Procesverloop
Op 6 september 2019 heeft verzoeker een verzoek ingediend om opheffing van de ongewenstverklaring.
Bij besluit van 29 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 29 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 20/1174. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat hij naar Nederland mag reizen om de behandeling van het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring af te wachten, dan wel te bepalen dat hij de zitting mag bijwonen en tot tenminste vier weken na de uitspraak in Nederland te mogen verblijven.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij kennelijk onbevoegd is, of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder zitting. De voorzieningenrechter zal in dit geval van die bevoegdheid gebruik maken.
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker de Belgische nationaliteit heeft en in Duitsland verblijft. Omdat de Nederlandse autoriteiten menen dat verzoeker in Afghanistan betrokken is geweest bij oorlogsmisdrijven, is aan eiser artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen. Verzoeker is ongewenst verklaard. Zo lang die ongewenstverklaring voortduurt, mag verzoeker niet in Nederland verblijven. Verzoeker heeft gemotiveerd om opheffing van de ongewenstverklaring verzocht. Verweerder heeft dit geweigerd. Of verweerder het verzoek om opheffing mocht weigeren, zal de meervoudige kamer van deze rechtbank toetsen in de beroepszaak die samenhangt met deze procedure. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent deze voorlopige voorzieningenprocedure zich niet voor een voorlopig oordeel over de kans van slagen van dat beroep.
4. Verzoeker heeft in deze procedure, kort gezegd, aangevoerd dat hij de zitting in die beroepsprocedure in Nederland wil bijwonen omdat hij het recht heeft om te worden gehoord. Hij wil de rechtbank persoonlijk vertellen over zijn situatie. Verweerder heeft nagelaten om hem in bezwaar te horen. Ook heeft verweerder hem niet gehoord in het administratief beroep tegen de toegangsweigering. Verzoeker moet alsnog de mogelijkheid krijgen om mondeling zijn standpunt naar voren te brengen door de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit verzoek als een verzoek om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring moet worden aangemerkt. In de uitspraak van 19 november 2019 (AWB 19/6514, AWB 19/8402 en AWB 19/8471) heeft de voorzieningenrechter al geoordeeld dat er geen zwaarwegende omstandigheden zijn die een tijdelijke opheffing van verzoekers ongewenstverklaring rechtvaardigen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter gewicht toegekend aan het feit dat aan verzoeker op 9 augustus 2019 de toegang tot Nederland is geweigerd op Schiphol. Of verweerder die toegang mocht weigeren, zal ook door de meervoudige kamer van deze rechtbank worden getoetst. Toewijzing van het verzoek betekent dat verzoeker Nederland mag inreizen. Er is dan geen sprake meer van een voorlopig karakter. De voorzieningenrechter heeft in die uitspraak geconcludeerd dat niet is gebleken van bijzondere individuele belangen die zwaarder wegen dan het belang van een effectieve grensbewaking. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker nu heeft aangevoerd geen grond om tot een andere conclusie te komen voor de periode voor en na de zitting. Daarom zal het verzoek om verzoeker toe te staan hangende de procedure voorafgaand aan de zitting en na de zitting tot ten minste vier weken na de uitspraak in Nederland te verblijven worden afgewezen. Voor wat betreft het bijwonen van de zitting zelf overweegt de voorzieningenrechter dat de behandeling van de zaken door de meervoudige kamer gepland staat op 9 juni 2020. Door de coronacrisis zal een zitting in beginsel via een telefonische (beeld)verbinding plaatsvinden en niet in een zittingszaal. Dit betekent dat verzoeker op afstand de zitting kan bijwonen, zonder hiervoor naar Nederland te hoeven reizen. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen voor zover het verzoek ziet op het bijwonen van de zitting.
6. Het verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.D.A. van Veghel, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op: