Overwegingen
1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Verzoeker heeft de visumaanvraag op 19 februari 2019 ingediend en verweerder heeft de aanvraag ontvangen op 22 februari 2019. Verzoeker wenst verblijf in Nederland voor een periode van 14 dagen voor het bijwonen van de bruiloft van zijn neef [naam 2] op 13 april 2019 en voor bezoek aan zijn familie.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een spoedeisend belang ontbreekt, omdat de visumaanvraag pas op 22 februari 2019 is ingediend, amper twee maanden vóór de bruiloft en mag worden aangenomen dat de datum van de bruiloft eerder bekend was. Dit dient daarom voor rekening en risico van verzoeker te komen. Het toewijzen van het verzoek als ware verzoeker in het bezit van een visum zou neerkomen op een impliciet gegrond verklaren van het bezwaarschrift omdat verweerder daarmee voor een voldongen feit wordt gesteld. Slechts indien sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang en sterk getwijfeld dient te worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is voor een dergelijke vergaande beslissing aanleiding. In dit geval is hiervan geen sprake.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van verzoeker in dit geval volgt uit de periode waarvoor verzoeker naar Nederland wenst te komen en de omstandigheid dat verweerder de termijn voor het beslissen op het bezwaar bij brief van 13 maart 2019 heeft verlengd tot twaalf weken na het verstrijken van de bezwaartermijn. Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening niet alsnog een voornemen bekend gemaakt om vóór 8 april 2019, althans 13 april 2019, te beslissen op het bezwaar. Het moment waarop de aanvraag is ingediend kan van belang zijn bij de vraag naar de toewijsbaarheid van de gevraagde voorziening, maar leidt niet op voorhand tot het ontbreken van een spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker.
5. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen op de volgende gronden. Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf zijn onvoldoende aangetoond.
De relatie tussen verzoeker en de door hem opgegeven referent is niet aannemelijk gemaakt dan wel aangetoond middels objectiveerbare bewijsstukken. Verder heeft verzoeker niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis. Niet is aangetoond dat verzoeker vrijelijk en zelfstandig kan beschikken over het door de grensbewakingsautoriteiten als uitgangspunt gehanteerde richtbedrag per persoon per dag. Evenmin heeft verzoeker aannemelijk gemaakt dat hij tijdig, voor het verstrijken van het visum, het grondgebied van de lidstaten zal verlaten. In dat verband heeft verweerder overwogen dat de sociale en/of economische binding met het land van herkomst niet voldoende is aangetoond, dan wel zeer gering is gebleken. Niet is gebleken, dan wel aannemelijk gemaakt, dat verzoeker over een regelmatig en substantieel inkomen in het land van herkomst beschikt om zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien.
6. De gemachtigde van verzoeker heeft in de gronden van bezwaar opgemerkt dat verzoeker de visumaanvraag heeft ingediend om familie, kennissen, referent en vrienden te bezoeken en om de bruiloft van zijn neef [naam 2] bij te wonen, ten bewijze waarvan hij een afschrift van de uitnodiging heeft overgelegd. In de gronden van het verzoek heeft de gemachtigde gewezen op de uitnodiging en garantstelling door [naam 3] . Ook heeft hij gewezen op een overgelegde bankverklaring, een werkgeversverklaring en bankafschriften en op de aanwezigheid van zijn familie en vriendenkring in Marokko.
7. De gemachtigde van verzoeker heeft ter zitting verschillende stukken overgelegd. Het betreft onder meer een werkgeversverklaring van [naam 4] inhoudende dat verzoeker daar vanaf 10 mei 2018 werkzaam is, een verklaring van deze werkgever over de hoogte van het salaris dat verzoeker ontvangt (3000 Dirham per maand), salarisspecificaties van verzoeker over de periode november 2018 tot en met januari 2019, een toestemmingsverklaring van de werkgever voor verzoekers verlof van 8 april 2019 tot 21 april 2019, inkomensgegevens van CNSS (Caisse Nationale de Securite Sociale) betreffende verzoeker vanaf december 2007, bankafschriften van Attijariwafa Bank / Tanger Branes Extension over de periode november 2018 tot en met januari 2019, een verklaring van deze bank van 15 februari 2019 over het saldo van de bankrekening van verzoeker (70.729 Dirham) en een garantverklaring ondertekend door referent [naam 3] , met als bijlagen diens arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en salarisspecificaties over november 2018 tot en met januari 2019 (3578,22 Euro per maand), alsmede een verklaring van het Marokkaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken over de familierelatie tussen referent en verzoeker (cousin).
8. De gemachtigde van verzoeker heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij genoemde stukken van verweerder heeft ontvangen als behorend bij de aanvraag en het bestreden besluit. De voorzieningenrechter stelt vast dat de hiervoor genoemde stukken geen deel uitmaken van de door verweerder aan de rechtbank toegezonden stukken. Verder wordt in het bestreden besluit, noch in het verweerschrift concreet ingegaan op de bij de aanvraag overgelegde stukken. Evenmin wordt bestreden dat de in het bezwaar- en verzoekschrift genoemde stukken bij de aanvraag zijn overgelegd.
9. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op de concrete tegenwerpingen van verweerder heeft gereageerd, ondersteund met documenten. Het bestreden besluit zal dan ook niet zonder nadere motivering kunnen worden gehandhaafd. Gelet op de specifieke door verzoeker overgelegde stukken kan daarbij niet op voorhand worden uitgesloten dat in bezwaar alsnog aan hem het gevraagde visum kan worden verleend.
10. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift, noch ter zitting uitgelaten over de inhoudelijke heroverweging van het bestreden besluit. Het ligt verder niet in de lijn der verwachting dat verweerder op tijd zal beslissen op het bezwaar van verzoeker. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen in die zin dat verzoeker tot na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar zal moeten worden behandeld als ware hij in het bezit van het gevraagde visum.
11. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1024,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,-- en een wegingsfactor 1).