Team kanton en handelsrecht
Zaakgegevens 7076745 HA VERZ 18- 75
Grosse aan: mr. Verlaan
Afschrift aan: mr. De Jong
Verzonden d.d.:
beschikking d.d. 1 oktober 2018 van de kantonrechter
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Koninklijke vereniging Warmbloed Paardenstamboek Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
gemachtigde mr. M. de Jong,
[verweerder] ,
wonende te Kallenkotte,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
gemachtigde mr. F.T. Verlaan.
Partijen worden hierna KWPN en [verweerder] genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 18 juli 2018
- het verweerschrift, tevens verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 13 september 2018
- de brief van de zijde van KWPN van 12 september 2018 met daarbij de aanvullende producties 48 tot en met 54,
- de brief van de zijde van [verweerder] van 12 september 2018 met daarbij de aanvullende productie 57,
- de mondelinge behandeling van 17 september 2018, waarvan aantekeningen zijn gemaakt door de griffier.
2 De feiten
2.1.
[verweerder] is op 26 november 2001 in dienst getreden bij KWPN. Laatstelijk werkte hij als Directeur Fokkerij & Innovatie, tegen een salaris van € 9.659,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.
2.2.
KWPN is een vereniging, waarin de Ledenraad het besluitvormend orgaan is. De Ledenraad verkiest de (vijf) leden van het Algemeen Bestuur (hierna: AB). De directieleden worden door het AB benoemd. Het beleid wordt uitgevoerd door de directie. Tot medio 2015 bestond de directie van KWPN uit [verweerder] als Directeur en een Managementteam (MT). In het voorjaar van 2015 bestonden spanningen tussen [verweerder] en (leden van) het MT.
Het AB heeft op 16 maart 2015 een gesprek gehad met [verweerder] . Hiervan is een verslag gemaakt, waarin is te lezen: “(…) Vanuit het AB is waargenomen dat er sprake is van toenemende onrust/wantrouwen binnen het MT en de totale organisatie van het KWPN. Deze situatie is de afgelopen 6-8 jaar herhaaldelijk voorgekomen. (…) Observaties bij functioneren van [verweerder]: (…) Moeite met communiceren binnen de werkorganisatie en naar het veld (…) Zelfreflectie blijkt erg moeilijk tot onmogelijk te zijn. Relatie met (…) wordt op de spits gedreven i.p.v. van zoeken naar de sterke punten en het ondersteunen van de zwakke punten. (…)”.
[verweerder] heeft op deze notitie gereageerd en aangegeven verrast te zijn dat zijn functioneren ter discussie wordt gesteld. Dit is niet eerder aan de orde geweest. Volgens hem dient zich een vertrouwensvraag aan. Hij deelt wel de zorgen van het bestuur waar het gaat over onrust onder het personeel en een niet goed functionerend MT, maar wijt dit vooral aan een (lang) lopende discussie rond een wijziging van arbeidsvoorwaarden.
2.3.
Per juni 2015 is, conform een al langer bestaand plan, een wijziging in de organisatiestructuur ingevoerd. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is in dienst getreden bij KWPN op 1 juni 2015 als adjunct-directeur. Sinds medio 2017 is hij Directeur Communicatie & Bedrijfsvoering. [verweerder] vormt thans samen met [naam 1] de tweehoofdige directie binnen KWPN.
2.4.
In de Ledenraad van 13 december 2017 is [naam 2] (hierna: [naam 2] ) benoemd tot voorzitter van het AB. Ook is in die vergadering een nieuwe penningmeester benoemd.
2.5.
[verweerder] heeft, kort na het aantreden van de nieuwe bestuursleden, bij het AB melding gemaakt van ernstige samenwerkingsproblemen met [naam 1] . Het AB heeft bij e-mail van
20 december 2017 aan [naam 1] en [verweerder] geschreven: “(…) Er zijn verschillende gesprekken gevoerd met jullie de afgelopen tijd over het functioneren van de tweehoofdige directie. We hebben geconstateerd dat de samenwerking stroef verloopt tussen beide directieleden. (…) het bestuur wil graag van jullie een concreet voorstel zien hoe jullie gaan samenwerken en de directievoering willen gaan invullen. (…) We zien jullie gezamenlijke voorstel graag tegemoet voor 12 januari a.s. (…)”.
2.6.
[naam 1] en [verweerder] hebben op 8 januari 2018 samen een gesprek gevoerd. [naam 1] heeft hiervan een verslag gemaakt. In dit verslag is te lezen: “(…) [verweerder] geeft aan dat hij goed nagedacht heeft over de ontstane situatie en dat hij een verdere samenwerking binnen de collegiale directie niet ziet zitten. Hij heeft geen vertrouwen meer in [naam 1] . Ook vindt hij dat [naam 1] niet integer is. [naam 1] geeft aan dat het hem beschuldigen van niet integer zijn onacceptabel is en naar zijn mening een zeer onterechte aantijging is. (…) [verweerder] geeft aan dat hij er goed over nagedacht heeft en dat hij de consequenties ziet, maar dat verdere samenwerking geen zin heeft. (…) Na ca een half uur wordt het overleg beëindigd. [verweerder] geeft aan dat hij het bestuur morgen per email op de hoogte zal stellen van zijn besluit. (…)”.
2.7.
Bij e-mail van 9 januari 2018 heeft [verweerder] aan het AB geschreven: “(…) Ik benadruk dat ik uitdrukkelijk geen twijfel heb aan de ingeslagen weg van een collegiale directie. Het pijnpunt zit in de uitvoering er van met [naam 1] . In het afgelopen jaar zijn mij een aantal voorvallen bekend geworden die maken dat ik zwaarwegende redenen heb om te twijfelen aan [naam 1] ’s integriteit. (…) Maar ook zijn inhoudelijk functioneren en de wijze waarop hij (geen) uitvoering geeft aan de samenwerking/collegiale directie, maken dat ik onvoldoende vertrouwen heb in een vruchtbare toekomst. (…) De belangrijkste reden is het gebrek aan integriteit van [naam 1] , wat zeer slecht is voor de goede naam & faam van KWPN en waarvoor ik geen mede-verantwoordelijkheid wens te dragen. (…) verdere onderbouwing (…) geef ik graag, maar dan wel in een breder onafhankelijk integriteitsonderzoek waarbij meerdere mensen gehoord worden. (…)”.
[naam 1] heeft in een e-mail van dezelfde datum aan het AB geschreven : “(…) Dat de samenwerking tussen [verweerder] en mij niet soepel verloopt is evident en bij alle partijen bekend. (…) het is niet gepast om elkaar proberen kapot te maken op de manier die [verweerder] voor ogen heeft. Op deze manier wordt niet alleen het KWPN geschaad, maar wordt ook mijn goede naam te grabbel gegooid. (…) Als het bestuur besluit tot een integriteitsonderzoek zoals door [verweerder] wordt voorgesteld, zal ik daar mijn volledige medewerking aan verlenen, maar het zal mijn reputatie schaden als dit naar buiten komt. Ik hecht er dan ook veel waarde aan dat er een begin van een onderbouwing wordt gegeven voor een zo zware beschuldiging als dat [verweerder] die nu doet. De beschuldigingen die ik tot dusver voor de voeten geworpen heb gekregen, behelzen niet meer dan de normale wrijving die inherent zijn aan een organisatie in transitie met gedeeld leiderschap met twee verschillende leiderschapsstijlen. Ik voel mij dan ook tot op het bot beledigd door mijn collega directeur. (…)”.
2.8.
Het AB heeft op 23 januari 2018 het tijdelijke dienstverband van [naam 1] omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
2.9.
[verweerder] heeft, op verzoek van het AB, een lijst opgesteld met aanwijzingen waaruit volgens hem blijkt dat [naam 1] niet integer is en deze lijst op 25 januari 2018 aan het AB gezonden. Het betreft 11 ‘issues’. Het AB heeft een reactie op de lijst gevraagd aan de vorige penningmeester van het AB, de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ).
2.10.
Het AB heeft de heer [naam 4] (hierna: [naam 4] ) verzocht gesprekken te voeren met [verweerder] en [naam 1] om te bezien of de impasse in de samenwerking binnen de directie kon worden opgelost. In een notitie van 4 februari 2018 aan het AB schrijft [naam 4] dat de ene directeur een extern integriteitsonderzoek noodzakelijk vindt om zaken aan het licht te brengen, terwijl de andere directeur vindt dat de vraag naar een integriteitsonderzoek eerst van tafel moet alvorens er een gesprek over een oplossing kan plaatsvinden. Zijn voorstel is vervolgens: “(…) Nu geen integriteitsonderzoek, want partijen zouden (onder begeleiding) prima in staat moeten zijn met elkaar, en in overleg vast te stellen wat wenselijk, dan wel gepast is en wat niet. (…)”.
2.11.
[naam 2] heeft op 5 februari 2018 aan [naam 1] en [verweerder] geschreven en aangedrongen op medewerking aan oplossingsgerichte mediation. [verweerder] heeft op 8 februari 2018 toegezegd hieraan medewerking te verlenen, zij het dat hij niet onvoorwaardelijk instemt met de inhoud van de mediationovereenkomst. Ook dringt hij nogmaals aan op een integriteitsonderzoek.
2.12.
[naam 3] heeft op 12 februari 2018 zijn reactie aan het AB gegeven, waarbij zijn oordeel is dat uit de door [verweerder] aangereikte informatie niet volgt dat [naam 1] niet integer is.
[naam 3] heeft bij enkele van de door [verweerder] genoemde issues de opmerking geplaatst dat de genoemde kwestie in het AB is besproken en geaccordeerd in aanwezigheid van [verweerder] of door het AB aan [verweerder] waren geadresseerd.
2.13.
Bij brief van 22 februari 2018 heeft [naam 2] aan [verweerder] geschreven: “(…) Het bestuur is unaniem van mening dat de huidige samenwerkingsrelatie ernstig ontspoord is. Het bestuur acht deze situatie onwenselijk en onhoudbaar:
Beide directieleden spannen zich niet in om op constructieve wijze tot een aanvaardbaar niveau van collegiale directievoering te komen. Dat is u als leden van de directie verwijtbaar.
Het bestuur ziet zich dan ook genoodzaakt tot het nemen van ultieme maatregelen:
1. u krijgt voor de laatste keer de kans de ontsporing in de samenwerking in gezamenlijkheid op te lossen, zoals dit in de laatste mail van de voorzitter van het algemeen bestuur is aangegeven d.d. 05-02-2018. Op de kortst mogelijke termijn zal een eerste datum (1 maart 2018) worden gepland voor de start van een traject van oplossingsgerichte mediation, zoals in eerder voorstel van de hand van de voorzitter is aangegeven.
Neemt u deze laatste mogelijkheid niet, niet voldoende voortvarend, dan wel met onvoldoende resultaat op, dan ziet het bestuur zich genoodzaakt haar verantwoordelijkheid in dezen te nemen, hetgeen arbeidsrechtelijke consequenties voor u zal hebben omdat dan van het bestuur in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsrelatie met de directie te laten voortduren. Met klem zeggen wij u aan elke vorm van obstructie, manipulatie, dan wel frustratie van de samenwerking met onmiddellijke ingang te staken.
Vanuit het bestuur zullen wij de voortgang en de resultaten van deze ondersteuning nauwlettend volgen. (…)”.
2.14.
[verweerder] heeft op 23 februari 2018 aan het AB gemeld dat hij zijn medewerking aan het mediation traject zal verlenen, zodra zijn fysieke situatie dat toelaat. [verweerder] was sinds
7 februari 2018 arbeidsongeschikt vanwege ernstige rugklachten.
2.15.
[verweerder] heeft in februari 2018 diverse e-mails gezonden aan (de penningmeester van) het AB met verzoeken om inzage in het grootboek en de jaarrekening 2017. Bij e-mail van 26 februari 2018 heeft [verweerder] een lijst met 24 specifieke vragen over (posten in) de jaarrekening aan het AB gezonden.
2.16.
Het AB heeft bij brief van 12 maart 2018 aan [verweerder] en [naam 1] geschreven dat allereerst de aandacht gericht zal worden op de integriteitskwestie en dat [naam 4] in kaart zal brengen welke issues er spelen en of deze wel of niet de integriteit betreffen. Daarna zullen vervolgstappen beoordeeld worden. Daarnaast verzoekt het AB [verweerder] en [naam 1] te bevestigen dat hij medewerking zal verlenen aan mediation zonder nadere voorwaarden. [verweerder] heeft deze bevestiging op 13 maart 2018 gegeven. Op 21 maart 2018 heeft hij een geactualiseerde lijst met ‘issues’ aan het AB toegezonden. Dit betreft 18 punten, waaronder de eerder genoemde kwesties.
2.17.
Op 19 maart 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het AB en [verweerder] . [verweerder] heeft de heer [naam 5] (hierna: [naam 5] ) als adviseur verzocht bij dit gesprek aanwezig te zijn.
Het AB heeft op 19 maart 2018 besloten tot het inschakelen van een forensisch accountant, BDO, om onderzoek te doen in de integriteitskwestie.
Bij e-mail van 30 maart 2018 heeft het AB aan [verweerder] geschreven: “(…) Wij willen tot slot benadrukken [verweerder] , dat wij er van uitgaan dat jij het inschakelen van een forensisch accountant volledig stil houdt, en niet intern of extern communiceert. Jouw mening is duidelijk, maar er zijn ook andere aspecten en belangen waar wij rekening mee moeten houden. (…)”.
2.18.
Bij brief van 20 april 2018 heeft [naam 2] aan [verweerder] geschreven: “(…) Wij begrepen onlangs dat jij behalve ons ook anderen hebt benaderd en de issues (of een aantal daarvan) en jouw mening daarover hebt gedeeld. Zo bijvoorbeeld de accountant en de Financiële Commissie als ook de Vertrouwenscommissie. En ook de door jou ingeschakelde adviseur schijnt contact hierover te hebben opgenomen met de commissies. (…) Het feit echter dat jij jouw issues en mening met anderen deelt, als ook dat wij dat achteraf via via moeten vernemen, baart ons zorgen. Het lijkt erop dat jij bezig bent om bij of via verschillende kanalen binnen de organisatie een soort onderstroom te creëren tegen [naam 1] . Wij vinden dit geen juiste handelswijze, en dat moet ophouden. De issues en aantijgingen richting [naam 1] gaan op bepaalde vlakken (zeer) ver en hebben naar onze mening een uiterst vertrouwelijk karakter, ook intern. Dit temeer omdat [naam 1] , zoals je weet, een ander standpunt heeft dan jij en het niet eens is met de beschuldigingen. En niet onbelangrijk, zo je zal begrijpen, er zijn nog geen conclusies getrokken door de forensisch accountant. (…) We hebben eerder al aangegeven het ook belangrijk te vinden dat de rust binnen de organisatie weer terugkeert en de samenwerking wordt verbeterd. (…) Het verspreiden van de precaire issues draagt daar echter niet aan bij, en creëert juist meer onrust en zet de samenwerking nog verder onder druk. (…)”.
2.19.
[verweerder] heeft in reactie op de onder 2.18 genoemde brief een e-mail gezonden aan [naam 2] , en daarin geschreven: “(…) Jij hebt het over aantijgingen, wat mij betreft zijn het aanwijzingen die verder onderzoek noodzakelijk maken.
Op dit moment is BDO betrokken en heeft het bestuur een onderzoek ingesteld dat ziet op deelaspecten van integriteit en zich met name richt op financiën. Het betreft dus een onderzoek dat, zoals het er nu uitziet, beperkt is in aard/omvang. De door mij verstrekte lijst ziet ook op andere aspecten van integriteit in brede zin.
Je stelt dat ik informatie heb gedeeld met anderen. Als het gaat om commissies binnen KWPN wijs ik erop dat deze commissies interne commissies zijn (dus geen derden) die in het leven zijn geroepen door KWPN en bestaan in het belang van KWPN. Deze commissieleden dienen een goede invulling te kunnen geven aan hun taken verantwoordelijkheden en bevoegdheden en behoren gelet op het karakter van de commissies, verstandig om te kunnen gaan met informatie van welke aard dan ook. Dat feitelijke informatie, signalen en meldingen die betrekking hebben op het doel van de commissies niet gedeeld kunnen worden, deel ik dan ook niet. Om de onderstroom aan onrust mede op mijn conto te schrijven gaat te ver. Er is onrust onder werknemers, zoals ik ook heb gecommuniceerd, en de werknemers/betrokkenen kunnen zelf aangeven hoe dat komt.
Tegelijkertijd gaat het om mijn arbeidsrechtelijke positie en het feit dat ik tracht zo spoedig mogelijk terug te keren van ziekte. Vanzelfsprekend wordt vertrouwelijke informatie dienaangaande met externe adviseurs gedeeld, die voor mij en niet voor KWPN optreden, voor dit doel.
De betrokkenheid van [naam 5] is een ander verhaal. Hij wordt niet betaald en ik heb hem niet aan een touwtje. Tijdens het gesprek heeft het bestuur aangegeven dat informatie zoals gedeeld in het gesprek een vertrouwelijk karakter heeft. Dit geldt niet voor informatie waarover [naam 5] al beschikt, zelf heeft verworven, dan wel aan hem is gegeven door wie dan ook. Hij is volstrekt onafhankelijk. Vanwege het feit dat hij KWPN goed kent en eerder een ingewikkeld dossier heeft vlot getrokken in het belang van KWPN, heb ik hem naar het gesprek mee gevraagd. Juist omdat hij zich boven partijen opstelt. Hij heeft zich tijdens dit gesprek ook opgesteld als een onafhankelijke denker die handelt in het belang van KWPN. (…) Kortom: ik blijf feitelijk en in het belang van KWPN communiceren, houd mij verre van aantijgingen, die geen grond kennen in feiten (…)”.
2.20.
[naam 5] heeft op 27 juni 2018 een uitgebreide e-mail gestuurd aan [naam 2] , waarin is te lezen: “(…) In aansluiting op hetgeen wij besproken hebben in Rotterdam (…) doe ik je hierbij een aantal punten toekomen waarvan ik denk dat deze in de nabije toekomst een rol gaan spelen (…)”. Deze e-mail is in CC toegezonden aan een journalist. In de lijst staat onder andere een aantal van de door [verweerder] op zijn lijst vermelde ‘issues’ en het BDO-onderzoek.
[naam 2] heeft hierop aan [verweerder] geschreven: “(…) Onderstaande mail ontving ik woensdag jl van [naam 5] , jouw adviseur. Ik zag het niet meteen, maar in de CC staat [naam 6] , zoals bekend bij jou één van de bekendste paardensportjournalisten in Nederland. Los van de inhoud van de mail die niet klopt en zeer eenzijdig is, is deze werkwijze onacceptabel en schadelijk, niet alleen voor onze vereniging maar vooral ook voor de in de mail genoemde personen. Ik reken dit jou zeer zwaar aan. Het kwaad is al geschied, maar ik verzoek je met de grootste klem om [naam 5] (jouw adviseur) te instrueren hiermee te stoppen en het bericht in te trekken en te zorgen dat het bericht niet openbaar wordt. Aanstaande dinsdag zal ik de gang van zaken in het bestuur bespreken en ik behoud mij namens de vereniging alle rechten voor jegens jou en je adviseur. Dit is geen vriendelijk verzoek, maar een expliciete opdracht aan jou. (…)”.
In reactie hierop heeft [verweerder] vervolgens aan [naam 2] geschreven: “(…) Ik neem het hoog op dat het bestuur ervan uitgaat dat het onderstaande schrijven van mij afkomstig is. Het lijkt mij de juiste weg en fatsoenlijk om eerst te checken of dit wel zo is, in plaats van dit voetstoots en zonder gesprek aan te nemen. Blijkbaar word ik aangesproken op bepaald handelen, en is het aan mij om te onderbouwen dat ik iets niet heb gedaan. Dat is de omgekeerde wereld. Ik ben steeds aanwezig en bereikbaar voor een gesprek. Ik wijs er op dat in het veld iedereen over de onrust binnen KWPN spreekt.
[naam 5] is zoals al eerder aangegeven onafhankelijk. Hij is slechts één keer mee geweest naar een gesprek met het bestuur als adviseur. (…) Kees wordt niet betaald, zit niet aan een touwtje, spreekt met veel verschillende mensen en kan ik geen instructies geven.
Ik vind het ook vrij bijzonder dat niet de (juistheid/volledigheid) inhoud van het schrijven centraal staat maar blijkbaar aantijgingen richting mijn persoon voorrang genieten. Dit gaat de kant op van bewuste beschadiging van mijn persoon en mijn persoonlijke integriteit. Ik hoop echt met heel mijn hart, dat dit niet het geval is. Tot op dit moment heb ik steeds gedacht dat het bestuur de feiten zou laten spreken, zodat ik niet de weg wordt opgeduwd richting (bestuurders)aansprakelijkheidsstelling, een tuchtklacht (bij de accountantskamer) of andere rechtsmaatregelen. Ik wil dit namelijk ten alle tijden trachten te voorkomen, juist in het belang van KWPN en zodat niet alles op straat komt te liggen. Ik hoop dat we elkaar daarin vinden. Ik behoud eveneens alle rechten en weren voor. (…)”.
2.21.
BDO heeft op 2 juli 2018 een rapport uitgebracht.
2.22.
Bij brief van 5 juli 2018 heeft [naam 2] aan [verweerder] geschreven:
“(…) Hiermee bevestig ik het gesprek van hedenochtend. In dit gesprek heb ik je aangegeven dat afgelopen dinsdagavond door het Algemeen Bestuur van KWPN is besloten de arbeidsovereenkomst met jou en de heer [naam 1] te gaan beëindigen.
(…) Sinds langere tijd is er sprake van toenemende samenwerkingsproblemen binnen de directie van KWPN. Deze problemen betreffen inmiddels niet alleen meer de samenwerking en verhouding tussen [naam 1] en jou onderling, maar inmiddels heeft de kwestie zich uitgebreid naar de verhouding bestuur en directie en ook de verhouding met de medewerkers/personeelsvertegenwoordiging staat in toenemende mate onder druk.
Per directeur verschilt de aard en omvang van de problematiek. Naast de samenwerkingsproblemen doen zich ook in meer of mindere mate functioneringskwesties voor.
[naam 1] is in 2015 aangesteld als adjunct-directeur vanwege het tekortschieten in de directievoering door jou. Ondertussen zijn jullie gelijkgeschakeld qua rangorde en is er sprake van een collegiale directievoering.
Er spelen dus meer zaken, maar de beslissing om afscheid van je te nemen is in belangrijke mate gebaseerd op de inmiddels ontstane onwerkbare situatie tussen jou en [naam 1] en ook tussen (de grote meerderheid van het) bestuur en jou. Zoals jij zelf schrijft, is de bestuurlijke onrust bij onze vereniging inmiddels ook extern bekend geworden. Wij hebben lang geduld betracht (ook i.v.m. de rapportage door BDO) en jullie de gelegenheid gegeven de samenwerking te herstellen en jullie daarbij ook proberen te helpen, maar nu iedere verbetering uitblijft, achten wij ingrijpen als weergegeven in deze brief geboden.
In 2017 zijn er door het toenmalige bestuur van KWPM meerdere gesprekken gevoerd met [naam 1] en jou over de in de ogen van het Algemeen Bestuur tekortschietende samenwerking tussen beide directeuren. Op 8 januari 2018 hebben jullie op aandringen van het huidige Algemeen Bestuur daarover opnieuw met elkaar gesproken. Van dit gesprek is een verslag gemaakt. In dat gesprek heb jij aan [naam 1] al meteen laten weten een verdere samenwerking met hem niet te zien zitten. Een dag later heb je dit schriftelijk aan mij gemeld en meegedeeld zwaarwegende redenen te hebben om te twijfelen aan de integriteit van [naam 1] . (…) Op 22 februari jl heeft het Algemeen Bestuur jullie persoonlijk per brief een laatste kans gegeven om de samenwerkingsproblemen op te lossen. Dit zou moeten gebeuren door middel van een mediation traject. Aangegeven is dat dit een ultieme poging zou zijn en dat bij geen of onvoldoende resultaat het Algemeen Bestuur zou overgaan tot ontslag van beide directeuren omdat dan van het bestuur in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsrelatie met de directie te laren voortduren.
Dit mediation traject is nooit van de grond gekomen omdat [naam 1] eerst de beschuldigingen van jou over zijn integriteit van tafel wilde hebben. Een niet geheel onbegrijpelijke eis, ook gezien de onderzoeksbevindingen van BDO.
Inmiddels is de arbeidssituatie aldus dat de ingezette mediation, verdere gesprekken en mailwisselingen tussen bestuur en de (afzonderlijke) directieleden én andere maatregelen de verstoorde verhoudingen niet hebben verbeterd. Eerder is het tegendeel het geval.
Jouw adviseur heeft inmiddels - ondanks uitdrukkelijke instructies aan jou van mijn kant er voor te zorgen dat dit niet zou gebeuren - een journalist (openlijk) geïnformeerd over de beschuldigingen aan het adres van [naam 1] door een email van zijn hand aan mij hierover via een cc ook aan deze journalist toe te zenden. Ik heb je hierop aangesproken, maar in plaats van dat jij je verontschuldigingen aanbiedt, val je het bestuur en mij aan, onttrek jij je aan je verantwoordelijkheid als opdrachtgever en stel jij je zelfs intimiderend op richting KWPN.
Voorts is het Algemeen Bestuur van mening dat jou ernstige verwijten kunnen worden gemaakt over hoe weinig terughoudend jij bent omgegaan met je aantijgingen aan het adres van [naam 1] , nog afgezien van de rol van jouw adviseur.
Uit het pas afgeronde onderzoek van BDO naar het handelen van [naam 1] zijn overigens geen concrete aanwijzingen naar voren gekomen van integriteitsschendingen. Jouw beschuldigingen richting [naam 1] worden niet geschraagd door het onderzoek.
Afgelopen dinsdag is door het Algemeen Bestuur ook besloten [naam 1] en jou met ingang van vandaag te schorsen. Ik heb je van dit besluit in kennis gesteld. Deze brief is daarvan de schriftelijke bevestiging. (…)”.
2.23.
[verweerder] heeft na ontvangst van de brief van 5 juli 2018, waarin de op non-actiefstelling en ontslagbeslissing zijn meegedeeld, een rapport laten uitbrengen door Ebben Partners N.V. (hierna; Ebben). Daarbij heeft hij Ebben gevraagd opmerkingen te maken over de governance van KWPN en het BDO-rapport.
3
3. De verzoeken en verweren
3.1.
KWPN verzoekt dat de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst tussen partijen zal ontbinden op de kortst mogelijke termijn, op grond van een verstoorde arbeidsrelatie, dan wel op grond van andere omstandigheden, die zodanig zijn dat van KWPN in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
3.2.
KWPN heeft hieraan ten grondslag gelegd dat sinds eind 2017/begin 2018 in toenemende mate sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie. [verweerder] heeft vergaande beschuldigingen geuit tegen zijn mededirecteur, zonder dat deze waargemaakt kunnen worden. Hij heeft geen enkele serieuze poging ondernomen om de werkverhoudingen te verbeteren en heeft ondanks uitdrukkelijke aanwijzingen van het AB de beschuldigingen gedeeld met anderen, binnen en buiten de organisatie. [verweerder] miskent hiermee zijn positie binnen KWPN. In dit geval kan van KWPN niet gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zodat deze ontbonden dient te worden.
3.3.
[verweerder] voert verweer tegen de vordering. [verweerder] heeft zijn verantwoordelijkheid als directeur genomen om interne misstanden te melden. Hij is klokkenluider en er kan alleen al om die reden geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitgesproken worden, nu hij geen nadeel mag ondervinden van zijn melding. De melding is door KWPN onjuist en onvolledig onderzocht, zoals uit het rapport van Ebben blijkt. Er is ook overigens geen sprake van verwijtbare handelingen door [verweerder] . Hij heeft steeds getracht te komen tot onderlinge oplossingen. Er is geen sprake van lekken van informatie naar ‘buiten’. Er zijn geen problemen op de werkvloer en terugkeer in de functie is dus mogelijk. Als er al sprake zou zijn van een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie, dan is dit geheel aan KWPN te wijten. In het geval wel een ontbinding zou worden uitgesproken zal het voor [verweerder] grote gevolgen hebben. [verweerder] heeft zijn hele werkzame leven in de hippische wereld gewerkt, waarvan 17 jaar binnen KWPN en is in deze kleine wereld bekend. De reputatie- en inkomensschade zal groot zijn en 60% van die schade is aan KWPN toe te rekenen. Ook de advocaatkosten en de kosten van het onderzoek van Ebben moeten voor rekening van KWPN komen. Een billijke vergoeding van € 821.438,30 bruto past daar bij.
3.4.
Het verweer mondt uit in een tegenverzoek, waarbij [verweerder] de kantonrechter verzoekt om:
primair: het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen,
subsidiair: bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst, aan [verweerder] een transitievergoeding toe te kennen van € 107.710,20 bruto, alsmede een billijke vergoeding van € 821.438,30 bruto,
en, zowel primair als subsidiair: KWPN te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.5.
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
Centraal staat de vraag of sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsrelatie dat van KWPN niet gevergd kan worden deze langer te laten voortbestaan.
[verweerder] heeft aanvankelijk als verweer gevoerd dat er, gelet op zijn (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid sprake is van een ontslagverbod. Nu [verweerder] inmiddels geheel arbeidsgeschikt is, is dit verweer vervallen.
4.2.
[verweerder] beroept zich op artikel 7: 658c BW, dat luidt: “De werkgever mag de werknemer niet benadelen als gevolg van het te goeder trouw en naar behoren melden van een vermoeden van een misstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet Huis voor klokkenluiders tijdens en na de behandeling van deze melding bij de werkgever of de daartoe bevoegde instantie.”.
Volgens het genoemde artikel 1 onderdeel d van de Wet Huis voor Klokkenluiders is een vermoeden van misstand: “het vermoeden van een werknemer, dat binnen de organisatie waarin hij werkt (…), sprake is van een misstand voor zover:
1. het vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die voortvloeien uit de kennis die de werknemer bij zijn werkgever heeft opgedaan (…), en
2. het maatschappelijk belang in het geding is bij de schending van een wettelijk voorschrift, een gevaar voor de volksgezondheid, een gevaar voor de veiligheid van personen, een gevaar voor de aantasting van het milieu, een gevaar voor het goed functioneren van de openbare dienst of een onderneming als gevolg van een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten”
De wet kent twee mogelijkheden om melding van een vermoeden van misstand te doen, namelijk melding bij de werkgever of melding bij het Huis voor Klokkenluiders. Daarbij wordt er vanuit gegaan dat bij een werkgever waar in de regel meer dan vijftig medewerkers in dienst zijn in een eigen klokkenluidersregeling is voorzien. Vast staat dat KWPN een dergelijke regeling (nog) niet heeft. Bij melding aan Huis voor Klokkenluiders kan de onderzoeksafdeling van het Huis het vermoeden onderzoeken, waarbij de werkgever verplicht is aan het onderzoek mee te werken. De wet gaat uit van vertrouwelijkheid van zowel de melding als het onderzoek.
4.3.
KWPN betwist dat het hier gaat om een misstand die is gebaseerd op redelijke gronden en waarbij het maatschappelijk belang in geding is. Het betreft ‘gewone’ kritiek op het functioneren van de collega-directeur. Indien echter al sprake zou zijn van een vermoeden van misstand in de zin van genoemde bepaling, dat komt aan [verweerder] toch niet de bescherming toe die door artikel 7:658c BW wordt gegeven. Die bescherming komt toe aan een werknemer die het vermoeden van misstand ‘te goeder trouw en naar behoren’ heeft gemeld. Het door [verweerder] onmiddellijk opzeggen van ieder vertrouwen in [naam 1] , zonder voldoende concrete aanwijzingen niet past in het kader van deze bepaling, aldus steeds KWPN.
4.4.
In het midden kan blijven of sprake is van een misstand als bedoeld in bovengenoemde wetgeving. [verweerder] heeft immers geen melding bij de werkgever of het Huis voor Klokkenluiders gedaan van (het vermoeden van) een misstand. Hij heeft in het gesprek met [naam 1] van 8 januari 2018 het vertrouwen in [naam 1] opgezegd. Vervolgens heeft hij op 9 januari 2018 aan het AB meegedeeld dat hij onvoldoende vertrouwen heeft in een vruchtbare toekomst voor de samenwerking met [naam 1] . Daarbij geeft hij als reden ‘het gebrek aan integriteit van [naam 1] ’ en verzoekt hij een integriteitsonderzoek in te stellen. Dit is een wezenlijk andere gang van zaken dan de werkwijze van een melder die beschermd wordt met artikel 7:658c BW. Indien overigens wel sprake zou zijn van de melding van een misstand, kan deze melding geen vrijbrief vormen voor gedrag na die melding dat bijdraagt aan (verdere) verstoring van de arbeidsrelatie. KWPN baseert haar vordering ook mede op dergelijk gedrag van [verweerder] van na 9 januari 2018, in het bijzonder op de weinig terughoudende omgang van [verweerder] met de ‘issues’ naar anderen dan [naam 1] en het AB.
4.5.
Het AB heeft [verweerder] voor en na het gesprek van 9 januari 2018 aangesproken op het verbeteren van de samenwerking met [naam 1] . Aangenomen kan worden dat [verweerder] bij zijn handelen het belang van KWPN voor ogen heeft willen hebben. De wijze waarop door hem gehandeld is, heeft echter dat belang niet gediend, zoals [verweerder] had kunnen weten. Door het vertrouwen in [naam 1] op te zeggen, is de samenwerking binnen de directie verder onder druk komen te staan dan ten tijde van het eerste verzoek om verbetering (in december 2017) het geval was. Dat mediation niet tot stand is gekomen is niet aan [verweerder] te verwijten, nu daarvoor de inzet van alle betrokken partijen nodig is en [naam 1] voorwaarden voor deelname aan de mediation heeft gesteld. [verweerder] heeft echter niet op andere wijze verbetering van de verstandhoudingen gezocht. Integendeel, [verweerder] heeft in februari 2018 tenminste de indruk gevestigd dat hij [naam 1] wilde controleren, door nadrukkelijker dan voorheen inzage te vragen in de jaarrekening en het grootboek en vele detailvragen daarover te stellen. De omstandigheid dat hij ziek thuis was, is voor deze verandering onvoldoende verklaring. Zowel bij [naam 1] als bij het AB heeft dit gezorgd voor irritatie in plaats van toenadering.
4.6.
De verhouding met het AB is verder verstoord geraakt rond het gesprek van
19 maart 2018 en de openheid van [verweerder] naar interne commissies en personen en externen, zoals de accountant. [verweerder] had aanvankelijk de wens een onafhankelijk adviseur op kosten van KWPN in de bespreking uit te nodigen. Het AB heeft deze wens niet gehonoreerd, waarna [verweerder] zelf [naam 5] heeft benaderd en als adviseur heeft meegenomen. Anders dan [verweerder] meent, kan hem wel toegerekend worden dat [naam 5] de informatie, die hij deels door het gesprek en/of [verweerder] verkregen heeft, naar een journalist heeft gedeeld. Ook al zou een deel van de problematiek al op andere wijze bij [naam 5] bekend zijn geweest, dan nog heeft het moment van delen en de wijze waarop te maken met het gesprek. Het gegeven dat een BDO-onderzoek werd verricht kon niet op andere wijze bij [naam 5] bekend zijn. Het had op de weg van [verweerder] gelegen zich, juist vanwege de positie van [naam 5] binnen de ‘paardenwereld’, ervan te vergewissen dat de inhoud van het gesprek van 19 maart 2018 door [naam 5] vertrouwelijk zou worden behandeld.
[verweerder] heeft in zijn reactie op de e-mails, die hij met betrekking tot zijn openheid naar commissies en de rol van [naam 5] van het AB gekregen heeft, laten blijken een geheel andere kijk op zijn verantwoordelijkheid en positie te hebben dan het AB.
4.7.
[verweerder] heeft na ontvangst van de brief van 5 juli 2018 een rapport laten uitbrengen door Ebben. Ebben heeft in de rapportage van 6 september 2018 geschreven dat de organisatie c.q. structuur van de governance wordt gekarakteriseerd als ‘zwak en risicovol’, dat uit de cv’s van de leden van het AB en het handelen van het AB een beperkte bestuurlijke ervaring bij grotere organisaties blijkt en geen professionaliteit spreekt en verder dat het beperkte onderzoek van BDO niet relevant is voor het verkrijgen van een onpartijdig beeld van de integriteit van de heer [naam 1] , noch voor de validiteit van de meldingen van [verweerder] . KWPN heeft tegen de wijze van totstandkoming en de inhoud van het rapport verweer gevoerd.
4.8.
Vastgesteld wordt dat inmiddels sprake is van een zodanige verstoring dat geen vruchtbare voortzetting van de arbeidsrelatie meer te verwachten is. Dat na het uitblijven van verbetering in de samenwerking binnen de directie ook een verstoring is ontstaan tussen [verweerder] en het AB en dat deze verstoring is verergerd, is vooral aan [verweerder] te verwijten, zoals hierboven aangegeven. Om die reden kan van KWPN niet verlangd worden de arbeidsovereenkomst voort te laten bestaan. Het verzoek tot ontbinding zal dan ook toegewezen worden.
4.9.
Uit de gehele gang van zaken blijkt, dat de onderlinge verhoudingen tussen [verweerder] en [naam 1] en tussen [verweerder] en het AB ernstig verstoord zijn geraakt. Hierin heeft niet alleen [verweerder] , maar ook het AB een bijdrage gehad. Van het AB had een voortvarender optreden verwacht mogen worden na de melding door [verweerder] van de vertrouwensbreuk binnen de directie en de oorzaak daarvan, bijvoorbeeld door de lijst met ‘issues’ en de ontstane situatie in gezamenlijk overleg met beide directeuren te bespreken en de mogelijke vervolgstappen te bekijken. De afwijzende houding van [naam 1] tegenover de mediation is mede veroorzaakt doordat het AB hem geen inzicht heeft gegeven in deze door [verweerder] opgestelde lijst. Daarmee is het uitblijven van verbetering ook aan het AB te verwijten.
4.10.
Hoewel dus sprake is van enig verwijtbaar handelen van KWPN, bestaat geen grond voor het toekennen van een billijke vergoeding, omdat het handelen niet als ernstig verwijtbaar kan worden gekwalificeerd. Omdat, mede vanwege de eigen rol van KWPN, het handelen van [verweerder] evenmin als ernstig verwijtbaar kan worden gekwalificeerd, is er ook geen grond om af te zien van de toekenning van de transitievergoeding. [verweerder] heeft onweersproken gesteld dat dit een bedrag van € 102.233,41 betreft.
4.11.
Er bestaat aanleiding de proceskosten te compenseren, zodanig dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft.