Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBDHA:2021:7199

Rechtbank Den Haag
22-03-2021
12-07-2021
NL21.3267
Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig

Bewaring, eerste beroep. Grondslag maatregel, lichter middel. Beroep ongegrond.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.3267

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Palanciyan), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: M.M. van Duuren).

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.D. Kupelian, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Biada. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Tunesische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1989].

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht

Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet bestreden. Ter zitting heeft verweerder de gronden 4c en 4e laten vallen.

Grondslag van de maatregel

4. Eiser heeft aangevoerd dat de grondslag van de maatregel onjuist is. Eiser is eerst in een Dublinprocedure opgenomen vanwege een geaccepteerde claim van Slovenië en is na het verstrijken van deze termijn opgenomen in de Nederlandse asielprocedure.

5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat ten behoeve van eiser eerder een Dublinclaim is gelegd bij Slovenië, die is geaccepteerd. Een hierop gebaseerd besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ingetrokken op 3 maart 2021, nadat de termijn voor het effectueren van de claim was verstreken. Hierdoor herleefde de asielaanvraag van eiser. Eiser is vervolgens op 4 maart 2021 in bewaring gesteld op grond van het bepaalde in artikel 59b van de Vw. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiser op de juiste grondslag in bewaring is gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.

Minder verstrekkende maatregel

6. Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij de uitkomst van zijn asielaanvraag in een AZC kan afwachten. Het is niet duidelijk of en wanneer eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser tijdens eerdere asielaanvragen met onbekende bestemming is vertrokken zonder de beslissing op de aanvraag af te wachten, alleen de mob-melding van 4 februari 2021 is ten onrechte gedaan.

7. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een minder verstrekkende maatregel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 20151 en 10 april 20152 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 20143.

1. ECLI:NL:RVS:2015:674

2 ECLI:NL:RVS:2015:1309

3 ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder verstrekkende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet bestreden, waarmee het onttrekkingsgevaar is gegeven. De ten onrechte opgevoerde mob-melding van 4 februari 2021 is niet aan de maatregel ten grondslag gelegd, de overige meldingen zijn door eiser niet bestreden. Nu eiser onbestreden twee maal tijdens een asielprocedure met onbekende bestemming is vertrokken zonder de uitkomst van de asielprocedure af te wachten, volgt de rechtbank verweerder in haar stelling dat de uitkomst van de asielprocedure niet in een AZC kan worden afgewacht. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

22 maart 2021

en wordt openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.