De werkgever heeft de kantonrechter bij verzoekschrift, bij de griffie ingekomen op 22 juni 2022 verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. De werknemer heeft een verweerschrift ingediend.
2 De beoordeling
2.1.
De werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a juncto artikel 7:669 lid 3 sub g Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit verzoek legt de werkgever, ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding en dat herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk is. Daarbij valt zowel de werkgever als de werknemer geen verwijt te maken.
2.2.
De werknemer verzet zich tegen inwilliging van het verzoek, maar erkent dat inmiddels sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook de werknemer ziet geen mogelijkheden meer voor herplaatsing en ziet in dat geen van beide partijen een verwijt valt te maken.
2.3.
Gelet op de inhoud van het verzoek- en verweerschrift is in deze procedure aannemelijk geworden dat er geen basis meer aanwezig is voor een verdere voortzetting van de arbeidsovereenkomst en herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk moet worden geacht, waarbij geen van partijen een verwijt valt te maken. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst daarom ontbinden. Gelet op het standpunt van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 BW en is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van de werknemer.
2.4.
Gesteld noch gebleken is dat het verzoek verband houdt met omstandigheden waarop de opzegverboden genoemd in artikel 7:671b lid 6 BW betrekking hebben.
2.5.
Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2022 dient te worden ontbonden.
2.6.
Partijen zijn overeengekomen dat de werkgever aan de werknemer een vergoeding, waarin begrepen de transitievergoeding, van € 185.000,00 bruto zal voldoen. Overeenkomstig het verzoek van partijen zal de werkgever worden veroordeeld tot het betalen van die vergoeding.
2.7.
Er is geen grond om werkgever de gelegenheid te bieden het verzoek in te trekken.
2.8.
De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om een van de partijen in de kosten te veroordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2022;
3.2.
veroordeelt de werkgever om aan de werknemer een vergoeding te betalen van € 185.000,00 bruto, waarin begrepen een transitievergoeding van € 49.132,40 bruto en een ontslagvergoeding ten titel van afkoop van uitkeringsrechten (werkloosheidsuitkering en bovenwettelijke uitkeringen) van € 135.867,60 bruto;
3.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.C. Gerritse en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2022.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: