3 Het geschil
3.1.
Baudet c.s. vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Vpro te veroordelen:
a. om op de voorpagina van haar website duidelijk zichtbaar de navolgende tekst te plaatsen en geplaatst te houden:
“RECTIFICATIE op last van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland:
In de uitzending van 23 februari 2020 heeft onze presentatrice de uitlatingen van de heer Thierry Baudet in de Tweede Kamer onjuist geparafraseerd. De presentatrice stelde dat Baudet in de Tweede Kamer gezegd zou hebben “dat de EU een vooropgezet plan heeft om het blanke Europese ras te vervangen door Afrikaanse immigranten”. In werkelijkheid heeft Baudet geen van deze woorden in zijn mond genomen, en juist uitdrukkelijk afstand genomen van elke vorm van discriminatie of racisme.”
om via Twitter het volgende bericht te plaatsen en geplaatst te houden met het account van Buitenhof:
“RECTIFICATIE op last van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland:
in de uitzending d.d. 23 februari 2020 zijn uitlatingen van @theirrybaudet onjuist geparafraseerd, waardoor hij ten onrechte is neergezet als racist. In werkelijkheid nam hij juist explciet afstand van elke vorm van rascisme en discriminatie op welke grond dan ook [link naar rectificatie website].”
om in de eerstvolgende uitzending na het vonnis in deze zaak de volgende tekst uit te spreken bij aanvang van het programma:
“Wij beginnen deze uitzending met een rectificatie op last van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland. Tijdens de uitznding van 23 februari 2020 is door onze presentatrice ten onrechte gezegd dat de heer Baudet tijdens een debat in de Tweede Kamer zou hebben gezegd dat de EU een vooropgezet plan heeft om het blanke Europese ras te vervangen door Afrikaanse immigranten. In werkelijkheid heeft Baudet deze uitspraak niet gedaan en nam hij tijdens het debat zelfs uitdrukkelijk afstand van elke vorm van discriminatie op basis van afkomst of welke andere grond dan ook.”
althans een rectificatie in goede orde te bepalen, onder gelijktijdig afschrift aan de advocaat van Baudet c.s., op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,-- per dag, een gedeelte van een dag voor een hele dag gerekend, dat Vpro in gebreke zal zijn om aan de veroordeling te voldoen, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te treffen voorziening,
tot betaling van de proceskosten.
3.2.
Ter onderbouwing van zijn vordering stelt Baudet c.s. het volgende. Vpro heeft Baudet c.s. in het onder 2.7 bedoelde programma ten onrechte weggezet als een persoon respectievelijk een politieke partij die er racistische denkbeelden op nahoudt. Dit is niet alleen schokkend, kwetsend en diffamerend maar ook onrechtmatig jegens Baudet c.s. Er wordt bewust karaktermoord op Baudet gepleegd, aangezien de drie sleutel-/kernwoorden ‘blank’, ‘ras’ en ‘vervanging’ niet door Baudet in het debat van 18 februari 2020 in de Tweede Kamer zijn gezegd. Dat Vpro onrechtmatig jegens Baudet c.s. heeft gehandeld volgt ook uit de omstandigheid dat Baudet niet om wederhoor is gevraagd voordat de Vpro háár gedachte op de nationale televisie uitsprak. Ook aan diverse overige gedrags- en beleidsregels van de NPO-code en de Leidraad van de Raad van de Journalistiek heeft Vpro zich niet gehouden.
3.3.
Vpro voert verweer met conclusie tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van Baudet c.s. in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
Gelet op de aard van de vorderingen heeft Baudet c.s. een voldoende spoedeisend belang om in zijn vorderingen in kort geding te worden ontvangen.
4.2.
In deze zaak gaat het om de botsing van het aan de zijde van Baudet c.s. aanwezige recht op eerbiediging van de goede naam en aan de zijde van Vpro het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 lid 1 EVRM). Anders dan Vpro heeft betoogd is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep van Baudet c.s. op bescherming van de goede naam niet enkel moet worden beoordeeld in het kader van de in artikel 10 lid 2 EVRM gegeven beperkingsclausule op de vrijheid van meningsuiting. De beoordeling van dat door Baudet c.s. gedane beroep dient ook te geschieden in het kader van het recht op eerbiediging van de goede naam als bedoeld in artikel 8 EVRM. . Baudet c.s. heeft namelijk voldoende gemotiveerd gesteld dat de onder 2.8 genoemde uitlating in het televisieprogramma hem zodanig persoonlijk heeft geraakt dat daardoor ook een belemmering is ontstaan van het genot van de door art. 8 EVRM gewaarborgde rechten.
4.3.
Het antwoord op de vraag welk van de hiervoor genoemde fundamentele rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Bij deze afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het door artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM gewaarborgde recht. Voor de door artikel 7 Gw en artikel 10 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. Dit brengt met zich dat het hier niet gaat om een in twee fasen te verrichten toetsing (aldus dat eerst aan de hand van de omstandigheden moet worden bepaald welk van beide rechten zwaarder weegt, waarna vervolgens nog moet worden beoordeeld of de noodzakelijkheidstoets als neergelegd in artikel 8 lid 2 respectievelijk 10 lid 2 EVRM zich verzet tegen het resultaat van die afweging), maar dat deze toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het desbetreffende lid 2 (zie HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB3210 [naam] / [naam] ; HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230, Endemol en SBS/A).
4.4.
Welk van de beide genoemde wederzijdse belangen in het concrete geval zwaarder weegt, hangt zoals gezegd af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij is onder meer relevant (i) de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben, (ii) de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, (iii) de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie, (iv) de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, (v) het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en (vi) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Genoemde omstandigheden wegen niet allen even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht daaraan moet worden gehecht, hangt af van het concrete geval.
4.5.
In het programma Buitenhof van 23 februari 2020 heeft de presentatrice een door Baudet in de Tweede Kamer gedane uitlating ter becommentariëring aan de heer Otten voorgelegd. De wijze waarop zij dat gedaan heeft is, gelet op de door haar gebezigde woorden, door de uitlating van Baudet te parafraseren. Anders dan Baudet c.s. in zijn pleitnotitie (onder randnummer 4) stelt, heeft de presentatrice bij het voorleggen van de uitspraak van Baudet aan Otten ook niet gezegd Baudet te citeren. Dat het om een citaat zou gaan, blijkt bovendien evenmin uit de non-verbale aspecten van haar presentatie (gezien de ter zitting getoonde beelden van het Buitenhof). De omstandigheid dat Baudet c.s. in zijn pleitnotitie anders betoogt en uitvoerig ingaat op het verschil tussen een citaat en een parafrase maakt dit niet anders. Dit geldt te meer nu Baudet c.s. in zijn dagvaarding (onder de randnummers 21, 23 en 24) en in zijn vorderingen er ook van uitgaat dat sprake is van een parafrase. In twee van de drie door Baudet c.s. gevorderde rectificaties wordt gesproken over het door de presentatrice onjuist parafraseren van de woorden van Baudet.
4.6.
Ziet het citeren op het letterlijk weergeven van datgene wat er gezegd is, het parafraseren ziet op het in eigen bewoordingen weergeven van de inhoud van hetgeen er gezegd is. Bij een parafrase heeft degene die parafraseert dus meer vrijheid. Maar ook de parafrase moet (in voldoende mate) inhoudelijk recht doen aan hetgeen wat gezegd is. Dit laatste geldt sterker indien men weet of moet weten dat hetgeen dat men parafraseert (maatschappelijk) gevoelig ligt en dat bij een onjuiste parafrasering dit mogelijk schadelijke gevolgen kan hebben voor degene die wordt geparafraseerd.
4.7.
Bij de beoordeling van de vraag of door de presentatrice van Buitenhof juist geparafraseerd is, wordt vooropgesteld dat de presentatrice in de uitzending zelf stelt dat de parafrase ziet op hetgeen Baudet op 18 februari 2020 in de Tweede Kamer gezegd heeft. Dat de parafrase ook ziet, zoals door Vpro in haar reactie van 23 februari 2020 (zie 2.9 en 2.10) en in deze procedure heeft gesteld, op eerdere door Baudet gedane uitspraken is in de uitzending niet meegedeeld. Voor de beoordeling of er (in voldoende mate) juist geparafraseerd is, zal dan ook alleen gekeken worden naar wat Baudet op 18 februari 2020 in de Tweede Kamer gezegd heeft.
4.8.
Hetgeen de presentatrice parafraserend in de uitzending van 23 februari 2020 over de uitspraken van Baudet gedaan op 18 februari 2020 stelt is tot op zekere hoogte juist. Baudet heeft met zijn uitspraken in het debat opzien gebaard. Het debat vond plaats in de Tweede Kamer. Het ging (ook) over Afrikaanse immigranten en Baudet heeft het gehad over een vooropgezet plan van de Europese Unie, waarbij de Europese Unie eigenlijk een soort immigratiemachine is gebleken. Baudet zei daarover (geparafraseerd weergegeven) dat de Europese Unie via een pendeldienst, oftewel het opzetten van veerdiensten, immigranten vanuit Afrika overzet naar Europa om de nationale identiteit te verzwakken zodat er geen nationale staten meer zullen zijn. De Europese Unie is volgens Baudet gewoon een politiek project om de bevolkingen van Europa tot één amalgaam te maken. Baudet heeft de woorden ‘blank’, ‘ras’ en ‘vervanging’ tijdens het debat van 18 februari 2020 niet genoemd. Dit laatste maakt dat de parafrase in zoverre toch als gebrekkig moet worden beoordeeld. De drie woorden ‘blank’, ‘ras’ en ‘vervanging’ - zeker in de door de presentatrice gegeven context - hebben een bijzonder (negatief) gewicht. Het bijzondere gewicht van deze woorden blijkt ook uit hetgeen Jetten in het debat meedeelde toen Jetten (wel) het woord blank gebruikte (zie het voorlaatste tekstblok onder 4.6) en de reactie van minister De Jonge. Anders dan Baudet c.s. heeft betoogd, betekent dit overigens niet dat in het programma Buitenhof Baudet een racist is genoemd of is neergezet als racist of dat FvD een racistische partij is genoemd.
4.9.
Weinig tot geen betekenis wordt toegekend aan het verweer van Vpro dat de presentatrice de in het geding zijnde parafrasering heeft uitgesproken in een live-uitzending. De aan Otten voorgelegde uitspraak van Baudet kwam namelijk niet voort uit een reeds begonnen gesprek/interview waarbij de presentatrice (in het vuur van het debat) deze uitspraak aanhaalde. Uit het ook ter zitting getoonde televisiefragment komt geen ander beeld naar voren dan dat sprake was van een vooraf bedachte en op papier vastgelegde openingsvraag. Het was voor Vpro dus heel goed mogelijk om voor de uitzending de vraag op inhoudelijke juistheid te hebben getoetst.
4.10.
Toch leidt het voorgaande (4.8 en 4.9) niet tot het oordeel dat Vpro onrechtmatig jegens Baudet c.s. heeft gehandeld. Zoals onder 4.3 al is gesteld, moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval. In dat kader is ook het volgende van belang.
4.11.
Baudet is een bekende politicus die zich reeds jaar en dag actief mengt in het politieke en maatschappelijke debat. Dit betekent dat hij zich meer moet laten welgevallen dan een niet-publiek figuur. Bovendien kan hetgeen de presentatrice ter becommentariëring aan Otten heeft voorgelegd worden aangemerkt als een bijdrage aan het publieke debat. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens is de noodzaak voor het inperken van het recht op vrijheid van meningsuiting dan minder groot.
4.12.
Verder geldt dat Vpro ter zitting uitvoerig is ingegaan op de door Baudet in 2015 en 2017 gedane uitspraken (zie 2.3-2.5). Vpro heeft deze uitspraken gemotiveerd gekoppeld aan de in de Tweede Kamer gedane uitspraken (zie 2.6 en 4.8). In dat kader heeft Vpro Baudet ook voorgehouden dat hij zijn uitspraken over een dominant blank Europa nooit heeft teruggenomen en dat het dan opmerkelijk is dat de presentatrice nu niet het woord blank zou mogen gebruiken. Baudet c.s. heeft daar op gereageerd door te stellen dat Vpro een rook- en stofgordijn optrekt door er zaken van 5 jaar geleden of ouder bij te halen en dat Baudet straks nog wordt geconfronteerd met een mededeling die hij op de peuterspeelzaal heeft gedaan. Vpro dient, aldus Baudet c.s., naar haar eigen gedagscode te kijken. Baudet c.s. stelt verder dat er geen ruimte is voor een politiek debat in dit kort geding en dat het uitsluitend gaat om de uitzending van 23 februari 2020 en niet om de door Vpro in haar conclusie van antwoord en pleitnotitie genoemde vele arresten. Volgens Baudet c.s. moet de verspreiding van het gif voor de democratie, namelijk de karaktermoord op Baudet, worden gestopt.
4.13.
Baudet c.s. gaat in voormelde reactie op het betoog van Vpro inhoudelijk geheel voorbij aan het feit dat Baudet zich eerder heeft uitgelaten over onder meer een blank en dominant Europa. In plaats van een inhoudelijke reactie te geven op het standpunt van Vpro heeft Baudet c.s. er voor gekozen om enkel te verwijzen naar de ouderdom van de aangehaalde uitlatingen. De door Vpro genoemde uitspraken zijn 2½ jaar tot 4½ jaar geleden gedaan. Dat is niet zodanig lang geleden, dat daaraan bij de beoordeling van de vorderingen van Baudet c.s. geen betekenis toe kan komen. Bovendien heeft Baudet het standpunt van Vpro dat Baudet nog steeds achter deze uitspraken staat, ter zitting onweersproken gelaten. Een en ander is van belang, omdat bij de beoordeling of de door Baudet c.s. ingeroepen beperking van de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk is in een democratische samenleving ook gekeken mag worden naar eerdere uitspraken van Baudet (EHRM 17 januari 2017, nr. 59138/10, rov 46, Zybertowicz/Polen).
4.14.
In dat kader van die eerdere uitspraken is ook van belang dat Baudet in het gesprek met Filemon Wesseling de ene keer wel een onderscheid maakt tussen blank, etniciteit en cultuur, maar dat hij dat de andere keer niet doet of niet lijkt te doen (hoofdzakelijk of dominant blank dus geen etnische minderheid). Dat onderscheid volgt ook niet uit zijn eerder gedane uitlating dat hij niet wil dat Europa Afrikaniseert en dat hij graag wil dat Europa dominant blank en cultureel blijft zoals het is. Aangezien Baudet in de Tweede Kamer heeft gesproken over het door de Europese Unie opzetten van veerdiensten waarmee immigranten vanuit Afrika worden overgezet naar Europa om de nationale identiteit te verzwakken zodat er geen nationale staten meer zullen zijn, kan bij de beoordeling van het geschil niet voorbij gegaan worden aan zijn eerdere uitspraken. Dit wordt niet anders als het programma Buitenhof als een serieus journalistiek programma wordt aangemerkt - waardoor gezag toekomt aan hetgeen de presentatrice stelt - en de parafrase in de uitzending als gebrekkig moet worden beoordeeld (zie 4.8). In het licht van het voorgaande en hetgeen hierna over de rectificatie onder 4.21 wordt overwogen, is er ook geen aanleiding om Baudet c.s. te volgen in zijn standpunt dat Vpro een vooropgezet doel had om karaktermoord op Baudet c.s. te plegen.
4.15.
Baudet c.s. stelt dat de onrechtmatigheid van de handelwijze van Vpro ook ligt in de omstandigheid dat Vpro zich niet zou hebben gehouden aan diverse gedrags- en beleidsregels van de NPO-code en de Leidraad van de Raad van de Journalistiek. Anders dan Baudet c.s. lijkt te betogen levert een schending daarvan niet zonder meer een onrechtmatig handelen van Vpro op. Het is (niet meer en niet minder dan) een van de omstandigheden die een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of de door Baudet c.s. ingeroepen beperking van de vrijheid van meningsuiting noodzakelijk is in een democratische samenleving.
4.16.
Een van deze gedrags- en beleidsregels is het door Baudet c.s. gestelde recht op wederhoor. Anders dan Baudet c.s. lijkt te veronderstellen is er geen absoluut recht op wederhoor. Bovendien is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval, waarbij aan iemand slechts een reactie wordt gevraagd over een standpunt van een ander, er helemaal geen wederhoor (bij die ander) hoeft plaats te vinden. Ook de door Baudet c.s. gestelde schending van de genoemde code en leidraad, betreffende de verplichting tot snelle en passende rectificatie bij het blijken van onjuistheden of (verwijtbaar) onvolledig zijn, treft geen doel. Vpro heeft immers kort na de uitzending van Buitenhof de onder 2.10 genoemde tekst van het verslag van de beraadslagingen in de Tweede Kamer op haar website gepubliceerd, waaruit kenbaar was wat de letterlijke woorden van Baudet waren die de presentatrice van Buitenhof parafraseerde. Dat Vpro heeft geweigerd de gevorderde rectificatie te geven, baat Baudet c.s. niet, omdat Vpro daartoe (gezien alles wat hiervoor is overwogen) niet gehouden was.
4.17.
Op grond van de onder 4.2 en 4.3 bedoelde belangenafweging is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door de presentatrice gedane uitlating in het programma Buitenhof van 23 februari 2020 niet onrechtmatig jegens Baudet c.s. is. Doorslaggevend is daarbij geweest, zoals hiervoor nader uiteengezet is, dat Baudet een publieke figuur is die actief deelneemt aan het publieke (politieke) debat, dat de presentatrice met haar openingsvraag aan Otten een bijdrage heeft willen leveren aan dat publieke debat, dat die vraag niet los kan worden gezien van eerdere door Baudet gedane uitspraken, dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat sprake is van een vooropgezet doel om karaktermoord te plegen op Baudet c.s., dat Vpro Baudet niet heeft weggezet als racist en dat Baudet c.s. niet vooraf om een reactie had moeten worden gevraagd. Verder geldt dat de door Baudet c.s. gestelde negatieve gevolgen onvoldoende zijn onderbouwd (zie hierna onder 4.19).
4.18.
Ook als wordt aangenomen dat de in de uitzending door de presentatrice gedane uitlating wel onrechtmatig tegenover Baudet c.s. is, betekent dit nog niet zonder meer dat de gevorderde rectifcaties ook toewijsbaar zouden zijn geweest. In de gevorderde rectificaties genoemd onder 3.1.a en 3.1.c. staat dat Baudet niet gezegd zou hebben dat hij denkt ‘dat de EU een vooropgezet plan heeft om het blanke Europese ras te vervangen door Afrikaanse immigranten’, maar dat is slechts ten dele juist. Baudet heeft de woorden ‘blank’, ‘ras’ en ‘vervanging’ niet gebruikt, maar de overige woorden zijn wel door Baudet uitgesproken. Verder geldt voor de onder 3.1.b. genoemde rectificatie dat gemeld wordt dat Baudet ten onrechte is neergezet als racist, maar zoals onder 4.8 reeds is overwogen heeft het programma Buitenhof Baudet niet neergezet als racist.
4.19.
Baudet c.s. stelt verder (ernstig) schade te hebben geleden en nog steeds te lijden door de door de presentatrice gedane uitlatingen en ook spoedeisend belang te hebben bij rectificatie. Ter onderbouwing van de door hem gestelde impact (schade) van deze berichtgeving wordt in de dagvaarding uitdrukkelijk verwezen naar de in productie 4 genoemde publicaties in de media (Algemeen Dagblad, 2x NRC, Telegraaf, Volkskrant). Deze vijf publicaties zijn echter niet geschreven naar aanleiding van de door de presentatrice gedane uitlatingen, maar zien allemaal op de situatie die is ontstaan nadat Baudet c.s. publiekelijk Vpro gevraagd heeft om tot rectificatie over te gaan en Vpro dit weigerde.
4.20.
Voor zover de gevorderde rectificatie ziet op het inlichten van het publiek over het juiste standpunt van Baudet c.s. en dus het opheffen van het negatieve effect van de uitzending van Buitenhof van 23 februari 2020, is dat al voor een groot deel gerealiseerd door de eigen gezochte publiciteit en de diverse publicaties die zijn verschenen nadat Vpro weigerde te rectificeren en dit kort geding is aangekondigd. Aannemelijk is dat er inmiddels meer mensen kennis hebben genomen van de ná de uitzending ontstane publiciteit (en daarmee ook van het standpunt van Baudet c.s. zelf), dan er kijkers waren die de uitzending van Buitenhof van 23 februari 2020 hebben gezien. Het aantal kijkers van het programma Buitenhof van 23 februari 2020 dat niet op de hoogte is van deze media-aandacht (en daarmee ook van het standpunt van Baudet c.s. zelf) wordt dan ook (zeer) klein geacht.
4.21.
Ten slotte mag bij de beoordeling van de vraag of er voldoende grond is om tot rectificatie over te gaan, niet voorbij worden gegaan aan de omstandigheid dat Vpro, naar aanleiding van de door Baudet c.s. gedane verzoeken tot rectificatie, al op 23 februari 2020 op haar website de achtergrond heeft geschetst van de door de presentatrice gestelde vraag en daarbij tevens de uitspraken van Baudet heeft geciteerd waarop haar vraag aan Otten was gebaseerd. Daarbij wordt ook met een link verwezen naar de volledige transcriptie van het bewuste kamerdebat. Deze internetpagina is nog steeds op de website van Vpro te raadplegen. Het deels gebrekkige karakter van de in geding zijnde parafrase is daarmee verholpen.
4.22.
De slotsom is dat de vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen.
4.23.
Baudet c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Vpro worden (zonder de nakosten) begroot op:
- griffierecht € 656,00
- salaris advocaat 980,00
Totaal € 1.636,00