Overwegingen
1. Eiser heeft eerder op 19 december 2010 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 1 juli 2011 afgewezen. Dit besluit is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 3 mei 2013 in rechte vast komen te staan. Op 5 december 2012 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 24 januari 2013 afgewezen en daarbij is een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd. Dit besluit is bij uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015 in rechte vast komen te staan. Op 14 mei 2014 heeft eiser een derde asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 16 mei 2014 afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit besluit is bij uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2016 in rechte vast komen te staan.
2. Eiser heeft op 4 mei 2018 onderhavige, vierde, asielaanvraag ingediend. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij gegronde vrees heeft voor onevenredige en discriminerende bestraffing en tenuitvoerlegging van de straf voor het illegaal uitreizen van Sri Lanka. De Sri Lankaanse autoriteiten zijn volgens eiser bekend met de illegale uitreis en het feit dat eiser een asielaanvraag in Nederland heeft ingediend. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser de volgende stukken overgelegd:
-
Een USB-stick met daarop een geluidsopname van het gesprek van eiser met de Sri Lankaanse ambassade;
-
Een transcriptie van een gespreksopname van 4 minuten en 14 seconden voorzien van vertaling;
3. Een afdruk van de website van de Sri Lankaanse ambassade, d.d. 21 juli 2016;
4. Kopie paspoort voorzien van proces-verbaal;
5. Uitspraak rechtbank Roermond van 2 februari 2018;
6. Informatie van het Landelijk Bureau Vluchtelingenwerk;
7. Een geanonimiseerd individueel ambtsbericht d.d. 24 oktober 2013;
8. Een onvertaalde originele overlijdensakte van eisers vader met bijbehorende envelop;
9. Een uitdraai van 6 december 2014 met daarop (een) artikel(en) met drie foto’s waarop eiser op twee foto’s staat afgebeeld.
3. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiser hiermee geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Om die reden heeft verweerder de asielaanvraag van eiser, op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), niet-ontvankelijk verklaard.
4. Eiser is het hier niet mee eens. Op wat hij heeft aangevoerd zal hierna worden ingegaan.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan verweerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet‑ontvankelijk verklaren indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen (nova) ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
7. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van
7 april 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:3998), overweegt de rechtbank dat het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ geen andere betekenis heeft dan het begrip ‘nieuw gebleken feiten of omstandigheden’. Dit betekent dat de rechtbank voor de uitleg van het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ aansluiting zoekt bij de bestaande jurisprudentie over het begrip ‘nieuw gebleken feiten of omstandigheden’.
Gelet hierop moeten onder nieuwe elementen of bevindingen worden begrepen elementen of bevindingen die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen elementen of bevindingen voor die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
8. Eiser heeft aangevoerd dat pas na afloop van zijn derde asielprocedure bekend is geworden dat de detentieomstandigheden in Sri Lanka zodanig zijn dat deze strijd opleveren met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Een illegale uitreis is strafbaar in Sri Lanka. Volgens eiser heeft hij met de overgelegde transcriptie van een gespreksopname en een verwijzing naar de zaken [naam] en [naam] aannemelijk gemaakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn of zullen geraken van zijn illegale uitreis in 2010.
8.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de overgelegde geluidsopname en transcriptie van het telefoongesprek van eiser met een medewerker van de Sri Lankaanse ambassade niet is aan te merken als een nieuw relevant element of bevinding als hiervoor bedoeld.
Het is aan eiser om de authenticiteit van het gesprek aan te tonen. Verweerder heeft terecht gesteld dat bij het gesprek geen medewerkers van andere overheidsorganisaties of erkende non‑gouvernementele organisaties aanwezig waren zodat de geluidsopname niet op een objectief controleerbare en verifieerbare wijze tot stand is gekomen. Hierin verschilt de zaak ook van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats, van 16 januari 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:473), betreffende [naam] , waar eiser naar heeft verwezen. Daarin is geoordeeld dat wel een begin van bewijs van de authenticiteit van de geluidsopname was geleverd, onder meer vanwege de aanwezigheid van twee medewerkers van de Internationale Organisatie voor Migratie. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder in het onderhavige geval eiser in zijn bewijslast tegemoet had moeten komen.
8.2
Uit het voorgaande volgt dat eiser met de geluidsopname niet heeft aangetoond dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn, of zullen geraken, van zijn illegale uitreis. Ook met de verwijzing naar twee individuele zaken heeft eiser dit nog niet aangetoond. Uit twee individuele zaken kan immers niet de algemene conclusie worden getrokken dat de Sri Lankaanse autoriteiten altijd onderzoek doen naar illegale uitreis bij hun onderdanen. Daarom heeft eiser nog niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkomst zal worden gedetineerd. Dat pas na afloop van eisers derde asielprocedure bekend zou zijn geworden dat detentie in Sri Lanka een schending van artikel 3 van het EVRM kan opleveren, betekent daarom niet, anders dan eiser heeft betoogd, dat verweerder er aan voorbij heeft moeten gaan dat eiser geen nieuwe elementen en bevindingen aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd.
9. Eiser heeft verder betoogd dat aan de afwezigheid van nieuwe relevante elementen en bevindingen voorbij moet worden gegaan omdat gebleken is van nieuwe informatie over de houding van de Sri Lankaanse autoriteiten ten opzichte van asielzoekers. Medewerkers van de ambassade zouden vragen stellen over de asielprocedure in Nederland. Ter onderbouwing hiervan heeft hij verwezen naar de zaken [naam] en [naam] , waar gesprekken met de Sri Lankaanse ambassade hebben plaatsgevonden. Ook heeft eiser aangegeven dat verweerder op dit moment gesprekken voert met de Sri Lankaanse autoriteiten op dit punt en dat de Ombudsman de zaak in onderzoek heeft. Gelet hierop is het volgens eiser onzorgvuldig om te blijven beslissen op asielaanvragen van Sri Lankaanse asielzoekers.
9.1
Naar het oordeel van de rechtbank faalt dit betoog. Met de verwijzing naar twee individuele zaken heeft eiser nog niet de algemene werkwijze van de Sri Lankaanse ambassade aannemelijk gemaakt. Verder blijkt uit de bijlage bij de gronden van het beroep dat het onderzoek bij de Ombudsman niet meer omvat dan dat de gemachtigde van eiser is uitgenodigd om haar klachten in een aantal Sri Lankaanse zaken toe te lichten. Evenmin heeft eiser met de enkele stelling dat verweerder gesprekken zou voeren met de Sri Lankaanse autoriteiten een nieuwe algemene werkwijze van de ambassade aannemelijk gemaakt.
Ook in zijn individuele geval heeft eiser niet aangetoond dat de werkwijze van de ambassade dusdanig is dat aan de afwezigheid van relevante elementen en bevindingen voorbij moet worden gegaan om schending van artikel 3 van het EVRM te voorkomen. Immers, zoals overwogen onder 8.1, kan niet van de authenticiteit van het telefoongesprek met de ambassade worden uitgegaan. Daarbij komt dat, zelfs indien naar de inhoud van het gesprek wordt gekeken, hieruit niet blijkt van eenzelfde werkwijze van de ambassade als in de zaken waar eiser naar heeft verwezen.
10. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat de overgelegde overlijdensakte van de vader van eiser niet is aan te merken als een nieuw relevant element. Niet ten onrechte heeft verweerder gesteld dat de akte nog niet maakt dat de problemen in de eerdere procedures nu wel geloofwaardig moeten worden geacht. Dat uit de inhoud van de akte blijkt dat de vader met geweld om het leven is gebracht maakt dit niet anders.
11. Eiser heeft voor het overige verzocht hetgeen in de zienswijze is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Nu verweerder hier in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd op in is gegaan en eiser deze gronden in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.
12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen nieuwe relevante elementen of bevindingen naar voren heeft gebracht. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om de aanvraag met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk te verklaren.
13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.