vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
zaaknummer / rolnummer: C/09/487488 / HA ZA 15-505
Vonnis in incident van 1 februari 2017
1. de rechtspersoon naar het recht van Oostenrijk
NOVOMATIC AG,
gevestigd te Gumpoldskirchen, Oostenrijk,
2. de besloten vennootschap
ECG OUD B.V. (Eurocoin International),
voorheen genaamd Eurocoin Gaming B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
3. de besloten vennootschap
EUROCOIN GAMING B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
4. de besloten vennootschap
NOVO GAMING SERVICES B.V.,
voorheen JVH Gaming Products B.V., Errel International B.V. en Errel Industries B.V.,
gevestigd te Waalwijk,
5. de rechtspersoon naar Engels recht
BELLFRUIT GAMING LTD,
gevestigd te Nottingham, Verenigd Koninkrijk,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NOVO GAMING NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Tilburg,
eiseressen in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident ex artikel 223 Rv,
verweersters in het bevoegdheidsincident,
advocaat mr. M.A. Mak te Alkmaar,
1. de rechtspersoon naar het recht van Cyprus
DIGITUS LIMITED, tevens handelend onder de naam BETSOFT GAMING LIMITED,
gevestigd te Nicosia, Cyprus,
gedaagde in de hoofdzaak,
gedaagde in het incident ex artikel 223 Rv,
eiseres in het bevoegdheidsincident,
advocaat mr. M. Weij te Amsterdam,
2. de rechtspersoon naar het recht van Curaçao
BLEUMAY ENTERPRISES N.V.,
gevestigd te Curaçao,
gedaagde in de hoofdzaak,
gedaagde in het incident ex artikel 223 Rv,
advocaat mr. M.I. Robichon-Lindenkamp te Amsterdam,
3. de rechtspersoon naar het recht van Costa Rica
REDCORP S.A.,
gevestigd te San Jose, Costa Rica,
gedaagde in de hoofdzaak,
gedaagde in het incident ex artikel 223 Rv,
niet verschenen,
4. [A],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of elders,
gedaagde in de hoofdzaak,
gedaagde in het incident ex artikel 223 Rv,
advocaat mr. M.I. Robichon-Lindenkamp te Amsterdam,
5. [B],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of elders,
gedaagde in de hoofdzaak,
gedaagde in het incident ex artikel 223 Rv,
eiser in het bevoegdheidsincident,
advocaat mr. M. Weij te Amsterdam.
Eiseressen zullen hierna gezamenlijk (in meervoud) worden aangeduid als Novomatic AG c.s. en gedaagden als Betsoft c.s (eveneens meervoud). Als verwijzing naar een individuele partij aan de orde is, zal eiseres sub 1 verder Novomatic AG worden genoemd, eiseressen sub 2 en 3 gezamenlijk Eurocoin, eiseres sub 4 NGS, eiseres sub 5 Bellfruit en eiseres sub 6 Novomatic. Gedaagden zullen in dat geval worden aangeduid als Betsoft, Bleumay, Redcorp, [A] en [B].
3 Het geschil in het bevoegdheidsincident
3.1.
Novomatic AG c.s. gronden de bevoegdheid van deze rechtbank voor wat betreft de gestelde inbreuk op het auteursrecht ten aanzien van Betsoft op artikel 5 lid 3 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: EEX-Vo (oud) en ten aanzien van [B] op artikel 6 onder e Rv.
Voor wat betreft de gestelde inbreuk op de Gemeenschapsmerken volgt de bevoegdheid volgens Novomatic AG c.s. voor zowel Betsoft als [B] uit artikel 97 jº 95 GMVo in samenhang met de Uitvoeringswet EG-Verordening inzake het Gemeenschapsmerk.
Aan de bevoegdheid van de rechtbank voor wat betreft de gestelde inbreuk op het Beneluxmerk ‘Random Runner’ hebben Novomatic AG c.s. geen aandacht besteed.
3.2.
Betsoft en [B] vorderen in het incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart.
3.3.
In dat verband voeren zij als meest verstrekkende verweer dat op dit geschil de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: EEX II-Vo) van toepassing is en dat deze laatste verordening geen artikel 5 lid 3 kent. Dit brengt volgens hen mee dat de dagvaarding op grond van artikel 120 jº artikel 111 lid 2 onder d Rv nietig is, zodat de rechtbank zich reeds op deze grond onbevoegd kan verklaren.
3.4.
Ervan uitgaande dat is bedoeld een beroep te doen op artikel 5 lid 3 EEX-Vo (oud) (thans artikel 7 onder 2 EEX II-Vo) hebben Betsoft en [B] inhoudelijk het volgende aangevoerd:
- Uit randnummer 49 van de dagvaarding maken Betsoft en [B] op dat de vorderingen ten aanzien van hen zijn ingesteld op de grondslag van artikel 6:166 j˚ artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW), derhalve op de grondslag van een onrechtmatige daad en niet wegens een door hen zelf gepleegde inbreuk op auteurs- en merkrechten. Dat Betsoft en [B] zelf inbreuk hebben gemaakt is ook niet gesteld.
- Novomatic AG c.s. baseren de bevoegdheid voor wat betreft de gestelde inbreuken op het auteursrecht klaarblijkelijk op Nederland (en Den Haag in het bijzonder) als ‘Handlungsort’, nu zij de bevoegdheid onderbouwen met de stelling dat de websites waarop de gewraakte spellen werden aangeboden - onder meer - gericht waren op Den Haag door het gebruik van de Nederlandse taal. Volgens Betsoft en [B] is het criterium ‘richten op’ in het kader van artikel 5 lid 3 EEX-Vo (oud) echter niet van toepassing, zodat de rechtbank aan dit artikellid haar bevoegdheid niet kan ontlenen. Voor zover het criterium wel van toepassing zou zijn, betwisten Betsoft en [B] dat de websites in mei 2014 nog in de Nederlandse taal waren opgesteld, terwijl er volgens hen ook overigens geen aanknopingspunten zijn om de gestelde gerichtheid op Nederland te kunnen aannemen. Evenmin zijn er voor de toepassing van artikel 5 lid 3 EEX-Vo (oud) andere relevante aanknopingspunten die de Nederlandse rechter bevoegd maken, waarbij Betsoft en [B] er nogmaals op wijzen dat zij - ook volgens de stellingen van Novomatic AG c.s. - zelf geen inbreuk op de auteursrechten hebben gemaakt.
- Met betrekking tot de gestelde inbreuken op de ingeroepen Gemeenschapsmerken ‘Simply Wild’ en ‘Random Runner’ is de rechtbank volgens Betsoft en [B] eveneens onbevoegd om van de daarop gegronde vorderingen kennis te nemen, aangezien het begrip “de lidstaat waar de inbreuk heeft plaatsgevonden” in het toepasselijke artikel 97 lid 5 GMVo autonoom dient te worden uitgelegd en volgens die autonome uitleg alleen betrekking heeft op de plaats waar de (beweerdelijke) inbreukmaker gevestigd is. Ook hier wijzen zij erop dat de vorderingen van Novomatic AG c.s. blijkens de stellingen in de dagvaarding niet zijn gegrond op een door henzelf gepleegde merkinbreuk in de zin van artikel 96 GMVo, maar op een onrechtmatige daad. Het voorgaande geldt volgens Betsoft en [B] tevens voor wat betreft de gestelde inbreuk op het Benelux-(woord)merk ‘Random Runner’.
3.5.
Novomatic AG c.s. hebben de incidentele vordering gemotiveerd bestreden. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling in het bevoegdheidsincident
1. Grondslag van de vorderingen
4.1.
Zoals hiervoor reeds werd aangestipt, lezen Betsoft en [B] de dagvaarding aldus dat Novomatic AG c.s. de vorderingen ten aanzien van hen gronden op onrechtmatige daad, te weten artikel 6:166 j˚6:162 BW.
4.2.
Deze lezing berust echter op een te beperkte en daarmee onjuiste lezing van de stellingen in de dagvaarding. Deze stellingen (die onder meer inhouden (i) dat er een zeer grote verwevenheid tussen Betsoft, [B], Bluemay en Redcorp bestaat, (ii) dat sprake is van een voortdurend roulerend eigenaarschap/exploitatieschap van de betrokken websites, (iii) dat Betsoft en [B] steeds de inhoud van deze websites bepalen en (iv) dat de inbreukmakende spellen steeds draaiden op de servers van Betsoft) monden in randnummer 67 onder het kopje ‘conclusie inbreuk’ uit in de centrale stelling dat Betsoft c.s. zowel individueel (omdat zij openbaar maken of omdat dat aan hen dient te worden toegerekend) en als groep inbreuk maken op de auteursrechten en merkrechten van Novomatic AG c.s.. Eerder, in het door Betsoft en [B] slechts gedeeltelijk geciteerde randnummer 49, spreekt de dagvaarding ook al met zoveel woorden over “de groep van inbreukmakers die dus bestaat uit Bluemay Enterprises, Redcorp, Betsoft en de heren [A] en [B]”. Naar het oordeel van de rechtbank laat dit geen andere conclusie toe dan dat Novomatic AG c.s. zich primair op het standpunt stellen dat Betsoft en [B] ook zelf inbreuk maken.
4.3.
Dat Novomatic AG c.s. dit zo hebben bedoeld, vindt bevestiging in de conclusie van antwoord in het incident waarin op pag. 7 (nogmaals) wordt gesteld dat Betsoft de inbreuk heeft geïnitieerd en deel uitmaakte van de groep inbreukmakers en dat het faciliteren van een auteursrechtinbreuk en het daaraan leiding geven tot een auteursrechtinbreuk althans onrechtmatig handelen in Nederland leidt.
4.4.
Uitgangspunt voor de beoordeling van de bevoegdheidsvraag is derhalve het gemotiveerde verwijt dat (ook) Betsoft en [B] zelf en rechtstreeks inbreuk hebben gemaakt op de auteursrechten en de merkrechten van Novomatic c.s., welke inbreuken zouden zijn gepleegd door het digitaal maken en vervolgens via internet in Nederland aanbieden van de slotgames ‘Hot Shot’, ‘Random Runner’, ‘Simply Wild’, ‘Revolution’, ‘Hell Raiser’ en ‘Hot 7’. Bij deze beoordeling dient de rechtbank alle haar ter beschikking staande gegevens in aanmerking te nemen, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen door Betsoft en [B]1. Hiervan uitgaande oordeelt de rechtbank als volgt.
2. (Vermeende) inbreuk op auteursrechten
4.5.
Nu Betsoft is gevestigd te Cyprus, derhalve binnen de EU, en de inleidende dagvaarding is uitgebracht na 10 januari 2015 voeren Betsoft en [B] terecht aan dat de vraag naar de bevoegdheid voor wat betreft de gestelde inbreuken op het auteursrecht dient te worden beantwoord aan de hand van de EEX II-Vo. Dit volgt uit artikel 66 lid 1 van deze verordening. Waar Novomatic AG c.s. in afwijking van de hoofdregel van artikel 4 EEX II-Vo de Nederlandse rechter hebben aangezocht, wordt deze bevoegdheidsvraag in het bijzonder beheerst door het bepaalde in artikel 7 onder 2 van die verordening.
4.6.
Anders dan Betsoft en [B] betogen, brengt de omstandigheid dat Novomatic AG c.s. zich in hun dagvaarding hebben gebaseerd op een temporeel niet meer toepasselijke regeling niet mee dat deze dagvaarding nietig is. Zoals Novomatic AG c.s. terecht opmerken, is het vereiste dat de dagvaarding op straffe van nietigheid de eis en de gronden daarvan dient te vermelden (artikel 111 lid 2 onder d Rv) niet zo strikt dat de juridische grondslagen volledig correct moeten worden weergegeven. Overigens zijn Betsoft en [B] niet in hun belangen geschaad, nu het wel toepasselijke artikel 7 onder 2 EEX II-Vo materieelrechtelijk niet gewijzigd is ten opzichte van artikel 5 lid 3 EEX-Vo (oud). Bovendien zijn Betsoft en [B] er in hun inhoudelijke verweer verder ook vanuit gegaan dat Novomatic AG c.s. bedoeld hebben zich te beroepen op artikel 7 lid 2 EEX II-Vo.
4.7.
Partijen onderkennen dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) onder ‘de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ in de zin van artikel 5 lid 3 EEX-Vo en artikel 7 lid 2 EEX II-Vo zowel de plaats waar de schadeveroorzakende handeling heeft plaatsgevonden (Handlungsort) als de plaats waar de schade is ingetreden (Erfolgsort) kan vallen. Volgens het HvJ EU dient als dit laatste - in het geval van een gestelde inbreuk op auteursrecht via internet - te worden aangemerkt de lidstaat waar (1) het door de eiser ingeroepen auteursrecht wordt beschermd èn waar (2) de door eiser beweerde schade als gevolg van die inbreuk kan intreden. Daarbij geldt dat voor dit laatste niet van belang is of de website op de desbetreffende lidstaat gericht is geweest, maar enkel of de website in de lidstaat raadpleegbaar is of is geweest.2 Dat het door Novomatic AG c.s. ingeroepen auteursrecht naar Nederlands recht wordt beschermd, is niet in geschil. Nu Novomatic AG c.s. daarnaast voldoende onderbouwd hebben gesteld dat de volgens hen inbreukmakende spellen via websites in Nederland (en derhalve ook in Den Haag) raadpleegbaar waren en konden worden gespeeld, moet de conclusie dan ook zijn dat de rechtbank haar internationale en relatieve bevoegdheid kan baseren op artikel 7 lid 2 EEX II-Vo. Volledigheidshalve merkt de rechtbank hierbij nog op dat deze bevoegdheid (conform de rechtspraak van het HvJ EU3) territoriaal tot Nederland beperkt is. Blijkens hun conclusie van antwoord in het incident hebben Novomatic AG c.s. dit overigens zelf ook al onderkend.
4.8.
Voor het aannemen van deze bevoegdheid is, anders dan Betsoft en [B] nog hebben betoogd, niet vereist dat ook vast moet staan dat Betsoft zelf en rechtstreeks inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van Novomatic AG c.s. Mede gelet op wat Betsoft en [B] daar tegenover hebben gesteld, hebben Novomatic AG c.s. in dit stadium voldoende gemotiveerd dat en waarom sprake is van een schending door Betsoft zelf, althans van een schending die aan Betsoft kan worden toegerekend. Of daarvan daadwerkelijk sprake is, behoort tot het onderzoek ten gronde en is niet aan de orde bij de beoordeling van de bevoegdheidsvraag.4 Voorts wordt nog overwogen dat de door Betsoft en [B] aangehaalde uitspraak van het HvJ EU in de zaken Pammer en Hotel Alpenhof in dit kader niet relevant is, nu deze uitspraak is toegesneden op consumentenovereenkomsten.5
4.9.
[B] procedeert zonder een bekende woon- of verblijfplaats te hebben opgegeven, zodat voor het bepalen van de internationale bevoegdheid artikel 6 onder e Rv van toepassing is. Deze bepaling is geënt op artikel 5 lid 3 EEX-Vo (oud) en artikel 7 onder 2 EEX II-Vo en moet dan ook in het licht van deze artikelen worden uitgelegd. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor werd overwogen en beslist in r.o. 4.7. en 4.8. acht de rechtbank zich daarom eveneens bevoegd van de vorderingen jegens [B] kennis te nemen. Nu [B] in de incidentele conclusie enkel heeft betwist dat de Nederlandse rechter bevoegd is, maar voor het geval dat anders mocht zijn niet heeft aangevoerd dat deze bevoegdheid territoriaal moet worden begrensd, volgt de rechtbank het standpunt van Novomatic AG c.s. dat deze bevoegdheid onbeperkt is.
2. (Vermeende) inbreuk op Uniemerkrechten ‘Random Runner’ en ‘Simply Wild’
4.10.
Op dit punt merkt de rechtbank vooraf op dat met ingang van 23 maart 2016 de GMVo op onderdelen is gewijzigd en is hernoemd in de Uniemerkverordening (UMVo6). Gelet op het tijdstip waarop de dagvaarding is uitgebracht, wordt de hier aan de orde zijnde vraag nog beheerst door artikel 97 GMVo. Nu dit artikel echter verder inhoudelijk niet is gewijzigd, zal de rechtbank verder spreken over artikel 97 UMVo.
4.11.
Novomatic AG c.s. beroepen zich in het bijzonder op lid 5 van artikel 97, dat voor zover hier van belang bepaalt dat een inbreukprocedure ook kan worden ingesteld bij de rechter van ‘de lidstaat waar de inbreuk heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden’.
Zoals Betsoft en [B] terecht hebben opgemerkt, moet dit begrip autonoom worden uitgelegd en wel aldus dat deze bepaling, anders dan het geval is bij artikel 5 lid 3 EEX-Vo (oud) en artikel 7 onder 2 EEX II-Vo, alleen bevoegdheid verschaft voor de rechter van het Handlungsort, d.w.z. de lidstaat waar de gedaagde partij de vermeende inbreuk heeft gemaakt.7 In een geval als hier aan de orde, waarin wordt gesteld dat via internet inbreuk op een Uniemerk wordt gemaakt, heeft daarbij als Handlungsort van die inbreuk te gelden de plaats waar het technisch proces dat tot die inbreuk heeft geleid, is gestart. Dit is volgens het HvJ EU dan niet de plaats waar de server zich bevindt, maar de plaats waar de beslissing om het technische proces te starten is genomen, hetgeen in de regel de vestigingsplaats van de exploitant is.8 Gesteld noch gebleken is dat dit in Nederland is geweest, zodat de rechtbank haar bevoegdheid niet kan ontlenen aan artikel 97 lid 5 UMVo. Dat de merken zijn gebruikt in Nederland, zoals Novomatic AG c.s. stellen, is - gezien het voornoemde criterium - niet doorslaggevend.
4.12.
Ten aanzien van [B] is de rechtbank van oordeel dat zij in dit geval haar internationale bevoegdheid met betrekking tot de (beweerdelijke) merkinbreuken ook kan gronden op artikel 97 lid 2 UMVo. Omdat [B] blijkbaar weigert kenbaar te maken waar hij woont of verblijft, mag het ervoor worden gehouden dat hij niet woonachtig is in één van de Lidstaten. In dat geval is de rechter van de Lidstaat van (één van) de eiser(s) bevoegd. Daarmee komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe en is deze rechtbank als rechtbank voor het Gemeenschapsmerk ook relatief bevoegd.
3. (Vermeende) inbreuk op het Beneluxmerk
4.13.
Op grond van artikel 4.6 lid 3 van het Beneluxverdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of zij bevoegd is. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
4.14.
Betsoft en [B] hebben geen van beiden woonplaats binnen het Beneluxgebied. Nu de websites met de volgens Novomatic c.s. inbreukmakende spellen in Nederland – en derhalve ook in Den Haag – raadpleegbaar waren en de spellen hier ook konden worden gespeeld, is deze rechtbank op grond van artikel 4.6 lid 1 BVIE zowel territoriaal als relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen voor zover deze zijn gegrond op het Beneluxmerk ‘Random Runner’. Het andersluidende betoog van Betsoft en [B] wordt daarmee verworpen.
4. Slotsom en proceskosten
4.15.
Slotsom uit het voorgaande is dat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen ten aanzien van Betsoft, voor zover deze zijn gegrond op de (vermeende) inbreuken op de Uniemerken ‘Random Runner’ en ‘Simply Wild’. Voor het overige is het bevoegdheidsincident tevergeefs opgeworpen.
4.16.
De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.