[eiser] heeft gevorderd de veroordeling van [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad:
I. om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.140,19 + PM zijnde het (achterstallige) bruto salaris over de maanden september, oktober, november, december 2016, alsmede januari 2017, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.
II. om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging over de onder I. genoemde bedragen als bedoeld in – naar de kantonrechter begrijpt – artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (“BW”).
III. om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente vanaf het moment van respectievelijke opeisbaarheid van de onder I. en II. genoemde vorderingen, dit tot aan de dag der algehele voldoening.
IV. om aan [eiser] te betalen het [eiser] toekomende bruto maandloon, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten vanaf 1 februari 2017, totdat dit dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid van elke salaristermijn tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de wettelijke verhoging ex – naar de kantonrechter begrijpt – artikel 7:625 BW.
V. in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de daarmee verband houdende nakosten.