelijk is, maar qua procedure niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Ook deze onduidelijkheid maakt dat sprake is van complexe feitelijke en juridische omstandigheden. Een deel van deze complexiteit heeft naar het oordeel van de rechtbank ook te maken met de gevolgen van het individuele ambtsbericht voor de behandeling van de asielaanvraag en de vraag of het individueel ambtsbericht van BZ aan een besluit op de asielaanvraag van verweerder ten grondslag kan worden gelegd.
6.1.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij gemotiveerd heeft betwist dat hij een gevaar is voor de nationale veiligheid, omdat hij is vrijgesproken door de rechtbank. Verweerder heeft dit echter alleen betrokken in de belangenafweging, aldus eiser. Naar zijn opvatting is het besluit daarom onvoldoende gemotiveerd.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat uit de motivering van het verlengingsbesluit volgt dat eiser naar de opvatting van verweerder op grond van het individueel ambtsbericht van de AIVD van 14 september 2015 dient te worden beschouwd als een gevaar voor de nationale veiligheid. Verder blijkt (onder de belangenafweging) dat verweerder heeft kennisgenomen van eisers stelling dat hij is vrijgesproken en hij, anders dan in het individueel ambtsbericht van de AIVD staat vermeld, geen gevaar is voor de maatschappij. Verweerder heeft, zo kan aldus worden vastgesteld, geen aanleiding gezien met betrekking tot het zwaarwegend belang van de nationale veiligheid tot een andersluidend oordeel te komen. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet tot een andersluidend oordeel had hoeven komen, nu, zoals verweerder ook in het verweerschrift heeft gesteld, de vrijspraak niet hoeft af te doen aan de conclusie van de AIVD, te meer daar het Openbaar Ministerie tegen de vrijspraak in appel is.
7.1.
De rechtbank volgt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, eisers standpunt dat de gronden die eiser heeft aangevoerd tegen het verlengingsbesluit niet zijn betrokken bij de beoordeling van de grondslag van het besluit, niet. Het verlengingsbesluit is naar het oordeel van de rechtbank aldus afdoende gemotiveerd.
8.1.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van strijd met artikel 5, eerste lid, onder f, van het EVRM. Eiser heeft daartoe verwezen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Nabil e.a. tegen Hongarije van 22 september 2015 nr. 62116/12 (Nabil). Uit dit arrest volgt volgens eiser dat, bij bewaring van asielzoekers, sprake dient te zijn van een verband tussen het doel van vreemdelingenbewaring en de uitgevoerde bewaring en dat, naar de rechtbank eisers standpunt begrijpt, een uitwijzingsprocedure gaande moet zijn. Volgens eiser is het EHRM van oordeel dat het risico op onderduiken relevant is voor de vraag of het detineren van een asielzoeker is toegestaan. Eiser heeft verder verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) inzake J.N. tegen Nederland van 15 februari 2016 (C-601/15). Het Hof heeft nog niet geoordeeld over de situatie waarin een asielzoeker niet reeds eerder is geconfronteerd met een inreisverbod en terugkeerbesluit, aldus eiser.
8.2.
Deze beroepsgrond faalt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de bewaring van eiser in de eerste plaats is gericht op diens uitzetting. Daaraan doet niet zonder meer af dat eiser eerst na zijn strafrechtelijk detentie een asielaanvraag heeft gedaan en verweerder in verband daarmee nog geen terugkeerbesluit had genomen. Naar de opvatting van verweerder is het Hof in voormelde uitspraak weliswaar niet (expliciet) ingegaan op de situatie waarin nog geen terugkeerbesluit is uitgevaardigd, maar volgt daaruit niet dat in dit geval de uitkomst van het onderzoek naar de asielaanvraag niet in detentie dient te worden afgewacht. Voor deze opvatting vindt verweerder terecht steun in de conclusie van de advocaat-generaal E. Sharpston van 26 januari 2016 bij het arrest J.N. tegen Nederland. In overweging 76 heeft de advocaat-generaal overwogen dat de uitvoering van artikel 8, derde lid, aanhef en onder e, van de Opvangrichtlijn niet noodzakelijkerwijs veronderstelt dat de in bewaring gestelde persoon reeds voorwerp van een terugkeerprocedure in de zin van de terugkeerrichtlijn is geweest. In overweging 85, in aansluiting op de voorgaande overwegingen, heeft de advocaat-generaal overwogen dat de gronden opgesomd in artikel 8, derde lid, van de Opvangrichtlijn, losstaan van de gevallen van bewaring waarin het nationale recht voorziet (met name strafrechtelijke), die op elke persoon kunnen worden toegepast, los van enig verzoek om nationale bescherming en die, naar het oordeel van de rechtbank, aldus een zelfstandige grond voor inbewaringstelling vormen. De advocaat-generaal heeft verder in overweging 109 overwogen dat er geen reden is om de toepassing van voornoemd artikel te beperken tot alleen de gevallen waarin de betrokken verzoeker vóór de indiening van zijn verzoek voorwerp van een terugkeerbesluit is geweest. Voor een dergelijke uitleg is geen enkele steun te vinden in de bewoordingen van dat artikel of meer in het algemeen in de opvangrichtlijn. Zij zou ernstig afbreuk kunnen doen aan het nuttig effect van die bepaling, aangezien het vermogen van een lidstaat om op grond daarvan een ernstige aantasting van zijn nationale veiligheid of zijn openbare orde te voorkomen, vóór alles zou afhangen van de voorafgaande vaststelling van een terugkeerbesluit. De bedreiging waaraan de lidstaat mogelijk het hoofd zou moeten bieden, kan ook in de loop van de behandeling van een asielverzoek aan het licht komen, (ruim) voordat een terugkeerbesluit wordt genomen, aldus de advocaat-generaal. In de betreffende voetnoot heeft de advocaat-generaal erop gewezen dat deze uitlegging in die zin consistent is met de beginselen die voortvloeien uit artikel 4, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 72 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), die eerder in het kader van de omschrijving van de toepasselijke bepalingen in herinnering is gebracht.
In het arrest J.N. tegen Nederland heeft het Hof overwogen dat, voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die door het EVRM worden gewaarborgd, artikel 52, derde lid, van het Handvest bepaalt dat de inhoud en de reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Ten behoeve van de uitlegging van artikel 6 van het Handvest dient dus rekening te worden gehouden met artikel 5, eerste lid, van het EVRM. Met de vaststelling van artikel 8, derde lid, aanhef en onder e, van de Opvangrichtlijn, heeft de Uniewetgever echter niet in strijd gehandeld met het beschermingsniveau dat door artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, tweede zinsdeel, van het EVRM wordt geboden. Zoals immers uit de bewoordingen van die laatste bepaling volgt, staat zij de rechtmatige detentie van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is, toe. Voor zover in het kader van de onderhavige procedure thans nog de rechtmatigheid van de eerdere inbewaringstelling ter toetsing kan staan, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van strijd met voornoemde bepalingen. Eiser verbleef immers onrechtmatig in Nederland en is vanuit strafdetentie vreemdelingrechtelijk overgenomen met het oogmerk om hem in bewaring te stellen ter fine van uitzetting en, aldus, in het kader van een uitwijzingsprocedure.
9.1.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zicht op uitzetting naar [land van herkomst] , omdat onduidelijk is wanneer het individueel ambtsbericht van BZ kan worden verwacht. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder niet voortvarend handelt, omdat politieke afstemming ten aanzien van het wel of niet uitbrengen van een ambtsbericht, niet kan worden aangemerkt als uitzettingshandeling en verweerder geen andere uitzettingshandelingen heeft verricht.
9.2.
Deze beroepsgronden falen. Verweerder heeft ten aanzien van de vraag of eiser bij terugkeer naar [land van herkomst] een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, een individueel ambtsbericht door BZ laten opstellen. Nadat was gebleken dat ten aanzien van het ambtsbericht sprake was van gebreken, heeft politieke afstemming plaatsgevonden over het uitbrengen van het ambtsbericht. Verweerder heeft vervolgens, na politieke afstemming in de periode van 12 februari 2016 tot 8 maart 2016, besloten het ambtsbericht te betrekken bij de beoordeling van de asielaanvraag. Zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, is het ambtsbericht op 8 maart 2016 uitgebracht en is diezelfde dag een aanvullend asielvoornemen genomen. Niet is gebleken dat het zicht op uitzetting thans ontbreekt. De rechtbank overweegt verder dat, zolang niet op de asielaanvraag van eiser is beslist, verweerder geen (externe) uitzettingshandelingen kan verrichten. Dat de politieke afstemming over het uitbrengen van het ambtsbericht van 12 februari 2016 tot en met 8 maart 2016 heeft geduurd, leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat verweerder ten aanzien van de behandeling van het asielverzoek niet voortvarend heeft gehandeld en voortduring van de inbewaringstelling derhalve niet langer zou zijn gerechtvaardigd. De rechtbank verwijst in dat kader mede naar hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.2 is overwogen.
10.1.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder had dienen te volstaan met het opleggen van een lichter middel, te meer daar de duur van de procedures onzeker is en het evenzeer ongewis is of de maximum termijn van negen maanden toereikend zal zijn om het asielverzoek van eiser af te handelen. Evenmin wordt inzicht gegeven omtrent de aard van de stappen en de duur ervan. Ten onrechte is ook niet beslist de verlenging in duur te beperken. Eiser heeft zijn paspoort laten brengen en aangegeven bereid te zijn zich aan een meldplicht te houden. Ook zijn er stukken overgelegd waaruit blijkt dat de broer en schoonzus van eiser bereid zijn eiser op te nemen in huis en voor hem te zorgen. De omstandigheid dat eiser is vrijgesproken van het strafrechtelijke verwijt dat hem is gemaakt en de Officier van Justitie geen bezwaar heeft tegen het vertrek van eiser naar [land van herkomst] , duidt er eveneens op dat er geen bezwaar tegen is dat eiser in vrijheid wordt gesteld. De beoordeling om af te zien van een lichter middel is verder onzorgvuldig tot stand gekomen. Eiser heeft geen inzicht in hetgeen door het interdisciplinair team van het detentiecentrum is besproken. Eiser had in de gelegenheid moeten worden gesteld om hierop te reageren. Eiser ervaart tot slot lijdensdruk door de inmiddels al anderhalf jaar voortdurende detentie.
10.2.
Verweerder heeft terecht de duur van de verlengingsmaatregel niet beperkt en niet volstaan met een lichter middel. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is sprake van complexe feitelijke en juridische omstandigheden die betrekking hebben op de behandeling van eisers asielaanvraag. Op 8 maart 2016 heeft verweerder een aanvullend asielvoornemen uitgebracht, zodat naar verwachting binnenkort op eisers asielaanvraag zal worden beslist. Aan de maatregel en het voortduren daarvan ligt ten grondslag dat eiser moet worden beschouwd als een gevaar voor de nationale veiligheid. Dat eiser zijn paspoort heeft overgelegd en bij zijn broer en schoonzus kan verblijven, geeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser zich zal melden zodra uitzetting daadwerkelijk in zicht komt. De omstandigheid dat eiser is vrijgesproken en er zijdens het Openbaar Ministerie geen bezwaar tegen is dat eiser naar [land van herkomst] vertrekt, maakt dit niet anders. Eiser heeft geruime tijd, sinds verloop van zijn visum op 24 augustus 2012, illegaal in Nederland verbleven. Niet is gebleken dat de maatregel en het voortduren daarvan voor eiser onevenredig bezwarend zijn. De omstandigheid dat, zoals in het verlengingsbesluit staat vermeld, in het multidisciplinair overleg geen bijzonderheden naar voren zijn gekomen die tot een andere afweging zouden moeten leiden en eiser geen inzicht heeft in hetgeen is besproken, maakt niet dat het verlengingsbesluit op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser is in de gelegenheid gesteld persoonlijke feiten en omstandigheden naar voren te brengen, maar hierin heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen.
11.1.
De rechtbank concludeert dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is te achten.
12.1.
De rechtbank verklaart de beroepen dan ook ongegrond. Er bestaat geen grond voor schadevergoeding dan wel een proceskostenveroordeling.