Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1971 en is op [trouwdatum] 2012 gehuwd met [partner] ([partner]), geboren op [geboortedatum] 1985. Uit een eerdere relatie heeft eiseres drie kinderen, die zijn geboren in 1988, 1989 en 1992.
2. Voor het jaar 2015 heeft eiseres een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 25.229. Daarbij heeft zij een bedrag van € 5.112 aan specifieke zorgkosten op haar inkomen in aftrek gebracht. Dit bedrag bestaat voor € 4.800 uit de kosten van een in Griekenland uitgevoerde ivf-behandeling, voor € 1.137 uit kosten die daarmee direct verband houden en voor € 496 uit andere zorgkosten, verminderd met de drempel van € 1.321.
3. Omdat eiseres ten tijde van de ivf-behandeling in Griekenland de leeftijd van 43 jaar had bereikt, heeft verweerder bij het vaststellen van de aanslag de uitgaven voor de ivf-behandeling en daarmee verband houdende uitgaven, niet in aftrek toegelaten.
4. In geschil is of de uitgaven voor de ivf-behandeling terecht van aftrek zijn uitgesloten.
6. Op grond van artikel 6.18, eerste lid, onderdelen g en h, van de Wet IB 2001 worden niet als specifieke zorgkosten aangemerkt de bij ministeriële regeling aangewezen uitgaven die vanwege wijziging van het bepaalde bij of krachtens de Zorgverzekeringswet niet langer zijn aan te merken als uitgaven voor zorg die vallen onder het door de belastingplichtige ingevolge de Zorgverzekeringswet verplicht te verzekeren risico.
7. Aan de in 6 aangehaalde bepaling is uitvoering gegeven in artikel 39a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. In de aanhef en onderdeel a van dit artikel is bepaald dat uitgaven voor een ivf-behandeling voor een vrouw die ten tijde van de behandeling 43 jaar of ouder is, behoren tot de – van aftrek uitgesloten – uitgaven als bedoeld in artikel 6.18 onderdeel h van de Wet IB 2001.
8. De rechtbank stelt vast dat uit de door eiseres overgelegde stukken kan worden opgemaakt dat zij in 2012 althans enige tijd voordat eiseres haar 43-jarige leeftijd had bereikt, in Nederland met een vruchtbaarheidsbehandeling was begonnen. Uit die stukken blijkt evenwel ook dat op enig moment de behandeling in Nederland een einde nam. Vervolgens is eiseres naar Griekenland gegaan om aldaar een ivf-behandeling te ondergaan. Vast staat evenwel dat eiseres dan al haar 43e levensjaar heeft bereikt. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk maakt dat de ivf-behandeling in Griekenland een voortzetting is van het behandeltraject in Nederland. Ook overigens is dat de rechtbank niet gebleken, eerder volgt uit de stukken het tegendeel: er wordt een geheel nieuwe behandeling gestart in Griekenland zo kan uit de correspondentie tussen eiseres en het medisch personeel in Griekenland worden opgemaakt. Met toepassing van de wettelijke bepalingen onder 6 en 7 heeft verweerder daarom de uitgaven voor de ivf-behandeling in Griekenland van aftrek kunnen uitsluiten.
9. Vervolgens is aan de orde of, door de wettelijke bepalingen toe te passen, verweerder in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in bijzonder het non-discriminatiebeginsel. Eiseres heeft daarbij het standpunt ingenomen dat zowel sprake is van verboden leeftijdsdiscriminatie als verboden genderdiscriminatie.
10. De rechtbank overweegt dat in de wettelijke bepaling onder 7 weliswaar onderscheid wordt gemaakt op grond van leeftijd, maar daarvoor aansluiting is gezocht bij de uitgaven die met ingang van 1 januari 2013 niet langer worden vergoed binnen het basispakket van de zorgverzekering. Het leeftijdscriterium voor de zorgverzekering is gebaseerd op het rapport “Een leeftijdsgrens voor vruchtbaarheidsbehandelingen” van het College voor zorgverzekeringen. Daarvan uitgaande heeft de wetgever voor het gemaakte onderscheid een redelijke rechtvaardigingsgrond. Er is daarom geen sprake van een verboden leeftijdsdiscriminatie.
In haar standpunt dat sprake zou zijn van een verboden onderscheid naar geslacht kan de rechtbank eiseres niet volgen; dat het einde van de fertiliteit bij mannen en vrouwen verschillend is, is immers een feit van algemene bekendheid.
11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
12. Voor een proceskostenveroordeling is geen sprake.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2018.