Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres ingevolge de Participatiewet (PW) met ingang van 1 juli 2015 herzien naar
€ 686,31 per maand.
Bij besluit van 14 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.A. van Wingerden en F. Metzemaekers.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres ontvangt sedert 26 augustus 1996 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Zij staat samen met haar broer ingeschreven op het adres Malvert 2419 te [woonplaats].
2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de kostendelersnorm ingevolge de PW met ingang van 1 juli 2015 voor eiseres gaat gelden. Deze norm is op eiseres van toepassing aangezien zij het hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als haar broer.
Verweerder heeft aangegeven dat hij verplicht is de kostendelersnorm op eiseres toe te passen en dat de wet geen mogelijkheid biedt voor eiseres een uitzondering te maken. Hij heeft er daarbij op gewezen dat in de Memorie van Toelichting bij de wet expliciet is aangegeven dat de kostendelersnorm ook van toepassing is op personen die samenwonen met een broer of zus, waarbij een van beiden behoefte heeft aan zorg (Kamerstukken II, 2013/2014, nr. 3, p. 6).
3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij door de kostendelersnorm in financiële problemen geraakt, aangezien zij hoge zorgkosten heeft. Eiseres lijdt aan posttraumatische dystrofie.
Zij is geheel afhankelijk van haar broer door haar zorgbehoefte. Door de kostendelersnorm kan zij de noodzakelijke (medische) kosten niet meer betalen. De wetgever heeft verzuimd bij de invoering van de kostendelersnorm een uitzondering te maken voor mensen die zorgbehoevend zijn. Eiseres wijst op onbillijkheid van overwegende aard en verweerder heeft niet onderbouwd waarom geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule.
4. De rechtbank stelt voorop dat op grond van het overgangsrecht per 1 juli 2015 op eiseres de zogenaamde kostendelersnorm van toepassing is zoals deze is neergelegd in artikel 22a, eerste lid van de PW. De rechtbank stelt daarbij vast dat verweerder het recht op bijstand van eiseres aan de hand van artikel 22a, eerste lid, van de PW juist heeft berekend. De uitzonderingssituaties genoemd in artikel 22a, derde en vierde lid, van de PW zijn niet op eiseres van toepassing.
5. Voorts heeft de rechtbank – met verweerder – begrip voor de moeilijke situatie waarin eiseres en haar broer door toepassing van de kostendelersnorm komen. Artikel 11 van de Wet algemene bepalingen schrijft echter voor dat de rechter volgens de wet recht moet spreken: de rechter mag in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet beoordelen. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk situaties, zoals die waarin eiseres en haar broer verkeren, heeft meegewogen. Er kan derhalve niet geconcludeerd worden dat er sprake is van door de wetgever onbedoelde onbillijkheden van overwegende aard. De rechtbank is verder niet gebleken dat artikel 22a van de PW in strijd is met een geschreven of ongeschreven hogere rechtsnorm. De conclusie kan derhalve niet anders zijn dan dat verweerder terecht de kostendelersnorm van toepassing heeft geacht.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.