Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBGEL:2019:5224

Rechtbank Gelderland
01-11-2019
27-12-2019
7909471
Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig

Langdurig dienstverband van 30 jaar, eenzijdig (hoog) opgeleide werknemer. Geen sprake van disfunctioneren, afwijzing d-grond. Ontbinding op grond van verstoorde arbeidsverhouding. Ernstig verwijtbaar handelen werkgever. Billijke vergoeding toegekend.

Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1373
VAAN-AR-Updates.nl 2019-1373

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 7909471 \ HA VERZ 19-123 \ 512 \ 34124

uitspraak van 1 november 2019

beschikking

in de zaak van

de stichting Stichting Wageningen Research

gevestigd te Wageningen

verzoekende partij

gemachtigde mr. C.I. van Gent

en

[verweerster]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

gemachtigde mr. W.E. van Engelenhoven

Partijen worden hierna SWR (vrouwelijk enkelvoud) en [verweerster] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Op 12 juli 2019 heeft SWR een verzoekschrift met producties 1 tot en met 70 bij de rechtbank ingediend strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] ex artikel 7:671 b BW.

1.2.

[verweerster] heeft op 24 september 2019 een verweerschrift met producties 1 tot en met 41 ingediend.

1.3.

Bij brief van 27 september 2019 heeft SWR producties 71 en 72 in het geding gebracht.

1.4.

Bij brief van 30 september 2019 heeft [verweerster] producties 28 en 29 in het geding gebracht.

1.5.

Op 4 oktober 2019 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens SWR is haar gemachtigde verschenen, mr. C.I. van Gent. SWR is vertegenwoordigd door [de heer A] en [mevrouw B] . [verweerster] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. W.E. van Engelenhoven. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, beide gemachtigden aan de hand van een pleitnota.

1.6.

Ten slotte is de uitspraak bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

De organisatie van Wageningen University & Research (WUR) bestaat uit een universiteit en een aantal gespecialiseerde onderzoeksinstituten die zijn ondergebracht in SWR. Eén van die onderzoeksinstituten is het RIKILT Wageningen University & Research (hierna: Rikilt). Rikilt doet onafhankelijk onderzoek naar de veiligheid en betrouwbaarheid van voedsel.

2.2.

[verweerster] treedt op 6 januari 1990 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) SWR. Sinds 1991 werkt [verweerster] bij Rikilt op het vakgebied voedsel- en diervoederveiligheid van producten van nieuwe biotechnologie. Eerst als onderzoeker, later als projectleider en groepsleider en sinds 2010 als clusterleider/expertisegroepleider van de expertgroep Novel Foods & Agroketens. Het laatst genoten salaris bedraagt € 6.441,00 bruto exclusief 8% vakantietoeslag en 3% eindejaarsuitkering.

2.3.

Sinds november 2014 maakt de expertgroep Novel Foods & Agroketens onderdeel uit van een Business Unit onder leiding van Business Unit Manager [manager] (hierna: [manager] ).

2.4.

Op 11 oktober 2019 ontheft [de heer A] (directeur van Rikilt, hierna: [de heer A] ) [verweerster] met onmiddellijke ingang uit haar taken die zij heeft als expertisegroepleider van en projectleider in de expertisegroep Novel Foods.

2.5.

Bij vonnis van 28 november 2018 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, SWR:

a. veroordeeld om [verweerster] toe te laten tot het verrichten van de bedongen arbeid in de functie van Expertisegroepleider van en projectleider in de Expertisegroep Novel Foods zonder enige beperking, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dan wel gedeelte daarvan dat SWR daarmee in gebreke blijft, met een maximum van

€ 300.000,00;

b. veroordeeld om binnen twee dagen na het vonnis [verweerster] volledig te rehabiliteren middels het laten uitgaan van een verklaring op de werkvloer aan al het personeel alsmede aan alle door SWR over de ontheffing mondeling dan wel schriftelijk geïnformeerde derden (…), zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat SWR daarmee in gebreke blijft, met een maximum van

€ 100.000,00;

c. met onmiddellijke ingang verboden om (…), intern dan wel extern, uitlatingen te doen over het besluit om [verweerster] te ontheffen uit haar functie van expertisegroepleider en projectleider in de expertisegroep Novel Foods, op straffe van een dwangsom (…).

2.6.

In de periode van 20 december 2018 tot medio februari 2019 en 21 februari 2019 tot en met 14 mei 2019 hebben er twee mediationtrajecten gelopen; het eerste tussen [verweerster] en de medewerkers van de expertisegroep Novel Foods en het tweede tussen [verweerster] en [de heer A] .

2.7.

Bij vonnis van 23 juli 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, [verweerster] veroordeeld tot betaling aan SWR van een bedrag van

€ 32.000,00 ter zake van door [verweerster] bij SWR geïncasseerde dwangsommen.

3 Het verzoek

3.1.

SWR verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden primair wegens disfunctioneren in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub d BW en subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub g BW.

3.2.

Aan het verzoek legt SWR het volgende ten grondslag.

Hoewel [verweerster] een expert is in haar vakgebied en zij nationaal en internationaal wordt gerespecteerd vanwege haar wetenschappelijke bijdragen, functioneert [verweerster] onvoldoende op het onderdeel leidinggeven, terwijl in de functie van expertisegroepleider leidinggevende competenties van wezenlijk belang zijn om de functie naar behoren te kunnen uitoefenen. Daar waar mogelijk is de kritiek op het functioneren van [verweerster] met zo concreet mogelijke voorbeelden onderbouwd. [verweerster] heeft vele opleidingen op het gebied van management en leidinggeven gevolgd. Daarnaast heeft [verweerster] een verbetertraject doorlopen en is zij begeleid door een coach. De coaching alsook het verbetertraject heeft echter niet het beoogde effect gehad; [verweerster] heeft haar leiderschapsstijl niet verbeterd. Dit komt voort uit [verweerster] persoonlijkheid. Zij is gedreven, vasthoudend, stellig, overtuigd van haar gelijk en ambitieus. Ze domineert in discussies, luistert niet werkelijk, althans doet onvoldoende met de informatie die de ander aan haar wil overbrengen en wordt omschreven als een muur waartegen gepraat wordt of iemand van wie alles afglijdt en niets raakt. SWR vermoedt dat [verweerster] niet inziet of herkent dat haar stijl van leidinggeven aan een groep van hoogopgeleide wetenschappers en HBO’ers die eigen verantwoordelijkheid kunnen, willen en moeten dragen en die daarvoor de ruimte moeten krijgen op grond van de SWR normen en waarden, niet passend is. Nu [verweerster] niet bereid is gebleken om in overleg op zoek te gaan naar een al dan niet bestaande functie binnen SWR die (op basis van de huidige bevindingen) passend is voor [verweerster] , concludeert SWR dat de arbeidsovereenkomst primair moet worden ontbonden op de d-grond.

Aan haar subsidiaire verzoek legt SWR ten grondslag dat de wijze van leidinggeven door [verweerster] en haar manier van communiceren een sterk negatief effect op het welbevinden van haar teamleden heeft (gehad). Het gedrag van [verweerster] is een patroon gebleken dat samenwerking moeilijk en thans onmogelijk maakt. Inmiddels heeft de voortdurende samenwerking met [verweerster] geleid tot uitval door ziekte van een medewerker. Ook is een aantal medewerkers minder gaan werken vanwege onder meer stressfactoren op het werk. Niet alleen de verhoudingen met de medewerkers van de Expertisegroep Novel Foods, maar ook de verhouding met anderen, is duurzaam verstoord. Zo heeft [manager] zich genoodzaakt gezien om zich geheel terug te trekken als Business Unit Manager van de expertisegroep Novel Foods. Ook [de heer A] heeft moeten constateren dat zijn verhouding met [verweerster] duurzaam is verstoord. [de heer A] heeft geen vertrouwen in [verweerster] als expertisegroepleider en krijgt dat ook niet meer door de houding en het gedrag van [verweerster] . Voor [de heer A] is het op deze wijze met elkaar omgaan onmogelijk geworden. Nu ook de ingezette mediationtrajecten niet tot een oplossing hebben geleid, kan en mag van SWR in redelijkheid niet gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

3.3.

Herplaatsing van [verweerster] in een andere passende functie is niet mogelijk en ligt ook niet in de rede. Voor toekenning van een billijke vergoeding aan [verweerster] bestaat geen aanleiding. SWR heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld jegens [verweerster] , aldus SWR.

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] voert gemotiveerd verweer tegen het ontbindingsverzoek en concludeert primair tot afwijzing daarvan. In het geval dat wordt geoordeeld dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding, dan verzoek [verweerster] de kantonrechter:

subsidiair:

I. aan [verweerster] een transitievergoeding toe te kennen van € 85.794,12 bruto;

II. aan [verweerster] een billijke vergoeding toe te kennen van € 967.993,34 bruto en van

€ 68.000,00 netto;

III. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de voor [verweerster] geldende opzegtermijn zonder aftrek van de proceduretijd;

IV. SWR te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van onder I. en II. vergoedingen tot aan de dag van algehele voldoening;

meer subsidiair:

V. SWR te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ex artikel 7:611 BW van het netto-equivalent van een bedrag van € 967.993,34 bruto te vermeerderen met een bedrag van € 68.000,00 netto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

VI. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de proceduretijd;

VII. SWR te veroordelen tot betaling aan [verweerster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de onder V. genoemde vergoeding tot aan de dag van algehele voldoening;

primair, subsidiair en meer subsidiair:

VIII. SWR te veroordelen in de kosten van de procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.

4.2.

[verweerster] voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

Er is geen sprake van disfunctioneren. Nog los van het feit dat SWR [verweerster] niet, althans niet tijdig, heeft gewezen op vermeend disfunctioneren, is door SWR nooit aan [verweerster] kenbaar gemaakt aan welke competenties of vaardigheden zoals genoemd in het op haar van toepassing zijnde functieprofiel niet voldoet. Pas vooruitlopend op de ontbindingsprocedure heeft SWR [verweerster] schriftelijk geïnformeerd over wat enkele medewerkers concreet vinden van het functioneren van [verweerster] . Toen [verweerster] SWR in vervolg daarop verzocht om gesprekken met deze betrokkenen te faciliteren, heeft SWR dit geweigerd. Voorts heeft SWR nagelaten om [verweerster] in de gelegenheid te stellen haar functioneren te verbeteren door middel van een verbetertraject. Het in september 2016 opgestarte coachingstraject is enkel voortgekomen uit een loopbaangesprek waarin aan [verweerster] kenbaar is gemaakt dat wanneer zij haar ambitie voor een bijzonder hoogleraarschap wenste te verwezenlijken, een verandering van leiderschapsstijl wenselijk was. Dit traject had derhalve niets van doen met disfunctioneren van [verweerster] en kan niet worden aangemerkt als een verbetertraject.

Van een verstoorde arbeidsverhouding is evenmin sprake. Volgens [verweerster] heeft SWR zich niet, althans onvoldoende, ingespannen om de arbeidsverhouding tussen partijen te verbeteren.

SWR heeft weliswaar een mediator ingeschakeld maar dit traject is een schijnvertoning geweest. Er zijn slechts twee gesprekken geweest tussen [verweerster] en een afvaardiging van het team. Individuele gesprekken hebben, ondanks een verzoek daartoe, niet plaatsgevonden. Door aan te sturen op een traag op gang komend mediationtraject heeft SWR niet alleen [verweerster] laten bungelen maar ook de medewerkers van de expertisegroep. SWR heeft [verweerster] tegen de medewerkers uitgespeeld door te vragen om negatieve informatie over [verweerster] , terwijl het juist op de weg van SWR lag om [verweerster] na het vonnis in kort geding van 28 november 2018 op een positieve manier bij haar medewerkers te herintroduceren. Dit heeft SWR nagelaten. SWR heeft door haar handelwijze de verstoring van de arbeidsverhouding welbewust gecreëerd hetgeen niet mag worden beloond met een ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.3.

Indien en voor zover er een grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestaat, dient rekening te worden gehouden met de geldende opzegtermijn, zonder dat daarop de proceduretijd in mindering strekt. In geval van ontbinding verzoekt [verweerster] naast toekenning van de transitievergoeding om toekenning van een billijke vergoeding omdat SWR ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en/of heeft nagelaten.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 BW. Ingevolge artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a, BW gelezen in samenhang met artikel 7:669 lid 1 BW kan de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt.

5.2.

Vaststaat dat geen sprake is van strijd met enig opzegverbod zoals bedoeld in artikel 7:671b lid 2 BW.

5.3.

De wetgever heeft disfunctioneren van de werknemer en een verstoorde arbeidsverhouding als redelijke gronden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst aangemerkt. Dat is bepaald in artikel 7:669 lid 3, aanhef en onder d en g, BW. Het verzoek van SWR strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op die gronden. Van de door SWR aangevoerde gronden moet tenminste één volledig voldragen zijn.

Disfunctioneren

5.4.

In artikel 7:669 lid 1 en lid 3, aanhef en onder d, jo. artikel 7:671b lid 1, aanhef en onder a, BW is omtrent onvoldoende functioneren van een werknemer onder meer bepaald dat de werkgever de werknemer tijdig in kennis heeft gesteld van het disfunctioneren en hem in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren en dat de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer. Gelet op de ingrijpende gevolgen die een ontbinding op grond van disfunctioneren voor een werknemer kan hebben, moet worden aangenomen dat, mede gelet op de eisen van goed werkgeverschap, de werkgever aan de werknemer serieus en reëel gelegenheid tot verbetering moet hebben geboden. De wet bepaalt niet op welke wijze de werkgever de werknemer in de gelegenheid moet hebben gesteld zijn functioneren te verbeteren. Welke hulp, ondersteuning en begeleiding in een concreet geval van de werkgever mag worden verwacht ter verbetering van het functioneren van de werknemer, alsmede op welke wijze een en ander moet worden vastgesteld, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen onder meer een rol spelen de aard, de inhoud en het niveau van de functie, de bij de werknemer aanwezige opleiding en ervaring, de aard en de mate van de ongeschiktheid van de werknemer, de duur van het onvoldoende functioneren vanaf het moment dat de werknemer daarvan op de hoogte is gesteld, de duur van het dienstverband, wat er in het verleden reeds is ondernomen ter verbetering van het functioneren, de mate waarin de werknemer openstaat voor kritiek en zich inzet voor verbetering, en de aard en omvang van het bedrijf van de werkgever (ECLI:NL:HR:2019:933).

5.5.

Hoewel uit de door SWR in het kader van deze procedure bij diverse medewerkers opgehaalde informatie over de leiderschapsstijl van [verweerster] kan worden afgeleid dat de leiderschapsstijl van [verweerster] door SWR en haar medewerkers als onprettig wordt ervaren en zij zich niet kunnen vinden in deze wijze van leidinggeven, is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van disfunctioneren in de zin van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

In dit kader acht de kantonrechter van belang dat gesteld noch gebleken is dat [verweerster] op enig moment voor 11 oktober 2018 duidelijk is gemaakt dat zij op bepaalde onderdelen van haar functioneren dusdanig tekort schoot, dat zij haar functioneren op die concrete punten binnen een kenbare en redelijke termijn diende te verbeteren. Evenmin is duidelijk gemaakt dat het niet verbeteren daarvan gevolgen zou hebben voor het aanblijven van [verweerster] in haar huidige functie. SWR heeft het (dis-)functioneren van [verweerster] ook niet op deugdelijke wijze vastgelegd. Enkel in het enige door [manager] met [verweerster] gevoerde Resultaat- en Ontwikkelgesprek eind 2015, waarvan het verslag bovendien nadien nog, zonder toestemming van [verweerster] , door [manager] ten nadele van [verweerster] is aangepast, is benoemd dat [verweerster] zou moeten werken aan de manier waarop zij leiding geeft. Met dit enkele gesprek heeft SWR niet voldaan aan de op haar rustende verplichting om [verweerster] (tijdig) in kennis te stellen van disfunctioneren.

5.6.

SWR heeft evenmin voldaan aan de op haar rustende verplichting om [verweerster] in de gelegenheid te stellen om haar functioneren te verbeteren. In dit kader acht de kantonrechter van belang dat niet is komen vast te staan dat het in 2016 opgestarte coachingstraject is voortgekomen uit disfunctioneren van [verweerster] . [verweerster] heeft dit ook steeds gemotiveerd weersproken en aangevoerd dat het coachingstraject is voortgekomen uit het loopbaangesprek dat [verweerster] met [de heer A] eerder dat jaar had gevoerd en waarin [verweerster] haar ambitie voor een deeltijdhoogleraarschap had kenbaar gemaakt. Hierop heeft [de heer A] aan [verweerster] aangegeven dat, om die ambitie te kunnen verwezenlijken, een verandering van leiderschapsstijl wenselijk, dan wel noodzakelijk was. Dat SWR dit coachingstraject op enig moment heeft aangeduid als verbetertraject in de huidige functie maakt dit niet anders. Het vertrekpunt van de coaching is niet vastgelegd en aan [verweerster] is niet duidelijk gemaakt dat zij op bepaalde onderdelen van haar functioneren in haar huidige functie tekort schoot en evenmin dat er consequenties zouden zijn indien de verbetering binnen een gestelde termijn zou uitblijven.

SWR heeft daarom niet voldaan aan de eisen van een te doorlopen verbetertraject.

5.7.

Mede gelet op het feit dat [verweerster] al zeer lange tijd werkzaam is bij SWR en binnen haar vakgebied een bijzonder goede reputatie heeft opgebouwd, had van SWR meer zorgvuldigheid mogen worden verwacht. Daarbij komt dat [de heer A] tot 29 november 2018 het traject om [verweerster] voor te dragen voor deeltijdhoogleraarschap op haar vakgebied heeft gesteund, terwijl deze functie, gelet op de daarmee samenhangende begeleiding van AIO’s, ook een functie met leidinggevende taken betreft.

Voorts is van belang dat SWR [verweerster] , ook na het ontheffingsbesluit van 11 oktober 2018 niet, althans onvoldoende, in de gelegenheid heeft gesteld om haar functioneren te verbeteren. Integendeel. SWR heeft het coachingstraject van [verweerster] beëindigd, ondanks dat [verweerster] uitdrukkelijk verzocht om voortzetting daarvan en gebleken is dat het traject op zichzelf positief verliep. Uit diverse verslagen van de coach blijkt dat sprake was van zichtbare verbeteringen in het functioneren van [verweerster] . Vanwege de positieve terugkoppeling van de coach over de eerste fase van het coachingstraject is op 31 maart 2017 besloten het traject voort te zetten. Dat deze positieve ontwikkeling zich heeft voortgezet blijkt verder uit de verklaring van de coach naar aanleiding van verschillende gesprekken in 2018 met drie medewerkers uit de expertisegroep. De coach heeft aangegeven dat deze medewerkers vinden dat [verweerster] is gegroeid in openheid, delegeren en luisteren en dat haar stelligheid fors is afgenomen, terwijl bovendien twee van de drie medewerkers erkennen dat zij zelf ook een rol hebben in de ontstane situatie, omdat zij moeite hebben om [verweerster] aan te spreken op haar gedrag. Dat, zoals [de heer A] ter zitting heeft aangegeven, het vertrouwen in de coach inmiddels weg was vanwege deze – in zijn ogen eenzijdige – verslaglegging is onvoldoende om het beeld dat uit deze verslagen blijkt, volledig anders te laten worden.

5.8.

Al met al is de kantonrechter van oordeel dat de door SWR terzake van het door haar gestelde disfunctioneren van [verweerster] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding opleveren. Het verzoek tot ontbinding op de d-grond slaagt dan ook niet.

Verstoorde arbeidsverhouding

5.9.

SWR voert tevens aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in een verstoorde arbeidsverhouding, die zodanig is dat van SWR als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Uitgangspunt voor de kantonrechter is dat er sprake moet zijn van een ernstige en duurzame verstoring. Verder heeft te gelden dat voor deze ontbindingsgrond niet vereist is dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer. De omstandigheid dat de werkgever van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding een verwijt kan worden gemaakt, staat op zichzelf evenmin aan ontbinding op de g-grond in de weg. Bij de beoordeling of sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als hiervoor bedoeld kan wel de mate waarin de verstoorde arbeidsverhouding aan een partij (of aan beide partijen) verwijtbaar is, wel gewicht in de schaal leggen, maar die omstandigheid behoeft op zichzelf niet doorslaggevend te zijn. Als volgt wordt overwogen.

5.10.

Partijen zijn het er over eens dat de arbeidsrelatie tussen hen verstoord is. Echter, volgens [verweerster] is er geen sprake van een duurzame verstoring omdat SWR zich onvoldoende heeft ingespannen om de arbeidsrelatie te herstellen. De kantonrechter is, anders dan [verweerster] , evenwel van oordeel dat SWR voldoende heeft gemotiveerd dat inmiddels sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat niet van haar kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Daaraan doet niet af of – zoals hiervoor is overwogen - SWR of [verweerster] een verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan of voortbestaan van deze verstoring. Van belang in dit verband is dat [de heer A] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij de relatie met [verweerster] als onherstelbaar beschadigd beschouwt en [verweerster] heeft verklaard dat het voor haar als werknemer moeilijk wordt om te functioneren in haar huidige functie als zij daarvoor van [de heer A] niet de noodzakelijke ruimte krijgt. Ook uit de overgelegde verklaringen van collega’s en de gezamenlijke verklaring van het team volgt dat het vertrouwen in een voortzetting van het dienstverband weg is. Anders dan [verweerster] gaat de kantonrechter er daarbij vanuit dat deze verklaringen uit vrije wil zijn opgemaakt en ook door de betreffende medewerkers zijn ondertekend.

De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de arbeidsrelatie inmiddels onherstelbaar is beschadigd. Dat individuele gesprekken met de medewerkers of een nieuw mediationtraject in dit stadium, na diverse gerechtelijke procedures, de verhoudingen tussen zowel SWR en [verweerster] als [verweerster] en de medewerkers uit de expertisegroep Novel Foods zullen herstellen, acht de kantonrechter, gelet op hetgeen zich sinds 11 oktober 2018 tot heden tussen partijen heeft afgespeeld, niet reëel.

5.11.

Gelet op de aard van de verstoring ziet de kantonrechter geen reden om te oordelen dat herplaatsing van [verweerster] binnen een redelijke termijn in de rede ligt.

5.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen, zodanig dat van SWR in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te laten voortduren. Nu herplaatsing niet in de rede ligt, wordt het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen SWR en [verweerster] dan ook toegewezen op de g-grond.

Transitievergoeding

5.13.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste vierentwintig maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Ingevolge het bepaalde onder lid 7 sub c van dit artikel is geen transitievergoeding verschuldigd indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Gelet op hetgeen hiervoor en ook hierna is overwogen, is daarvan geen sprake. Dit houdt in dat [verweerster] recht heeft op een transitievergoeding.

5.14.

Gelet op de duur van het dienstverband van [verweerster] is de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 2 BW gelijk aan ten hoogste het loon over twaalf maanden indien dat loon hoger is dan het maximaal vastgestelde bedrag van € 79.000,00. [verweerster] heeft aangevoerd dat haar bruto jaarsalaris, inclusief 8% vakantietoeslag en 3% eindejaarsuitkering

€ 85.794,12 bedraagt. Nu SWR de hoogte van het jaarsalaris niet (langer) heeft weersproken is de transitievergoeding gelijk aan dit bedrag en bestaat voldoende grond om dat bedrag toe te wijzen.

Billijke vergoeding

5.15.

De kantonrechter stelt voorop dat op de voet van artikel 7:671b lid 8 aanhef en onderdeel c, BW voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats is indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voorvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier voor. Daarover wordt het volgende overwogen.

5.16.

De arbeidsovereenkomst wordt thans ontbonden wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie die een aanvang heeft genomen met het voor [verweerster] volslagen onverwachte gesprek met [de heer A] op 11 oktober 2018 waarin zij met onmiddellijke ingang van haar taken is ontheven. Het getuigt naar het oordeel van de kantonrechter niet van goed werkgeverschap dat SWR op 11 oktober 2018 – zonder een redelijke en zwaarwegende grond en zonder hoor en wederhoor – [verweerster] op deze wijze uit haar taken heeft ontheven. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft SWR [verweerster] voor deze datum niet, althans onvoldoende, duidelijk gemaakt dat het niet verbeteren van haar stijl van leidinggeven gevolgen zou hebben voor haar eigen functie. Ook na 11 oktober 2018 heeft SWR dit nagelaten en heeft zij het coachingstraject afgebroken en [verweerster] ondanks een verzoek daartoe niet in de gelegenheid gesteld dit te hervatten. SWR heeft voorts onvoldoende weersproken dat zij [verweerster] , ondanks het verzoek daartoe, nooit in de gelegenheid heeft gesteld om eventuele spanningen of problemen met haar collega’s op te lossen. Gesteld noch gebleken is dat [manager] of [de heer A] is ingegaan op de verzoeken van [verweerster] om zaken concreet en bespreekbaar te maken. Dat SWR een teamcoach heeft aangesteld maakt dit niet anders. Deze teamcoach heeft SWR immers aangesteld vlak na 11 oktober 2018 en niet gebleken is dat [verweerster] over de aanleiding van het aanstellen van deze coach is geïnformeerd. Ook het feit dat SWR een wederzijds algeheel communicatieverbod heeft ingesteld van de expertisegroep naar [verweerster] toe en andersom kan haar worden verweten. Niet gebleken is dat SWR dit communicatieverbod na het kort geding vonnis van 28 november 2018 heeft opgeheven. Bovendien heeft SWR [verweerster] niet uitgenodigd voor bepaalde vergaderingen of sterk afgeraden om aan overleggen deel te nemen en werd zij niet, althans onvoldoende, geïnformeerd over zaken die haar expertisegroep aangaan en die zij nodig heeft om haar taken goed te kunnen vervullen. Dit alles heeft een sterk diffamerende werking gehad.

De kantonrechter acht tot slot van belang dat SWR tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat [manager] zonder toestemming en medeweten van [verweerster] aanpassingen heeft gedaan in een tweetal digitaal opgeslagen verslagen van functioneringsgesprekken. Zo is in een van de verslagen toegevoegd dat de manier waarop [verweerster] haar expertisegroep aanstuurde zou moeten veranderen, terwijl dit geen onderwerp van gesprek was geweest. Dit kan SWR worden verweten.

5.17.

Al met al heeft SWR [verweerster] in onvoldoende mate een reële kans geboden het vermeende disfunctioneren te verbeteren en haar kan die kans thans ook niet meer worden geboden omdat – zoals hiervoor is overwogen – de arbeidsverhouding inmiddels dusdanig is beschadigd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Nu SWR op voornoemde punten in gebreke is gebleven, heeft zij – naar het oordeel van de kantonrechter – de verstoring van de arbeidsrelatie zelf in belangrijke mate in de hand gewerkt en is er sprake van de in artikel 7:671b lid 8 sub c BW bedoelde situatie, namelijk dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen c.q. nalaten van de werkgever. Er bestaat dan ook aanleiding aan [verweerster] een billijke vergoeding toe te kennen.

5.18.

Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding stelt de kantonrechter het volgende voorop. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding – naar haar aard – in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013-2014, 33818, nr. 7, pag. 91). Uit de beschikking van de Hoge Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187, New Hairstyle) volgt evenwel dat dit niet hoeft te betekenen dat de gevolgen van het ontslag geen rol mogen spelen bij het vaststellen van de omvang van de billijke vergoeding. Ook met de gevolgen van het ontslag kan namelijk rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Zij kunnen worden betrokken in een vergelijking tussen de situatie zonder de ontbinding (als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever) en de situatie waarin de werknemer zich na de ontbinding bevindt. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Een dergelijke compensatie kan er mede toe strekken om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen, ook al heeft de wetgever aan de billijke vergoeding niet een specifiek punitief karakter willen toekennen. Bij de begroting van de billijke vergoeding komt het aan op alle omstandigheden van het geval, waarbij de rechter in de motivering van zijn oordeel inzicht dient te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid.

5.19.

[verweerster] heeft als uitgangspunt voor de door haar verzochte vergoeding genomen de inkomensschade die zij lijdt doordat de arbeidsovereenkomst eindigt in plaats van dat deze is voortgezet. [verweerster] heeft in dat verband aangevoerd dat wanneer SWR [verweerster] op 11 oktober 2018 niet met onmiddellijke ingang had ontheven uit haar functie en SWR niet de insteek had gehad dat [verweerster] niet kon worden gehandhaafd in haar eigen functie, geen verstoorde arbeidsverhouding was ontstaan. In dat geval had de arbeidsovereenkomst onverminderd voortgeduurd. Gelet op de duur van de arbeidsovereenkomst van [verweerster] , de specifieke expertise van [verweerster] alsook het feit dat partijen reeds bezig waren met de volgende stap, deeltijdhoogleraarschap, lag het niet in de lijn der verwachting dat de arbeidsovereenkomst van [verweerster] voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd zou eindigen. Bij de berekening van de hoogte van de billijke vergoeding houdt [verweerster] er rekening mee dat zij tot haar pensioengerechtigde leeftijd, op 23 april 2032, geen ander inkomen verkrijgt dan het inkomen dat zij verkrijgt uit de wettelijke en bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. In totaal vordert [verweerster] een bedrag van € 967.993,34 bruto in verband met inkomensderving. [verweerster] vordert voorts een bedrag van € 68.000,00 netto, bestaande uit een bedrag van € 35.000,00 inclusief BTW aan advocaatkosten en een bedrag van

€ 33.000,00 aan immateriële schadevergoeding voor de aantasting van haar eer en goede naam respectievelijk imagoschade.

5.20.

SWR heeft aangevoerd dat het niet aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst tot de AOW-leeftijd zou hebben voortgeduurd. Volgens SWR zou de ontstane situatie, indien [verweerster] de gelegenheid zou hebben gehad met haar groepsleden te praten, er alsnog toe hebben geleid dat zij een ontbindingsverzoek zou hebben ingediend Het bedrag aan misgelopen inkomsten en pensioenschade bedraagt in dat geval hooguit € 3.222,53 bruto. Bij de berekening van de billijke vergoeding heeft [verweerster] ten onrechte geen rekening gehouden met de inkomsten die zij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven. Volgens SWR blijkt uit niets dat een lange periode van werkloosheid valt te verwachten. Verder heeft [verweerster] geen rekening gehouden met de te ontvangen transitievergoeding en is onduidelijk hoe het bedrag van € 33.000,00 bij wijze van immateriële schadevergoeding tot stand is gekomen. Volgens SWR heeft zij [verweerster] zonder enige beperking toegelaten tot het verrichten van haar werkzaamheden en is aan direct betrokkenen medegedeeld dat [verweerster] ten onrechte uit haar functie was ontheven. Tot slot voert SWR aan dat [verweerster] geen recht heeft op de werkelijke advocaatkosten, nog daargelaten dat deze kosten niet zijn gespecificeerd, aldus SWR.

5.21.

De kantonrechter overweegt het volgende.

[verweerster] heeft de compensatie voor het handelen van SWR en haar (nog te lijden) inkomensschade becijferd op een bedrag van in totaal € 967.993,34 bruto en een bedrag van € 68.000,00 netto. [verweerster] is er daarbij vanuit gegaan dat zij tot aan de pensioengerechtigde leeftijd geen andere baan zal vinden en als gevolg van een (bovenwettelijke) WW-uitkering een lager inkomen zal hebben. De kantonrechter overweegt in dit verband dat de positie van [verweerster] op de arbeidsmarkt, gelet op haar leeftijd, opleidingsniveau en ervaring, niet zo kwetsbaar voorkomt als door haar is geschetst.

Dat neemt echter niet weg dat het niet gemakkelijk zal zijn voor [verweerster] om een nieuwe functie op hetzelfde niveau en met een gelijkwaardig salaris te vinden. Hierbij wordt ook betrokken dat een deeltijdhoogleraarschap van [verweerster] (tot 28 november 2018) een serieuze optie was , hetgeen tot een verbetering van de arbeidsvoorwaarden van [verweerster] zou hebben geleid. [verweerster] heeft weliswaar een uitgebreid cv, doch zij heeft haar kennis en ervaring enkel binnen SWR ontwikkeld. Daarbij komt dat de specialisatie van [verweerster] zich heeft beperkt tot het vakgebied voedsel- en diervoederveiligheid van producten van nieuwe biotechnologie, terwijl onweersproken is dat SWR in Nederland het enige instituut is dat zich bezighoudt met het vakgebied van [verweerster] . Een daadwerkelijk gelijkwaardige functie zal [verweerster] enkel kunnen vinden in het buitenland. Het moet reëel worden geacht dat [verweerster] in een (enigszins) lagere functie terecht zal komen en dus ook een lager salaris zal ontvangen. Dit betekent dat [verweerster] hoogstwaarschijnlijk geconfronteerd zal worden met enige inkomensdaling, ook omdat, gelet op het voorgaande, het denkbaar is dat [verweerster] niet direct aansluitend aan de ontbindingsdatum een nieuwe werkkring zal vinden. Daarbij is van belang dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor [verweerster] een einde aan een zeer lange internationale carrière betekent, terwijl het netwerk van [verweerster] , inclusief de betrokken ministeries en internationale platforms die zij van advies voorziet, (nog) niet op de hoogte zijn van het eindigen van de arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter acht het echter, gelet op de stellingen die door partijen zijn ingenomen, ook niet reëel dat de arbeidsovereenkomst nog geruime tijd zou hebben voortgeduurd, mede gelet op de kritiek die op het functioneren van [verweerster] , zowel vanuit haar leidinggevende als vanuit haar team. Er is sprake van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding waarin mediationtrajecten niet tot enig resultaat hebben geleid. Niet ondenkbaar is derhalve dat de arbeidsovereenkomst op enig moment in de nabije toekomst zou zijn geëindigd. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [verweerster] bovendien recht op een transitievergoeding. Bij de vergelijking tussen de situatie zonder de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de situatie waarin [verweerster] zich thans bevindt, wordt ook deze vergoeding betrokken. Bij de berekening van de billijke vergoeding worden niet de door [verweerster] gemaakte advocaatkosten betrokken nu [verweerster] heeft nagelaten haar verzoek op dit onderdeel te voorzien van een deugdelijke onderbouwing. Datzelfde geldt voor de verzochte immateriële schadevergoeding.

5.22.

Gelet op de hiervoor genoemde gezichtspunten komt het de kantonrechter al met al redelijk voor dat aan [verweerster] een billijke vergoeding van € 100.000,00 bruto wordt toegekend. Andere omstandigheden die zouden moeten leiden tot een hogere dan wel lagere billijke vergoeding zijn niet gesteld of gebleken.

5.23.

Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, terwijl sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van SWR, wordt het einde van de arbeidsovereenkomst, met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 sub a juncto artikel 7:672 lid 2 BW, bepaald op 1 april 2020.

5.24.

Gezien het feit dat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden die door SWR niet is aangeboden, zal SWR gelet op artikel 7:686a lid 6 BW en het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1812) in de gelegenheid worden gesteld om binnen een week na de datum van deze uitspraak het verzoek in te trekken.

5.25.

De wettelijke rente over de transitievergoeding is op grond van artikel 7:686a lid 1 BW toewijsbaar vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen. De wettelijke rente over de billijke vergoeding is toewijsbaar vanaf twee weken na de datum van deze beschikking.

5.26.

Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking meer.

5.27.

SWR zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De kantonrechter,

6.1.

bepaalt dat SWR het verzoek tot en met 8 november 2019 kan intrekken, door schriftelijke mededeling aan de griffier onder toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

in het geval SWR van voormelde bevoegdheid gebruikt maakt:

6.2.

veroordeelt SWR in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 961,00 aan salaris voor de gemachtigde;

in het geval SWR van voormelde bevoegdheid geen gebruik maakt:

6.3.

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2020;

6.4.

veroordeelt SWR tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van € 85.794,12 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf een maand na de ontbindingsdatum tot aan de dag van algehele voldoening;

6.5.

veroordeelt SWR tot betaling aan [verweerster] van een bedrag van € 100.000,00 bruto aan billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf twee weken na de datum van deze beschikking tot aan de dag van algehele voldoening;

6.6.

veroordeelt SWR in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 961,00 aan salaris voor de gemachtigde;

6.7.

verklaart deze beschikking voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

6.8.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2019 .

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.