Overwegingen
1. Eiser 1 en eiseres 1 zijn met elkaar getrouwd. Eiser 2 en eiseres 2 zijn hun kinderen. Zij allen hebben de Iraanse nationaliteit, en hun geboortedata zijn respectievelijk [geboortedatum] . Eisers hebben op 14 november 2018 asiel aangevraagd in Nederland. Eisers hebben asiel aangevraagd vanwege de problemen van eiser 1 (hierna: eiser). Eiser heeft het volgende verklaard. Hij is [getal] jaar werkzaam geweest als onderdirecteur van een bibliotheek in Teheran. Naar aanleiding van het project ‘[naam project]’ is eiser aangesteld als technisch leidinggevende. Zijn collega, [naam] , was werkzaam bij de afdeling Financiën en is achter verduistering (fraude) gekomen door de autoriteiten. Eiser verklaart het land te hebben verlaten, omdat hij vreest voor zijn leven. Hij is getuige geweest van een woordenwisseling tussen zijn collega [naam] en één van zijn leidinggevenden, [naam] , op [datum]. [naam] heeft tijdens dit gesprek gezegd dat hij en eiser op de hoogte zijn van de fraude bij het bouwproject. Na deze verklaring heeft eiser schoten gehoord. Eiser is naar aanleiding hiervan met zijn gezin gaan onderduiken. Op 8 november 2018 heeft eiser met zijn gezin Iran verlaten met een Nederlands visum.
2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het relaas over de geconstateerde fraude en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig is. Ten eerste wordt opgemerkt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn laatste werkdag. Ten tweede heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat ontslag logisch is nadat je één maand niet op je werk bent verschenen. Verder baseert eiser zich op verklaringen van derden en wordt van eiser verwacht dat hij meer informatie bij hen inwint. Ook valt niet in te zien dat eiser niet op de hoogte is van de reden van zijn ontslag, aangezien de ontslagbrief openlijk op zijn bureau was neergelegd. Ten derde valt niet in te zien dat eiser tijdens zijn schriftelijk gehoor niets heeft verklaard over het overlijden van [naam] . Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat [naam] tijdens de woordenwisseling is doodgeschoten. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het algemeen bekend is dat ambtenaren binnen het Iraanse regime gewapend zijn. Ten vierde wordt ten aanzien van de harddisk overwogen dat het bevreemdingwekkend is om deze op kantoor te laten liggen. Ten vijfde is de gestelde fraude gebaseerd op vermoedens. Daar komt bij dat niet is gebleken dat eiser ooit zelf is benaderd door de Iraanse autoriteiten. Niet aannemelijk is geworden dat er na zijn vertrek uit Iran een inval in zijn woning heeft plaatsgevonden. Bovendien brengt eiser dit pas in het nader gehoor naar voren, terwijl in het schriftelijk gehoor ook is gevraagd naar de reden van zijn asielaanvraag. Ten slotte is het onevenredig toevallig dat eiser een visumaanvraag voor Nederland heeft gedaan. De verklaring dat zijn vrouw een toeristische vakantie nodig had in verband met psychische vermoeidheid is niet afdoende. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Iran geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.1 De asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.2
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser begrepen dat werd gevraagd naar de ontslagdatum in plaats van zijn laatste werkdag. De éérste mogelijkheid om dit herstellen was bij vraag vier van het schriftelijk gehoor. Daarnaast heeft eiser een foto van zijn ontslagbrief kunnen bemachtigen. In beroep zijn een kopie en vertaling hiervan overgelegd. Met betrekking tot [naam] heeft eiser een foto van de rouwadvertentie en het graf overgelegd. Hieruit blijkt dat [naam] drie dagen na het schietincident is overleden. Daarnaast wijst eiser op twee online-artikelen (via weblinks) waaruit blijkt dat [naam] nog leeft. Hiermee is aannemelijk gemaakt dat [naam] is overleden en niet [naam] . Dat eiser pas tijdens het nader gehoor, na een specifieke vraag, verklaart dat [naam] is overleden, is te wijten aan de vorm ‘schriftelijk horen’. Eiser was bij het schriftelijk gehoor in de veronderstelling dat hij moest verklaren over wat er tot het moment van vertrek uit zijn land was gebeurd. Verder is eiser van mening dat belangrijke ambtenaren logischerwijs een wapen dragen en hij verwijst hiervoor naar twee weblinks. Ten aanzien van de harddisk stelt eiser dat bewaren op het werk de meest veilige optie was. Voor wat betreft de fraude heeft verweerder in het bestreden besluit niet gereageerd op eisers uitleg in de zienswijze. Ten slotte heeft eiser een visum aangevraagd in verband met de psychische vermoeidheid van zijn vrouw. Dit kwam voort uit het overlijden van haar vader en de geconstateerde kanker bij haar zus. In beroep zijn foto’s overgelegd van vaders rouwsteen en het medisch rapport van de zus. Eiser concludeert dat het asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig is geacht.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank onderzoekt ambtshalve of de asielprocedure van een vreemdeling terecht is afgedaan in de Algemene Asielprocedure (AA-procedure) of de Verlengde Asielprocedure (VA-procedure). De reden hiervoor is dat dit onderscheid bepalend is voor de termijn waarbinnen (hoger) beroep kan worden ingesteld en de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen.3 In artikel 3.110, eerste lid, van het Vb4 is voorgeschreven dat de AA-procedure maximaal acht dagen duurt, te rekenen vanaf de dag van aanvang van de procedure (het vijfde lid). Uit het derde lid van deze bepaling volgt dat de dagen gedurende het weekend en erkende feestdagen niet meetellen. Op grond van artikel 3.112 van het Vb start de AA-procedure met een eerste gehoor (dag één). Op grond van artikel 3.115, eerste en tweede lid, van het Vb kan verweerder in de in het eerste lid genoemde gevallen de termijn verlengen, mits de vreemdeling daarvan schriftelijk in kennis wordt gesteld.
5. Uit de bestreden besluiten blijkt dat de asielaanvragen zijn afgedaan in de AA-procedure. De rechtbank stelt vast dat geen eerste gehoor heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft eisers uitgenodigd om op vrijwillige basis deel te nemen aan een ‘schriftelijk gehoor’ voorafgaand aan het nader gehoor. Het schriftelijk gehoor houdt in dat de vreemdeling een vragenlijst over de asielmotieven schriftelijk beantwoordt. Omdat een eerste gehoor juist niet gaat over de asielmotieven van de vreemdeling,5 kan dit niet op één lijn worden gesteld met een schriftelijk gehoor. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat deze werkwijze projectmatig wordt ingezet om achterstanden bij de afdoening van asielaanvragen weg te werken. Verweerder heeft echter niet kunnen uitleggen wanneer bij deze werkwijze de AA-procedure start en welke stap dus als dag één is aan te merken. Verweerder wijst op de uitnodigingen van eisers voor het nader gehoor waarin staat vermeld: “Nu u eerder de schriftelijke procedure heeft doorlopen, start de Algemene Asielprocedure op dag 3.”
6. De rechtbank stelt vast dat indien de tekst van deze uitnodigingen wordt gevolgd de AA-procedure tijdig is afgerond. Het nader gehoor heeft plaatsgevonden op 10 december 2020 (dag drie) en het besluit is van 16 december 2020 (dag zeven). Dat neemt niet weg dat er geen moment als dag één van de AA-procedure is aan te merken. Uit artikel 3.110, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3.112, eerste lid, van het Vb volgt dat de AA procedure bestaat uit maximaal acht dagen en start met het eerste gehoor op dag één. Noch in de bestreden besluiten, noch ter zitting heeft verweerder gemotiveerd wat de wettelijke grondslag is van de in dit geval toegepaste werkwijze. Ter zitting heeft verweerder gewezen op de Kamerbrieven van 3 maart en 9 april 2020.6 Uit deze brieven blijkt dat verweerder te kampen heeft met achterstanden en maatregelen onderzoekt om deze weg te nemen, hiervan is het schriftelijk horen één. Uit deze brieven wordt niet duidelijk hoe het schriftelijk horen past in de AA-procedure, of op welke grondslag kan worden afgeweken van een algemeen verbindend voorschrift (het Vb). Gezien verweerders gehanteerde werkwijze zou de dag waarop de vertaling van het schriftelijk gehoor bekend wordt gemaakt aan eisers kunnen gelden als dag één van de AA-procedure. In dat geval is de termijn gaan lopen vanaf 25 november 2020, wat ertoe leidt dat de AA-procedure niet binnen acht dagen is afgerond. Niet is gebleken dat verweerder de termijn schriftelijk heeft verlengd.
7. De slotsom is dat verweerder niet binnen de termijn die geldt voor de AA-procedure op de asielaanvragen van eisers heeft beslist. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank 23 weken heeft om uitspraak te doen7 en dat binnen vier weken hoger beroep kan worden ingesteld tegen deze uitspraak.8
8. Eiser voert aan dat het schriftelijk gehoor is bedoeld als startpunt van zijn asielrelaas. Hij was dan ook in de veronderstelling dat hij diende te verklaren over de gebeurtenissen voor zijn vertrek uit Iran. Tijdens het nader gehoor kan de schriftelijke verklaring verder worden uitgediept en kunnen vragen worden gesteld om onduidelijkheden weg te nemen. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat verweerder niet mag tegenwerpen dat eiser pas bij het nader gehoor heeft verklaard dat [naam] is overleden. Een schriftelijk gehoor brengt de beperking met zich dat er geen hoormedewerker is die kan doorvragen bij summiere of onduidelijke antwoorden. Nu hier pas bij het nader gehoor de eerste mogelijkheid voor is, kan verweerder niet tegenwerpen dat eiser bij zijn schriftelijk gehoor onvoldoende heeft verklaard. De tegenwerping dat eiser bepaalde punten pas bij het nader gehoor heeft verklaard, kan dan ook geen doel treffen. Ter zitting heeft eisers gemachtigde een beroep gedaan op artikel 14 van de Procedurerichtlijn9 en het arrest Addis.10 Dit kan eiser echter niet baten, omdat in zijn geval wel een persoonlijk onderhoud is gevoerd in de vorm van een nader gehoor.
Geloofwaardigheid asielrelaas
9. In het bestreden besluit is tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn laatste werkdag. De rechtbank is van oordeel dat de uitleg die eiser heeft gegeven voor het verschil in reactie op de vraag wanneer zijn laatste werkdag was, niet onaannemelijk is. In vraag vier van het schriftelijk gehoor11 wordt aan eiser gevraagd of er verkeerde informatie over hem bekend is bij verweerder. Dit was de eerste mogelijkheid voor eiser om uit te leggen dat hij de vraag van tolk verkeerd heeft begrepen. Eiser heeft noch bij het schriftelijk gehoor, noch tijdens het nader gehoor vaag of tegenstrijdig verklaard over zijn laatste werkdag. In beroep heeft eiser een vertaalde kopie van zijn ontslagbrief overgelegd. In de brief staat dat eiser is ontslagen op [datum], de reden voor zijn ontslag staat daarin niet vermeld. Dit bevestigt eisers verhaal dat hij op die datum is ontslagen. Verweerder heeft ten onrechte tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard. Ook de tegenwerping dat eiser door de ontslagbrief op de hoogte moest zijn van de reden voor ontslag treft, gelet op de tekst van deze brief, geen doel.
10. Met betrekking tot de dood van [naam] is van belang wat onder rechtsoverweging 8 is overwogen. Door de methodiek van het schriftelijk gehoor heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser pas tijdens het nader gehoor expliciet verklaart dat [naam] is overleden. Daarbij komt dat hij in het schriftelijk gehoor al wel heeft verklaard: “ik had vaker gehoord dat er met klokkenluiders wordt afgerekend, ik wil geen lotgenoot van [naam] worden.”12Daarnaast heeft eiser in beroep een aantal stukken overgelegd die ook bij de beoordeling moeten worden betrokken. Uit de tekst op de grafsteen blijkt dat [naam] op [datum] is overleden, dit is drie dagen na het gestelde schietincident. Eiser heeft ook gewezen op twee weblinks waaruit blijkt dat [naam] nog in leven is. Met twee andere weblinks heeft eiser erop gewezen dat Iraanse ambtenaren, met een vergunning, een wapen mogen dragen. Dit allemaal samen maakt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam] is overleden. Dat [naam] drie dagen na het incident is overleden doet niet af aan de geloofwaardigheid.
11. Eiser voert aan dat het de veiligste optie was om de harddisk op zijn werk te bewaren. Ook in het licht van eisers asielrelaas is het een plausibele verklaring dat hij het bewijs wilde bewaren, maar dat hij geen verdenking op zichzelf wilde vestigen en geen andere mensen in gevaar wilde brengen door de harddisk in zijn huis te bewaren. Verweerder heeft in zijn bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat de verklaring bevreemdingwekkend is.
12. Voor wat verweerder over de gestelde fraude heeft overwogen wijst de rechtbank wederom op rechtsoverweging 8. Vanwege de methodiek van het schriftelijk horen kon verweerder niet in redelijkheid tegenwerpen dat eiser pas tijdens het nader gehoor verklaarde over de inval in zijn woning. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de fraude is gebaseerd op vermoedens en heeft eiser de verklaring niet kunnen concretiseren. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat hij uitgebreid en niet tegenstrijdig heeft verklaard over de gestelde fraude. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom de fraude op grond van eisers verklaringen niet geloofwaardig kan worden geacht.
13. Tot slot volgt verweerder eiser niet in zijn stelling dat hij een visum voor vakantie naar Nederland heeft aangevraagd vanwege de psychische vermoeidheid van zijn vrouw (eiseres 1). Uit het nader gehoor van eiseres 113 en eiser 214 blijkt dat de psychische vermoeidheid voortkwam uit het overlijden van haar vader en de geconstateerde kanker bij haar zus. In beroep zijn een foto van haar vaders graf en medisch rapport van haar zus overgelegd ter onderbouwing. In het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd dat voor de visumaanvraag geldt dat sprake is van onevenredige toevalligheid.
Waardering bewijsmiddelen
14. Vooropgesteld moet worden dat het bij eisers gaat om een éérste asielaanvraag. Hierbij is van belang dat als uitgangspunt geldt: “indien de authenticiteit van documenten niet kan worden vastgesteld, dit niet ten nadele van de vreemdeling gebruikt mag worden.”15 Het kan dan ook niet in eisers nadeel werken dat hij alleen een kopie van zijn ontslagbrief heeft overgelegd, waarvan de echtheid niet kan worden vastgesteld. Verder wordt gewezen op artikel 31, zesde lid, van de Vw. Hieruit volgt dat in bepaalde situaties waarin de vreemdeling (een deel van) zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, deze verklaringen geloofwaardig worden geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen toepassing heeft gegeven aan deze bepaling.
15. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Dit heeft tot gevolg dat alle beroepen gegrond zijn. De bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het betreft namelijk een beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas en dat is de taak van verweerder. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
16. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.602 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1,5 vanwege vier samenhangende zaken).