Overwegingen
1. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen en heeft daaraan het volgende, kort samengevat, ten grondslag gelegd. De aangevraagde verblijfsvergunning wordt verleend wanneer een oud-Nederlander geboren en getogen is in Nederland. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning. Hoewel eiser in Nederland is geboren, voldoet hij niet aan het vereiste dat hij hier ook is ‘getogen’. Daartoe is met name van belang dat eiser nooit in Nederland naar school is geweest, aldus verweerder.
2. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe voert hij, kort samengevat, het volgende aan. Eiser is van mening dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte heeft afgewezen, omdat de regelgeving en het beleid onduidelijk zijn. Nergens is vastgelegd wanneer wordt aangenomen dat iemand in Nederland is ‘getogen’. Daarbij blijkt nergens uit dat het volgen van scholing in Nederland een beslissend onderdeel uitmaakt van de toets of iemand in Nederland is getogen. Eiser wijst erop dat oud-Nederlanders, die niet in Nederland geboren zijn, gemakkelijker een verblijfsvergunning kunnen krijgen. Eiser is van mening dat het niet duidelijk is of er in zijn geval aanleiding bestaat tot het geven van toepassing aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Verder wijst hij op zijn goede banden met Nederland en dat hij de taal vloeiend spreekt, schrijft en leest. Bovendien kan hij in zijn eigen levensonderhoud voorzien. Verder voert eiser aan dat hij noch verweerder zeker weet of hij de Nederlandse nationaliteit niet meer heeft. Ten slotte wijst hij op een wetsvoorstel op grond waarvan hij met terugwerkende kracht zijn Nederlanderschap terug zou kunnen krijgen.
3. Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking, verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden worden verleend aan de vreemdeling, die een in Nederland geboren en getogen oud-Nederlander is.
4. In paragraaf B9/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) is opgenomen dat verweerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000. Hiervoor is vereist dat eiser geboren en getogen is in Nederland.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft voor zijn tweede verjaardag Nederland verlaten. Hij is niet opgegroeid in Nederland en heeft geen scholing gevolgd in Nederland. Hij is door zijn Nederlandse ouders opgevoed in de Verenigde Staten. De rechtbank is gezien deze omstandigheden van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in Nederland is getogen. De sterke banden die eiser met Nederland heeft gehouden en de omstandigheid dat hij contact heeft gehouden met familie en vrienden in Nederland en regelmatig Nederland heeft bezocht, doen er niet aan af dat eiser vanaf zijn tweede levensjaar is opgegroeid in de Verenigde Staten. Ook zijn goede kennis van de Nederlandse taal maken dit niet anders. Bij de beoordeling van de onderhavige aanvraag heeft verweerder verder terecht geen rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser op de feiten vooruit is gelopen door een huis te kopen in Nederland.
6. Ten aanzien van het beroep op artikel 4:84 van de Awb overweegt de rechtbank als volgt. In het beleid in paragraaf B9/2.1 van de Vc 2000 wordt geen nadere invulling gegeven aan het begrip ‘getogen’, maar wordt direct verwezen naar artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000. Aan verweerder is niet de bevoegdheid toegekend om af te wijken van een wettelijk vereiste, in dit geval het in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 neergelegde vereiste dat het moet gaan om een vreemdeling die een in Nederland geboren en getogen oud-Nederlander is. Het beroep op artikel 4:84 Awb kan eiser dan ook niet baten. Ook de stelling van eiser dat het voor oud-Nederlanders, die nooit in Nederland hebben gewoond, volgens de geldende regelgeving eenvoudiger is een verblijfsvergunning te verkrijgen, doet hier niet aan af, nu de betreffende regelgeving geen betrekking heeft op zijn situatie. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel.
7. Wat betreft het wetsvoorstel tot de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap, waar eiser naar verwijst, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat hieraan niet getoetst kan worden, nu het niet gaat om een geldende wet. Daarbij kunnen noch dit wetsvoorstel, noch de stelling van eiser dat hij wellicht nog in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, wat hier ook van zij, leiden tot de verlening van de aangevraagde verblijfsvergunning. De beroepsgronden slagen niet.
8. Gezien het bovenstaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.