RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ’s-Gravenhage
FH
Zaak-/rolnr.: 7129022 RL EXPL 18-17656
24 januari 2019
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. A.M. van Geel,
de publiekrechtelijke rechtspersoon
Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) c.q. Centraal Bureau COA,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. E. Versloot.
Partijen worden hierna genoemd “ [eiseres] ” en “COA”.
2 Feiten
2.1.
[eiseres] is geboren op [geboortedag] 1972 en thans 46 jaar oud.
2.2.
COA is een verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers en begeleiding naar een toekomst in Nederland of het land van herkomst. COA heeft meerdere locaties/vestigingen en de hoofdvestiging is gelegen in Den Haag.
2.3.
COA is een zelfstandig bestuursorgaan en valt onder de politieke verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Als zelfstandig bestuursorgaan voert COA een politieke opdracht uit. De taken zijn vastgelegd in de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
2.4.
[eiseres] heeft in de periode van december 2014 tot 1 april 2015 via Uitzendbureau Start People voor COA gewerkt in de functie van [functie] voor 28 uur per week op de locatie Gilze en Rijen. [eiseres] gaf ondersteuning aan de locatiemanager
2.5.
COA heeft voor [eiseres] een positief getuigschrift opgesteld gedateerd 3 april 2015.
2.6.
Op 25 mei 2015 heeft [eiseres] een open sollicitatie naar COA gestuurd voor de functie van Casemanager. COA heeft [eiseres] vervolgens uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek op 12 november 2015.
2.7.
Op 8 december 2015 heeft COA, in de persoon van [z] ( [functie] , hierna te noemen [z] ), een tweede sollicitatiegesprek met [eiseres] gevoerd. Aan het eind van het gesprek deelt [eiseres] [z] mee dat zij zwanger is.
2.8.
Op 9 december 2015 informeert [z] per e-mail bij [functie] [W] (hierna: [W] ) wat haar ervaring was met [eiseres] . Het antwoord van [W] daarop was:
“Ze functioneerde onvoldoende en ben met haar gestopt.”
2.9.
Vervolgens heeft op 14 december 2015 een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [z] en [eiseres] . Daaruit werd duidelijk dat [eiseres] niet zou worden aangenomen voor de functie van Casemanager. [eiseres] heeft het telefoongesprek opgenomen. In dat telefoongesprek is onder meer het navolgende gezegd:
“En eh toen vertelde jij mij inderdaad over je zwanger zijn en ik dacht van oh wat moet ik daar nou mee en heb ik even in overleg (?) gesproken, over euh wat dat betekent want euh voor een zwangerschap ben je vier maanden uit de running.” ( [z] )
(…)
“Dat betekent dat ik je als ik je inwerk, laat inwerken, want ik dacht laat haar inwerken maar vier maanden is lang en dan vergeet je alles weer. En eh dus ik vond het niet handig.” ( [z] )
(…)
“En… dus… Ik had zoiets van nou ja dat is gewoon effe niet handig om te doen. Euh ik wil het zo even (?) zo van nou zodra je bevallen bent en alles is goed gegaan – want je weet ook niet hoe dat gaat, gewoon als alles goed gaat dat je daarna weer contact met mij opneemt. Want je bent wel zover gekomen en ik dacht van nou ok prima maar ehm het is gewoon niet handig om nu in te werken. Want je krijgt echt heel veel informatie en dat is gewoon niet handig.” ( [z] )
(…)
“Dus ehh los van jouw zwangerschap euh want dat vind ik gewoon nog eventjes het probleem maar het is gewoon eh ja dat is gewoon zonde. Dat moet ik gewoon niet doen. Ehh dus ik dacht van nou als jij tegen de tijd dat jij bevallen bent en alles goed is dan neem je weer contact met mij op. Dat is wat ik je eh.. Als je dan nog steeds interesse hebt.” ( [z] )
(…)
“Ja ja nee ik snap nee maar ik zat heel even met het gevoel van goh als ik nu niet zwanger was geweest dan had ik gewoon kunnen beginnen.” ( [eiseres] )
“Ja, ja maar ja weet je.” ( [z] )
(…)
2.10.
Na de bevalling neemt [eiseres] in juni 2016 contact met [z] op. Bij e-mail van 12 augustus 2016 geeft [z] kort samengevat aan dat er op dat moment geen plaats is voor [eiseres] binnen COA en dat er sprake was van een personeelsstop.
2.11.
Vervolgens heeft [eiseres] een klacht ingediend bij het College voor de Rechten voor de Mens. In haar beslissing van 27 maart 2017 komt het College voor de Rechten van de Mens tot het oordeel dat het COA jegens [eiseres] verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht.
3 Vordering
3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht te verklaren dat COA onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] ;
2. veroordeling van COA om aan [eiseres] te betalen de door [eiseres] geleden immateriële schade, in totaal een bedrag van € 82.783,36 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;
3. veroordeling van COA tot betaling van de door [eiseres] geleden immateriële schade, in totaal een bedrag van € 15.000,00, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;
4. veroordeling van COA tot betaling van een bedrag aan [eiseres] van € 1.752,83 conform Rapport BGK-Integraal 2013, als door [eiseres] gemaakte buitengerechtelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en/of ter verhaal van haar vorderingen, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding;
5. veroordeling van COA in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten.
3.2.
[eiseres] legt aan deze vordering, naast voormelde feiten, het navolgende ten grondslag. COA heeft een verboden onderscheid gemaakt op grond van geslacht c.q. in strijd gehandeld met de wet, waardoor COA jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld op basis waarvan COA verplicht is de schade te vergoeden die [eiseres] als gevolg daarvan heeft geleden en nog lijdt. [eiseres] doet een beroep op de omkering van de bewijslast, zoals opgenomen in (onder meer) artikel 10 AWGB en artikel 7:646 lid 8 BW. De afwijzing door COA c.q. het niet aangaan van een arbeidsverhouding met [eiseres] met ingang van 1 januari 2016 houdt verband met het feit dat [eiseres] tijdens het tweede sollicitatiegesprek vertelde dat zij zwanger was.
3.3.
[eiseres] vordert vergoeding van materiële schade op grond van artikel 6:97 BW. [eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van € 82.783,36 bruto, bestaande uit twee jaarsalarissen (€ 77.480,06), gemiste pensioenpremies (€ 3.175,01) en een transitievergoeding (€ 2.128,29).
3.4.
[eiseres] vordert vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 BW. Het recht op gelijke behandeling is een fundamenteel recht, waarvan aantasting ook dient te worden aangemerkt als een aantasting in de persoon die erkenning verdient in de vorm van schadevergoeding. [eiseres] stelt deze schade vast op € 15.000,00.
3.5.
Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW maakt [eiseres] aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 1.752,83 en op grond van artikel 6:119 BW maakt zij aanspraak op vergoeding van wettelijke rente.
5 Beoordeling
Onrechtmatig handelen van COA
5.1.
De vraag die allereerst beantwoord dient te worden, is of COA jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door geen dienstbetrekking met [eiseres] aan te gaan vanwege haar zwangerschap, zoals [eiseres] stelt maar COA betwist.
5.2.
Uit de hiervoor weergegeven feiten, en dan met name de weergave van het door [eiseres] opgenomen gesprek op 14 december 2015, volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat COA direct onderscheid heeft gemaakt doordat zij geen arbeidsovereenkomst met [eiseres] heeft willen sluiten vanwege de zwangerschap van [eiseres] , hetgeen verboden is onder de AWGB. [eiseres] heeft voorts ter zitting het verloop van het sollicitatiegesprek op 8 december 2015 beschreven, en daarbij – onweersproken – gezegd dat mevrouw [z] haar na de mededeling van de zwangerschap daarmee feliciteerde, maar daar toen aan heeft toegevoegd: “Dit maakt de zaak wel anders”. In combinatie met hetgeen tijdens het (opgenomen) telefoongesprek van 14 december 2015 is gezegd, rechtvaardigt dit de gevolgtrekking dat [eiseres] inderdaad vanwege de mededeling dat zij zwanger was een dienstbetrekking is geweigerd. Aldus heeft COA toerekenbaar onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld en dient COA de door [eiseres] dientengevolge geleden schade te vergoeden.
5.3.
Uit het feit dat COA ná het tweede gesprek een interne e-mail heeft gestuurd in verband met twijfel over de geschiktheid en het opleidingsniveau van [eiseres] volgt, anders dan COA meent, niet dat er om die reden geen arbeidsovereenkomst is aangeboden. [eiseres] heeft aangevoerd dat het sollicitatiegesprek zeer voorspoedig verliep, en dat dit door [z] na afloop ook met zoveel woorden werd bevestigd, en dat [z] aan [eiseres] een dienstverband wilde aanbieden. Wat er van dat laatste ook zij, uitgaande van de niet weersproken stelling dat het gesprek voorspoedig voor [eiseres] was verlopen en de door [z] gemaakte opmerking “Dat maakt het wel anders” leidt de kantonrechter af dat [eiseres] aan het einde van het gesprek als kandidaat geschikt werd geacht. Het kan zijn dat in het gesprek over (onder meer) het opleidingsniveau van [eiseres] is gesproken, zoals COA heeft aangevoerd, maar uit de hiervoor geciteerde opmerking kan worden afgeleid dat eventuele twijfel over de geschiktheid van [eiseres] aan het einde van het gesprek was weggenomen. Indien dat niet zo zou zijn, is immers niet te verklaren wat de zwangerschap dan “anders” zou maken. Dat [eiseres] in beginsel geschikt werd geacht voor de besproken vacature volgt voorts uit het feit dat haar naderhand, nadat het conflict over de afwijzing was gereden, alsnog een dienstbetrekking is aangeboden. Het moge zijn dat dat in het kader van een schikking is gedaan, maar dat het COA dienstbetrekkingen aanbiedt aan personen die zij daarvoor ongeschikt acht, is naar het oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk te achten.
Op grond van het voorgaande wordt het verweer van het COA dat [eiseres] de dienstbetrekking is geweigerd vanwege haar ongeschiktheid, verworpen.
5.4.
De vraag is vervolgens welke schade voor [eiseres] het gevolg is te achten van het feit dat haar vanwege haar zwangerschap geen dienstbetrekking is aangeboden. [eiseres] heeft de gestelde schade opgedeeld in drie componenten die de kantonrechter hierna afzonderlijk zal bespreken. De kantonrechter zal de schade dienen te begroten, aangezien bij de bepaling van de hoogte van de schade dient te worden uitgegaan van een aantal veronderstellingen, zoals de te verwachten duur van het dienstverband, indien dat [eiseres] (wel) zou zijn aangeboden.
5.5.
[eiseres] vordert een bedrag van € 77.480,06 wegens materiële schade. Bij de berekening van dit bedrag heeft [eiseres] tot uitgangspunt genomen dat, indien haar sollicitatie had geleid tot een arbeidsovereenkomst, deze volgens toezegging door COA (ten minste) twee jaar zou hebben geduurd, met ingang van 1 januari 2016. De kantonrechter volgt [eiseres] niet in die stelling. Een dergelijke toezegging is door COA weersproken en blijkt ook niet uit de stukken. Concreet bewijs heeft [eiseres] op dit punt niet aangeboden.
5.6.
COA heeft aangevoerd dat [eiseres] bij een eventuele directe indiensttreding een arbeidsovereenkomst voor zes maanden zou zijn gegeven, die na ommekomst van die periode hoogstwaarschijnlijk niet zou worden voortgezet vanwege krimp en de sluiting van locaties. Vanwege het feit dat de opleiding tot Casemanager, zijnde de functie waarop [eiseres] had gesolliciteerd, volgens de stellingen van COA ongeveer een half jaar duurt, acht de kantonrechter een arbeidsduur van een half jaar desondanks niet aannemelijk. Dat zou immers betekenen dat het dienstverband even lang zou duren als de opleiding en dat COA van [eiseres] als inzetbare werknemer geen profijt meer zou hebben gehad, zoals door [eiseres] ook is aangevoerd. Een dienstverband van een jaar acht de kantonrechter onder de gegeven omstandigheden wel aannemelijk, omdat COA gemotiveerd heeft onderbouwd dat de asielverzoeken in die tijd in aantal terugliepen, althans fluctueerden, zodat ook niet ondenkbaar is dat het dienstverband om die reden na een jaar niet zou zijn verlengd. De kantonrechter zal bij de berekening van het schadebedrag dan ook uitgaan van een initieel dienstverband van één jaar. Het verweer dat [eiseres] mogelijk eerst via een uitzendbureau te werk zou worden gesteld wordt verworpen. Uit de door [eiseres] overgelegde productie 21 kan worden afgeleid dat Casemanagers in dienst zijn bij COA, zoals ook door [eiseres] is aangevoerd. Voor de conclusie dat het sollicitatiegesprek met mevrouw [z] ging om een dienstbetrekking bij een uitzendbureau, en dus om een tewerkstelling via een uitzendbureau, zijn in de stellingen van COA geen concrete feitelijke aanknopingspunten te vinden.
5.7.
Bij de berekening van het salaris is [eiseres] uitgegaan van een bedrag van
€ 3.224,69 bruto inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering bij een full-time dienstverband van 36 uur per week (€ 2.757,00 exclusief toeslagen). COA heeft aangevoerd dat het meer voor de hand ligt dat [eiseres] niet meer dan 32 uur per week zou gaan werken. Dat standpunt is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd door verwijzing naar productie 1 bij productie 15 bij dagvaarding. Dat betreft een interne terugkoppeling aan [z] naar aanleiding van het eerste sollicitatiegesprek op 12 november 2015, waarin staat aangegeven dat [eiseres] bij voorkeur 32 uur wil werken. De kantonrechter neemt aldus een arbeidsduur van 32 uur per week tot uitgangspunt. Dat leidt tot een bruto maandsalaris van € 2.867,19 inclusief toeslagen (€ 2.450,66 exclusief toeslagen). Bij een dienstverband van een jaar zou [eiseres] aldus een bedrag van (€ 2.867,19 x 12 =)
€ 34.406,28 aan salaris hebben ontvangen.
5.8.
Tegen de door [eiseres] gevolgde berekening is, anders dan tegen het daarin gehanteerde salaris, door COA geen verweer gevoerd zodat de kantonrechter bij die wijze van berekenen aansluit. Uitgaande van het voorgaande bedraagt het gemiste bedrag aan werkgeversdeel pensioenpremie het volgende:
(( € 2.450,66 x 8 % x 0,83 % x 12) minus AOW-franchise € 11.675) vermeerderd met premie 23,5 % x ½ (werkgeverspremiedeel) = € 2.670,93. (De kantonrechter merkt in dit verband voor de goede orde op dat de dagvaarding een onjuiste weergave van de AOW franchise bevat).
5.9.
Op grond van artikel 7:673 BW is een werkgever een transitievergoeding aan een werknemer verschuldigd wanneer het dienstverband ten minste twee jaar heeft geduurd. Nu de kantonrechter uit gaat van een dienstverband van een jaar, bestaat geen grondslag voor toekenning van schade aan [eiseres] ter hoogte van de transitievergoeding.
5.10.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat wegens materiële schade een bedrag van € 37.077,21 bruto toewijsbaar is. Aangezien het een schadevergoeding betreft, is het aan [eiseres] uit keren netto bedrag gelijk aan het hiervoor genoemde bruto bedrag.
5.11.
De immateriële schade die [eiseres] , naar zij stelt, als gevolg van het handelen van COA heeft geleden bedraagt volgens [eiseres] een bedrag van € 15.000,00. [eiseres] onderbouwt die schade door te stellen dat zij last heeft gehad van slapeloze nachten, stress, het gevoel onrechtvaardig behandeld te zijn, stress-gerelateerde klachten zoals hoofdpijn, structurele financiële onzekerheid voor het gezin, het mislopen van loopbaanontwikkeling, opleidingen/trainingen en zelfontplooiing bij COA, negatieve impact op dagelijks welbevinden c.q. persoonlijk geluk door gevoelens van (onder meer) teleurstelling en onzekerheid en verlies van vertrouwen.
5.12.
COA heeft in dat kader naar het oordeel van de kantonrechter terecht aangevoerd dat een onderbouwing van deze psychische schade ontbreekt. De door [eiseres] gestelde klachten laten zich samenvatten als een sterk psychisch onbehagen en een “gekwetst gevoel”. Hoewel dat op zichzelf begrijpelijk is, is het naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van geestelijk letsel en de klachten vallen daarom niet onder het in artikel 6:106 BW omschreven criterium ‘aantasting in de persoon’. Dit onderdeel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
Buitengerechtelijke kosten, wettelijke rente en proceskosten
5.13.
De buitengerechtelijke kosten zullen als niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen. Datzelfde geldt voor de wettelijke rente.
5.14.
COA zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De gevorderde nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden begroot.
6 Beslissing
6.1.
verklaart voor recht dat COA onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] ;
6.2.
veroordeelt COA om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 37.077,21 ten titel van schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
6.3.
veroordeelt COA om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 1.752,83 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
6.4.
veroordeelt COA in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 1.374,01 waarvan € 800,00 als het aan de gemachtigde van [eiseres] toekomende salaris en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis moet zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
6.5.
veroordeelt COA tot betaling van € 100,00 aan na-salaris, voor zover [eiseres] daadwerkelijk na-kosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag der voldoening, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening;
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door Mr O. van der Burg, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2019.