Overwegingen
-
Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] . Zij is een staatloze, uit Syrië afkomstige Palestijnse. Eiseres heeft op 9 september 2015 mede namens haar twee minderjarige kinderen een asielaanvraag gedaan. Deze aanvraag is bij besluit van 28 november 2016 niet-ontvankelijk verklaard, onder de overweging dat Tunesië voor eiseres een veilig derde land is. Het beroep hiertegen is door de rechtbank bij uitspraak van 21 december 2016 ongegrond verklaard (NL16.3655). Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld. Hierop is nog niet beslist.
-
Op 15 juni 2017 heeft eiseres een formulier M35-O Kennisgeving tweede of volgende asielaanvraag ingediend, gevolgd door een formele asielaanvraag op 14 augustus 2017. Daarbij heeft zij verweerder uitdrukkelijk gevraagd om een bestuurlijke heroverweging naast een opvolgende asielaanvraag, dit in verband met de ingangsdatum.
3. Verweerder heeft eiseres vervolgens een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van 14 augustus 2017 als verdragsvluchteling.
4. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij stelt duidelijk te hebben gemaakt waarom er aanleiding is voor een bestuurlijke heroverweging en dat verweerder hier volledig aan voorbij is gegaan. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de kinderen van eiseres in het bestreden besluit zijn aangemerkt als van Tunesische nationaliteit, terwijl zij in de vorige procedure nog als staatloos werden gezien. Er zijn volgens eiseres geen nova die deze wijziging rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Eiseres heeft belang bij een oordeel over de ingangsdatum van de aan haar verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, aangezien die datum bepalend is voor het moment waarop aanspraak ontstaat op een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen belang bij een oordeel van de rechtbank over de in het bestreden besluit aangenomen nationaliteit van haar kinderen, nu daaraan geen zelfstandige rechtsgevolgen zijn verbonden.
7. Uit het bestreden besluit tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd volgt dat sprake is van nieuwe elementen of bevindingen (nova). Hieronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na de eerdere beslissing zijn voorgevallen of die niet vóór die beslissing konden en moesten worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van de eerdere beslissing konden en moesten worden overgelegd. Verweerder heeft in het bestreden besluit gewezen op de door eiseres bij haar opvolgende aanvraag overgelegde documenten.
8. Verweerder heeft daarbij overwogen dat er geen aanleiding is om vergunning te verlenen met ingang van een eerdere datum dan die van de opvolgende asielaanvraag, omdat eiseres eerst in deze procedure stukken heeft overgelegd waaruit kan worden geconcludeerd dat eiseres gescheiden is en niet kan terugkeren naar Tunesië. Verweerder stelt zich in beroep op het standpunt dat artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) zich verzet tegen de mogelijkheid dat bij een inwilligend besluit op een opvolgende asielaanvraag een verblijfsvergunning met ingangsdatum van de eerder afgewezen asielaanvraag kan worden verkregen. Verweerder heeft daarbij verwezen naar uitspraken van de rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 2 februari 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:1333) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 13 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4264).
9. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Het bestreden besluit omvat immers niet uitsluitend een beslissing naar aanleiding van een opvolgende aanvraag, maar is tevens een beslissing op het verzoek om bestuurlijke heroverweging. Een dergelijk verzoek was niet gedaan in de door verweerder genoemde uitspraak van de rechtbank van 2 februari 2016. Met het verzoek om bestuurlijke heroverweging wordt in wezen gevraagd om opnieuw te oordelen over de eerste asielaanvraag. Gelet hierop gaat ook verweerders verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 13 april 2012 niet op. In die zaak is weliswaar overwogen dat de ingangsdatum van de aan de vreemdeling verleende vergunning niet eerder kan zijn gelegen dan de datum waarop hij een M35-H formulier heeft ondertekend, maar daarbij was geen sprake van een opvolgende aanvraag.
10. Naar het oordeel van de rechtbank staat artikel 44, tweede lid, van de Vw niet in de weg aan het verlenen van een verblijfsvergunning met een eerdere ingangsdatum dan die van de opvolgende aanvraag. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de AbRS van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759), r.o. 4.8: “Als een vreemdeling geen opvolgende asielaanvraag indient maar in plaats daarvan betoogt dat een eerder afgewezen asielaanvraag alsnog met terugwerkende kracht vanaf de datum van die eerdere aanvraag moet worden ingewilligd, moet de staatssecretaris op dat verzoek beslissen. De staatssecretaris kan niet volstaan met de beoordeling of de vreemdeling vanaf het moment van indiening van het verzoek terug te komen van het eerdere in rechte onaantastbare besluit, in aanmerking komt voor verlening van de asielvergunning. […]”.
11. Nu verweerder de weigering van een eerdere ingangsdatum dan 14 augustus 2017 slechts motiveert met de vaststelling dat eiseres eerst bij haar opvolgende aanvraag de benodigde documenten heeft overgelegd en verder volstaat met te verwijzen naar artikel 44, tweede lid, van de Vw, is de rechtbank met eiseres eens dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en een voldoende motivering mist.
12. Met zijn standpunt dat eiseres pas bij haar opvolgende aanvraag heeft aangetoond dat zij aan alle voorwaarden heeft voldaan, miskent verweerder bovendien dat het besluit van 28 november 2016 is gebaseerd op de tegenwerping van een veilig derde land en dat de bewijslast daarvan in beginsel bij verweerder ligt. Aan een dergelijke tegenwerping moet gedegen onderzoek ten grondslag liggen. Daarbij moet er sprake zijn een zodanige band met het betreffende land dat het voor de vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan. Ten slotte moet duidelijk zijn dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land. Het is aan verweerder om dit aannemelijk te maken. Het is vervolgens aan die vreemdeling om dat te weerleggen (zie de uitspraak van de AbRS van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3397).
13. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 december 2016 reeds overwogen dat tussen partijen niet langer in geschil is dat eiseres de Tunesische nationaliteit niet kan aanvragen. Het geschil beperkte zich nog tot de vraag of eiseres zodanige banden met Tunesië heeft dat het voor haar redelijk zou zijn om naar dat land te gaan. Die banden hingen volgens verweerder samen met het eerdere verblijf van eiseres in dat land en haar huwelijk met haar Tunesische echtgenoot. Eiseres heeft in haar zienswijze van 26 november 2016 aangevoerd dat zij en haar echtgenoot gingen scheiden. In de eerdere beroepsprocedure heeft zij dit onderbouwd met een (vertaalde) oproep van de arrondissementsrechtbank te Tunis om te verschijnen op een verzoeningszitting. Dit document is door de rechtbank aangemerkt als een begin van bewijs van de echtscheidingsprocedure. Het nu later overgelegde gelegaliseerde echtscheidingsvonnis en de schriftelijke verklaring van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) van 28 februari 2017 dat een LP-aanvraag Tunesië geen kans van slagen heeft, omdat eiseres geen Tunesische is en haar man niet in beeld is, bevestigen hetgeen eiseres reeds in de eerste asielprocedure heeft aangevoerd, namelijk dat verweerder ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat eiseres zodanige banden heeft met Tunesië dat van haar mag worden verwacht daar heen te gaan.
14. Gelet hierop had verweerder aanleiding moeten zien om aan de aan eiseres verleende verblijfsvergunning de ingangsdatum van 9 september 2015, de datum van haar eerste asielaanvraag, te verbinden.
14. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
16. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, is er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).