Overwegingen
1. Eisers zijn in het bezit van de Syrische nationaliteit. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1994. De kinderen van eiseres zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 2] 2014 en [geboortedatum 3] 2015.
2. Verweerder heeft de aanvraag van eisers niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat eisers internationale bescherming genieten in Griekenland.
3. Eisers voeren aan dat hun terugkeer naar Griekenland zal leiden tot een situatie die in strijd is met de artikelen 1 en 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Eisers zullen bij terugkeer naar Griekenland namelijk in een situatie van materiële deprivatie belanden1. Op de door eisers ter onderbouwing van dit standpunt aangehaalde landeninformatie is verweerder niet ingegaan. Het betreft dezelfde informatie die heeft geleid tot de uitspraken van de hoogste rechter in dit soort zaken2. Volgens eisers beoordeelt verweerder zijn standpunt dat eisers bij terugkeer niet in een situatie van materiële deprivatie belanden naar de stand van zaken in de periode november 2018 tot maart 2019, terwijl verweerder dit moet beoordelen naar de huidige stand van zaken. Eisers stellen verder dat zij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevinden omdat zij een gezin zijn bestaande uit een alleenstaande moeder met minderjarige kinderen. Verder is de (ex)man van eiseres in Griekenland. Hij is gewelddadig en vindt eiseres en de kinderen te verwesterd. Hij wil hen tegen hun zin mee terug nemen naar Syrië. Eiseres heeft ook aangegeven psychische problemen te ondervinden door het gewelddadige huwelijk en de gebeurtenissen die zij in Syrië heeft meegemaakt. Dit maakt eisers eens temeer bijzonder kwetsbaar. In combinatie met de landeninformatie over het lot van statushouders in Griekenland, maakt dit dat wel degelijk is onderbouwd dat er belemmeringen zijn voor de onmiddellijke terugkeer naar Griekenland. Verder stellen eisers dat hun terugkeer naar Griekenland strijd oplevert met artikel 24, tweede lid, van het Handvest, omdat de minderjarige kinderen van eiseres schoolgaand zijn en uit de landeninformatie blijkt dat Giekenland nog steeds niet slaagt in het nakomen van de leerplicht voor minderjarigen. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van het kind.
Ter zitting hebben eisers nog aangevoerd dat alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die ernstige vormen van psychisch of fysiek geweld hebben meegemaakt, gelet op de definitie hiervan in de Terugkeerrichtlijn, kwetsbare personen zijn3. Verweerder moet hier volgens eisers aansluiting bij zoeken.
4. De rechtbank stelt vast dat de hoogste rechter in haar uitspraken van 15 juli 2019 heeft geoordeeld dat hoewel uit de aangehaalde landeninformatie niet blijkt dat de situatie voor statushouders in Griekenland is verbeterd, ook geen sprake is van een wezenlijke verslechtering ten opzichte van de situatie zoals beoordeeld in haar eerdere uitspraak van 30 mei 20184. In die uitspraak heeft de hoogste rechter geconcludeerd dat verweerder ten aanzien van terugkerende statushouders naar Griekenland in het algemeen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit wordt op zichzelf bezien ook niet door eisers bestreden.
De hoogste rechter heeft in haar uitspraken van 15 juli 2019 echter ook geoordeeld dat bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar Griekenland, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het arrest Ibrahim. Als sprake is van bijzonder kwetsbare statushouders moet verweerder volgens de hoogste rechter, in het licht van met name punt 93 van het arrest Ibrahim, nader motiveren waarom zij bij terugkeer naar Griekenland niet, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, die voldoet aan de in het arrest Ibrahim, genoemde criteria5.
5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eisers niet als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Ibrahim kunnen worden aangemerkt. Ter zitting is door verweerder toegelicht dat het enkele gegeven dat eiseres een alleenstaande vrouw met twee minderjarige kinderen is, onvoldoende is voor die conclusie. De situatie van eisers wijkt volgens verweerder verder af van de situaties die voorlagen in de eerder genoemde uitspraken van de hoogste rechter. In de zaak ECLI:NL:RVS:2019:2384 was sprake van ernstige medische problematiek en in de zaak ECLI:NL:RVS:2019:2385 was sprake van een tweeoudergezin met een pasgeborene. Verder was in laatstgenoemde zaak in het besluit niet op de bijzondere kwetsbaarheid ingegaan. Dat is in het bestreden besluit wel gebeurd, aldus verweerder.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het geval van eisers ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. De rechtbank weegt daarbij met name mee dat sprake is van een alleenstaande ouder met zeer jonge kinderen, die zich nog in de basisschoolleeftijd bevinden.
Verweerder moet daarom nader motiveren waarom eisers bij terugkeer naar Griekenland niet, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie.
7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond en de overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, ziet zij aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 1.024,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van
mr. D.D. van Loopik, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 20 augustus 2019.