Kort geding. Vordering tot opheffing schorsing van inschrijving in BIG-register. Tussenvonnis. Mogelijkheid tot spoedvoorziening bij Centraal Tuchtcollege?
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),
zetelend te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. M.F. van der Mersch te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.
1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- het herstelexploot van 3 maart 2016;
- de door de Staat overgelegde producties;
- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 maart 2016. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Eiser is sinds 1985 werkzaam als psychiater. Vanaf 2007 is hij vier dagen per week als vrijgevestigd psychiater in eigen praktijk gaan werken.
2.2.
Begin 2011 is eiser aangemerkt als verdachte. Hij is aangehouden en heeft vervolgens drie maanden in voorlopige hechtenis gezeten. Eiser wordt ervan verdacht bewust en tegen betaling onjuiste diagnoses te hebben gesteld en medische verklaringen aan patiënten te hebben verstrekt, waarmee deze patiënten ten onrechte een persoonsgebonden budget, een arbeidsongeschiktheidsuitkering of ziektewetuitkering zouden kunnen verkrijgen. De inhoudelijke behandeling van de zaak zal deze maand plaatsvinden.
2.3.
Nadat eiser in 2011 vrij kwam uit voorlopige hechtenis is de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) een onderzoek gestart naar de praktijk van eiser. De IGZ heeft geoordeeld dat de praktijkvoering van eiser niet aan de daaraan te stellen voorwaarden voldeed. In samenwerking met de IGZ heeft eiser vervolgens een verbeterplan opgesteld, heeft hij psychotherapie gevolgd en is hij onder supervisie gaan werken. In de periode vanaf 2011 tot en met eind 2014 heeft de IGZ toegezien op de praktijk van eiser en heeft zij diverse controlebezoeken aan de praktijk van eiser gebracht.
2.4.
Op 10 november 2014 heeft de IGZ een klacht tegen eiser ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (hierna: het Regionaal Tuchtcollege).
2.5.
Bij uitspraak gewezen op 13 oktober 2015 en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2015 heeft het Regionaal Tuchtcollege de doorhaling van de inschrijvingen van eiser in zijn hoedanigheid van arts, psychiater en psychotherapeut in het BIG-register – een databank waarin een aantal officieel erkende gezondheidswerkers is geregistreerd – met onmiddellijke ingang bevolen. Bij herstelbeslissing van 8 december 2015 heeft het Regionaal Tuchtcollege de inschrijving van eiser in het BIG-register met ingang van 14 december 2015 geschorst.
2.6.
Eiser heeft bij beroepschrift van 12 januari 2016 beroep ingesteld van voornoemde uitspraak bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (hierna: het Centraal Tuchtcollege).
3 Het geschil
3.1.
Eiser vordert, zakelijk weergegeven:
I. de door het Regionaal Tuchtcollege uitsproken schorsing van de inschrijvingen van eiser in het BIG-register met onmiddellijke ingang op te heffen;
II. de Staat te veroordelen de publicatie c.q. vermelding van de schorsing van de inschrijvingen van eiser in het BIG-register ongedaan te maken c.q. te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III. de Staat te veroordelen om de inhoud van dit vonnis bekend te maken in de Staatscourant en ter publicatie aan te bieden aan de tijdschriften Medisch Contact, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, De psychiater en Gezondheidszorg Jurisprudentie, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.2.
Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. Eiser wordt op ondeugdelijke gronden belemmerd in zijn burgerlijk recht om zijn beroep uit te oefenen. De Staat heeft een rechtsplicht om schendingen van fundamentele rechtsbeginselen jegens eiser te voorkomen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft in redelijkheid niet tot het uitspreken van de schorsing kunnen komen en heeft de schorsing ook niet (voldoende) gemotiveerd. Artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is dan ook geschonden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft in zijn uitspraak geen enkele aandacht besteed aan de stellingen van eiser dat hij in nauwe samenwerking met de IGZ reeds in 2011 zijn praktijkvoering volledig op orde heeft gebracht en ten tijde van de uitspraak al weer 4,5 jaar probleemloos functioneerde, zoals ook de IGZ heeft erkend. De IGZ heeft in die periode aangegeven dat zij pas na de afhandeling van de strafzaak tegen eiser en afhankelijk van de uitkomst daarvan een eventuele tuchtklacht tegen eiser zou indienen. De kern van alle verwijten die aan eiser worden gemaakt is er in gelegen dat hij zijn praktijkvoering en dossiervorming niet goed op orde had. Eiser heeft zodanige belangrijke en structurele wijzigingen in zijn praktijkvoering doorgevoerd dat van herhaling van de feiten die hem worden verweten geen sprake meer kan zijn. De IGZ heeft in mei 2013 informatie ontvangen van het Openbaar Ministerie. Voor de IGZ was ook deze nieuwe informatie kennelijk geen aanleiding om een maatregel aan eiser op te leggen, hem te verbieden bepaalde handelingen te verrichten of de bestaande controle op eiser te verscherpen. Ook na indiening van de tuchtklacht achtte de IGZ het niet nodig om in het belang van de gezondheidszorg maatregelen tegen eiser te nemen. Het IGZ heeft ook niet (specifiek) verzocht de inschrijving van eiser in het BIG-register door te halen. Het Regionaal Tuchtcollege is in zijn uitspraak uitgegaan van feiten uit het strafdossier terwijl deze in het strafproces nog niet zijn komen vast te staan.
De behandeling van het beroepschrift door het Centraal Tuchtcollege zal geruime tijd in beslag nemen. De gemiddelde doorlooptijd van een zaak bij het Centraal Tuchtcollege is een jaar. Ook zal de opgelegde schorsing niet meer door het Centraal Tuchtcollege kunnen worden getoetst, nu die schorsing is opgelegd gedurende de tijd die het hoger beroep vergt. Voor eiser staat dan ook geen effectief rechtsmiddel open om de schorsing aan te vechten. Nu eiser voor het levensonderhoud van hemzelf en zijn gezin afhankelijk is van de inkomsten die hij als arts, psychiater en psychotherapeut verdient, heeft hij een spoedeisend belang bij het gevorderde.
3.3.
De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
4.1.
De Staat heeft allereerst aangevoerd dat eiser de verkeerde partij heeft gedagvaard, zodat eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen. Volgens de Staat hadden de vorderingen zich tot het ministerie van Veiligheid en Justitie (VenJ) moeten richten in plaats van tot (een uitvoeringsorganisatie van) het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat deze zaak het ministerie van VenJ betreft, nu eiser zich kennelijk op het standpunt stelt dat sprake is van onrechtmatige rechtspraak. Daarbij komt dat de Staat onweersproken heeft aangevoerd dat het BIG-register weliswaar wordt beheerd door het ministerie van VWS, maar dat (de uitvoeringsorganisatie van) het ministerie van VWS gebonden is aan beslissingen van tuchtcolleges zoals het Regionaal Tuchtcollege.
4.2.
Wat er ook zij van het voorgaande, slechts rechtssubjecten kunnen worden gedagvaard. Ministeries bezitten geen rechtspersoonlijkheid en kunnen dan ook niet zelfstandig worden gedagvaard. De gedagvaarde partij in deze zaak is de Staat, als rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam. Zowel het ministerie van VWS als het ministerie van VenJ is orgaan van de Staat. In artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat weliswaar vermeld dat “indien mogelijk” in het exploot wordt vermeld welk ministerie het betreft, maar de ratio van die bepaling is het vlotte verloop van de zaak. Thans dient, evenals in het geval het exploot niet de vermelding van het ministerie bevatte terwijl dit wel mogelijk was, getoetst te worden of de Staat door dit verzuim onredelijk is benadeeld (zie ook artikel 122 Rv). Indien dat het geval is, zal – anders dan de Staat betoogt – de nietigheid van de dagvaarding moeten worden uitgesproken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat die situatie zich niet voordoet. De Staat heeft niet gesteld onredelijk in zijn belangen te zijn geschaad doordat in de dagvaarding het ministerie van VWS is vermeld. Nu de Staat uitvoerig formele en inhoudelijke verweren heeft gevoerd tegen de vorderingen, is van een dergelijke benadeling ook niet gebleken. Het betoog van de Staat slaagt dan ook niet.
4.3.
De Staat stelt zich voorts op het standpunt dat het tuchtrecht voorziet in een met voldoende waarborgen omklede procedure, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid van eiser moet leiden. Eiser richt zich met zijn vorderingen tegen de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege waarmee zijn inschrijvingen in het BIG-register zijn geschorst. Op grond van artikel 73 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan tegen een beslissing van een regionaal tuchtcollege binnen zes weken beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege. Niet in geschil is dat de procedure bij de tuchtrechter in het algemeen moet worden beschouwd als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Volgens eiser biedt deze procedure hem evenwel geen soelaas omdat hij weliswaar hoger beroep heeft ingesteld, maar de behandeling daarvan nog geruime tijd op zich zal laten wachten.
4.4.
De Staat heeft niet betwist dat procedures bij het Centraal Tuchtcollege normaliter geruime tijd in beslag nemen, maar heeft aangevoerd dat het Centraal Tuchtcollege, als daartoe aanleiding wordt gezien, vooruitlopend op de eindbeslissing, een schorsing voortijdig kan opheffen. De veronderstelling dat die mogelijkheid inderdaad bestaat, wordt ondersteund door een door de Staat overgelegde beslissing van het Centraal Tuchtcollege, waarin bij voorlopige voorziening de schorsing van een inschrijving in het BIG-register is opgeheven. Daarbij komt dat uit de slotbepaling van het reglement van het Centraal Tuchtcollege volgt dat het college van de gebruikelijke procedures en termijnen kan afwijken “indien de omstandigheden van het geval daartoe dringend aanleiding geven”. Het reglement voorziet niet expliciet in een spoedprocedure, maar uit de slotbepaling volgt naast het voorgaande dat het college beslist in gevallen waarin het reglement niet voorziet. De advocaat van eiser heeft ter zitting verklaard telefonisch contact te hebben opgenomen met het Centraal Tuchtcollege teneinde te informeren naar de (gebruikelijke) doorlooptijd van zaken. Eiser heeft kennelijk niet om een voorlopige voorziening van het Centraal Tuchtcollege verzocht.
4.5.
Gelet op een en ander kan niet worden uitgesloten dat eiser via de geëigende rechtsgang bij het Centraal Tuchtcollege op korte termijn de spoedvoorziening kan verkrijgen die hij met dit kort geding beoogt. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding deze zaak aan te houden zodat eiser zich uiterlijk op de hierna te noemen datum gemotiveerd en gedocumenteerd uit kan laten over de mogelijkheden bij het Centraal Tuchtcollege op dit punt. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
bepaalt dat eiser zich uiterlijk op 3 mei 2016 gemotiveerd en gedocumenteerd dient uit te laten over het onder 4.5. genoemde punt;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2016.
hvd
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: