Afwijzing wrakingsverzoek.
Het betreft een octrooizaak in het VRO-regime. Verzoeker vindt de rechters vooringenomen omdat zij de verzoeken om (1) de zaak uit het VRO-regime te verwijderen, (2) de pleittijd te verlengen en (3) de stukken van MSD te weigeren, (vooralsnog) hebben afgewezen.
Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn al deze beslissingen procedurele beslissingen. Wat betreft de derde beslissing geldt dat ook de beslissing tot het niet nemen van een definitieve beslissing (ten aanzien van het al dan niet weigeren van de aktes met producties van MSD) is aan te merken als een procedurele beslissing.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Zelfs al zou de rechtbank de verzoeken ten onrechte hebben afgewezen, levert dat nog geen grond voor wraking op. Dit is uitsluitend anders, indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
Hetgeen verzoeker in dit verband in zijn wrakingsverzoek heeft gesteld, levert geen aanwijzingen op die tot dat oordeel zouden moeten leiden. Uit de beslissing van 29 juli 2020 blijkt dat er afwegingen zijn gemaakt, die tot gemotiveerde beslissingen hebben geleid. Die motivering is niet onbegrijpelijk en dus ook niet zozeer onbegrijpelijk dat daaruit de vooringenomenheid van de rechters blijkt. Dit wordt niet anders in het licht van de eerdere rolbeslissing van 22 juni 2020.
Verzoeker heeft aangevoerd dat er in twee eerdere zaken is besloten de zaak wel uit het VRO-regime te halen, dan wel partijen in overweging is gegeven te komen tot een alternatieve oplossing. Het (enkele) feit dat er in twee eerdere octrooizaken waarop het VRO-regime van toepassing was, anders is beslist dan de rechters in deze zaak hebben gedaan, leidt niet tot de conclusie dat de motivering van de beslissingen van de rechters volgens het hiervoor verwoorde toetsingscriterium niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van deze rechters. De beslissingen van de rechters zijn in deze zaak, in de gegeven omstandigheden, genomen. De rechtbank heeft daarbij wat betreft de derde beslissing bovendien aangegeven pas definitieve beslissingen te zullen nemen na grondige kennisname van het dossier. Deze procedurele gang van zaken is overigens in VRO-procedures niet ongebruikelijk en daaruit blijkt geen vooringenomenheid.
Ook uit de overige door verzoeker naar voren gebrachte omstandigheden, die los staan van de motivering van de procedurele beslissingen, zoals het verzoek om het juiste dossiernummer te vermelden in correspondentie en voor e-mail gebruik te maken van Zivver, kan niet de (schijn) van vooringenomenheid van de rechters worden gezien.
Verzoeker heeft tot slot aangevoerd dat de woordkeuze ‘monopolist’ in plaats van octrooihouder in de reactie op het wrakingsverzoek de vooringenomenheid van de rechters bevestigt. Kennelijk heeft het woord monopolist voor verzoeker een negatieve lading. Dat neemt niet weg dat een octrooihouder feitelijk een monopolist is en alleen al hierom in die woordkeuze - die overigens niet in de beslissing stond die grond vormde voor wraking - geen bevestiging kan worden gelezen van de aangevoerde vooringenomenheid van de rechters.
De rechtbank is van oordeel dat uit de aangevoerde omstandigheden geen (schijn van) vooringenomenheid kan worden afgeleid. Het wrakingsverzoek wordt dan ook afgewezen.