RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2018
[eiseres] ,
geboren op [datum] 1985,
v-nummer [nummer] ,
eiseres,
en haar minderjarige zoon,
[eiser]
,
geboren op [datum] 2007,
v-nummer [nummer] ,
eiser,
beiden van Congolese nationaliteit,
tezamen eisers
(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verweerder.
Procesverloop
Op 12 mei 2016 heeft [referent] (hierna: referent) namens eisers machtigingen tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) aangevraagd voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Bij besluiten van 8 juli 2016 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Daartegen hebben eisers op 4 augustus 2106 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 24 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Op 24 maart 2017 hebben eisers beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 26 maart 2018. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.R.D. Leene.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2. Referent en eiseres stellen te zijn getrouwd en twee kinderen te hebben, eiser en [zoon] . Referent en [zoon] hebben de Nederlandse nationaliteit. Eiseres verblijft met beide kinderen in de Democratische Republiek Congo. Referent is werkzaam op basis van een uitzendovereenkomst.
3. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen en deze afwijzingen bij het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste en dat referent niet voldoet aan het middelenvereiste. Het inkomen van referent is niet voldoende en niet duurzaam, aldus verweerder. Voorts concludeert verweerder dat verblijfsweigering niet leidt tot schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In dat kader merkt verweerder allereerst op dat nog niet vast staat dat er sprake is van een gezinsband. Aan documentonderzoek komt verweerder niet toe, omdat de aanvraag al wordt afgewezen vanwege het niet voldoen aan het middelenvereiste. Voor zover een gezinsband moet worden aangenomen, stelt verweerder zich op het standpunt dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt en dat in dit geval aan de belangen van de Nederlandse staat meer gewicht toekomt.
4. Eisers zijn het hier niet mee eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende bespreken.
5. Verweerder heeft correct vastgesteld dat het inkomen van referent ten tijde van de aanvraag en ook ten tijde van het bestreden besluit niet voldoet aan de in artikel 3:75, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: de Vb 2000) opgenomen voorwaarden op grond waarvan de middelen van bestaan in ieder geval als duurzaam worden aangemerkt. Referent verrichtte ten tijde van het bestreden besluit werkzaamheden op basis van een uitzendovereenkomst van 2 januari 2016. Gelet op de aard van deze overeenkomst stond op het moment van de aanvraag en op het moment dat het bestreden besluit is genomen niet vast dat de middelen van bestaan van referent nog een jaar beschikbaar zouden zijn. Vanwege de omstandigheid dat referent in 2014 gedurende een maand een WWB-uitkering heeft gehad en hij tot in september 2015 een (aanvullende) uitkering ingevolge de Werkloosheidswet heeft ontvangen, voldoet referent evenmin aan het in artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 neergelegde duurzaamheidscriterium. Eisers hebben dit niet bestreden. Ook is niet in geschil dat het inkomen van referent ten tijde van de aanvraag en het bestreden besluit niet voldeed aan het in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vb 2000 geformuleerde criterium dat ziet op de hoogte van het inkomen.
6. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder de individuele omstandigheden van eisers en referent voldoende heeft meegewogen, hetgeen hij op grond van de arresten van het Hof van Justitie van 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117, in de zaak Chakroun en van 21 april 2016, ECLI:EU:C:2016:285, in de zaak Khachab verplicht is.
7. Op 24 maart 2017, dus na het bestreden besluit, is naar aanleiding van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) over voornoemde arresten artikel 3.24b van het Voorschrift Vreemdelingen in werking getreden. In dit artikel is bepaald dat in het kader van verblijf als familie- of gezinslid middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam zijn, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven een aaneengesloten periode van een jaar voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan nog zes maanden beschikbaar zijn. Ook aan dit criterium wordt door referent niet voldaan, omdat vanwege de aard van zijn dienstverband niet vast staat dat zijn inkomen nog zes maanden beschikbaar is.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter onterecht nagelaten alle door eisers en referent aangevoerde individuele omstandigheden te betrekken in zijn concrete beoordeling van de situatie van eisers en referent. Referent heeft volgens een jaaropgaaf over 2016 een bruto-jaarinkomen genoten van € 22.086, dat boven het voor dat jaar geldende referentiebedrag ligt. Het ligt daarom in de rede te veronderstellen dat referent op het tijdstip waarop het bestreden besluit is genomen een aaneengesloten periode van een jaar voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst heeft verworven. Dit doet er weliswaar niet aan af dat ten tijde van het bestreden besluit niet vast stond dat het inkomen van referent nog een half jaar beschikbaar was, maar daarbij moet worden meegewogen dat referent al sinds 1997 legaal arbeid verricht en dat hij al sinds juli 2015 werkzaam is op basis van tijdelijke contracten bij dezelfde werkgever, die telkens zijn verlengd.
Ook heeft verweerder ten onrechte het betoog van eisers ten aanzien van de algemene heffingskorting niet bij zijn beoordeling betrokken. Hoewel verweerder terecht stelt dat eiseres en referent ten tijde van het bestreden besluit geen recht hadden op de algemene heffingskorting, omdat zij geen fiscale partners zijn, gaat verweerder er aan voorbij dat, indien het eiseres wordt toegestaan zich bij referent in Nederland te vestigen, zij en referent automatisch fiscaal partner worden en vanaf dan wel in aanmerking komen voor de algemene heffingskorting. Het doel van het middelenvereiste is immers om enige zekerheid te bieden dat referent, na overkomst van de vreemdeling, voldoende inkomen geniet om in het onderhoud van het gezin te voorzien en zo te voorkomen dat een beroep moet worden gedaan op het systeem van sociale bijstand. Eisers verwijzen dit kader terecht naar de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3659.
9. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.
10. De rechtbank komt niet toe aan beoordeling van het inburgeringsvereiste, dat verweerder aan eiseres heeft tegengeworpen. Immers, indien verweerder tot de conclusie zou komen dat referent wel aan het middelenvereiste voldoet, valt niet uit te sluiten dat eiser in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde mvv. In dat geval dient verweerder ten aanzien van eiseres een nieuwe belangenafweging te maken in het kader van artikel 8 van het EVRM. Ook als tegenwerping van het inburgeringsvereiste stand zou houden, zou dit daarom onvoldoende zijn om het bestreden besluit ten aanzien van eiseres te kunnen dragen.
11. Eisers hebben tot slot ter zitting een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354, in de zaak Chavez-Vilchez. Eisers betogen dat voor eiseres uit dit arrest een verblijfsrecht voortvloeit, omdat [zoon] , de jongste zoon van eiseres en referent, de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de goede procesorde zich er tegen verzet om deze grond bij het beroep te betrekken. Nu het bestreden besluit echter wordt vernietigd en verweerder een nieuw besluit moet nemen, dient hij dit betoog van eisers daarbij te betrekken.
12. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Omdat de aard van het motiveringsgebrek beter is gediend met een volledige heroverweging, ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Tevens bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierrecht aan hen vergoedt.
Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
Artikel 2p, eerste lid, luidt als volgt:
Onze Minister kan een machtiging tot voorlopig verblijf verlenen aan de vreemdeling ten aanzien van wie is aangetoond dat hij voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.
Artikel 2q, eerste lid, luidt als volgt:
Onze Minister kan een machtiging tot voorlopig verblijf weigeren indien ten aanzien van de vreemdeling niet is aangetoond dat deze voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2p, eerste lid, onverminderd het tweede lid van dat artikel.
Artikel 14, derde lid, luidt als volgt:
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ambtshalve verlening, wijziging en verlenging, de beperkingen en de voorschriften.
Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, luidt als volgt:
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000)
Artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, luidt als volgt:
De in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan zijn in ieder geval voldoende, indien de som van het loon, bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen, uit arbeid in loondienst, het bruto inkomen uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een socialeverzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen, de bruto-winst uit arbeid als zelfstandige en het inkomen uit eigen vermogen ten minste gelijk is aan het minimumloon, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, onder a, en 14, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
Artikel 3:75, eerste lid, luidt als volgt:
De in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan zijn in ieder geval duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.
Artikel 3:75, derde lid, luidt als volgt:
In afwijking van het eerste lid, zijn middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven gedurende een aaneengesloten periode van drie jaren jaarlijks voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan nog beschikbaar zijn. Indien tijdens de periode van drie jaren gedurende een periode van in totaal niet langer dan zesentwintig weken een werkloosheidsuitkering is ontvangen, wordt die uitkering gelijkgesteld met inkomen uit arbeid in loondienst.