RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11042535 \ MV EXPL 24-49 RD/960
Vonnis in kort geding van 31 mei 2024
[eiseres]
,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. R.K. Torn,
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M.C.J. Batenburg-van Rijswijk.
Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.
2 De beoordeling
2.1.
[gedaagde] heeft [eiseres] op 8 april 2024 naar huis gestuurd. [eiseres] wil haar gewone werk weer oppakken. [gedaagde] vindt dit niet meer verantwoord. Zij stelt dat [eiseres] door ernstig verwijtbaar gedrag gezorgd heeft dat er geen vertrouwen meer in haar loyaliteit en professionaliteit is. De rechter is het met [eiseres] eens dat er geen reden is haar de toegang tot het werk nog langer te ontzeggen. De vordering tot wedertewerkstelling zal daarom worden toegewezen. Dat geldt niet voor de andere vorderingen.
2.2.
[gedaagde] is een e-commercebedrijf in wijn, koffie en diervoeding. In haar werk als [functienaam 1] houdt [eiseres] zich vooral bezig met de online wijnhandel van [C] en [D] . Daarvoor is zij operationeel en tactisch verantwoordelijk. Zij geeft daarbij leiding aan twee medewerkers. [A] is de leidinggevende van [eiseres] . De heer [E] is Chief Commercial Officer.
2.3.
Door haar functie had [eiseres] intensief contact met [C] (hierna: [C] ), zowel telefonisch als op kantoor waar [C] regelmatig langskwam. Op
22 januari 2024 is een reorganisatie binnen [gedaagde] aangekondigd. Op 2 februari 2024 ontving [A] een e-mail van [C] . Daarin schreef ze het volgende:
”En wanneer gaan jullie de ontslagen bekend maken? Ik heb begrepen dat iedereen weer in grote onzekerheid en bloedchagrijnig het weekend in is gegaan. Dit kan toch niet veel langer voortduren zo?”
2.4.
Dat [C] op de hoogte bleek te zijn van de reorganisatie vond [gedaagde] volstrekt ongewenst, omdat de onderhandelingen met haar over de voortzetting van de samenwerking in volle gang waren en [C] door tegenvallende resultaten al eens had gezegd te willen gaan stoppen met [gedaagde] . [gedaagde] was bang dat [C] & [D] de informatie over de reorganisatie strategisch zouden gaan inzetten of dat de informatie voor verstoring van het zakelijk contact zou zorgen.
2.5.
[A] heeft toen gebeld met [eiseres] en vroeg haar of ze contact had gehad met [C] over de situatie bij [gedaagde] . [eiseres] heeft gezegd dat [C] uit zichzelf over de reorganisatie begon en haar vroeg hoe het met haar ging. [eiseres] heeft daarop toen geantwoord dat ze het een spannende periode vond. In vervolg hierop vonden zes gesprekken plaats tussen [eiseres] en [gedaagde] . Volgens [gedaagde] kon het niet anders dan dat [eiseres] [C] had ingelicht en ze hoopte in de gesprekken met [eiseres] commitment van [eiseres] te krijgen dat ze niet meer uit de school zou klappen tegen externe partijen. Maar [eiseres] bleef bij haar standpunt dat zij [C] niet had ingelicht over de situatie bij [gedaagde] en vond dat wat ze wel had gezegd (dat het een spannende periode was) ze ook mocht zeggen. [C] wist namelijk al van de reorganisatie en ze was enkel open en transparant geweest over de persoonlijke invloed die het had op haar.
2.6.
Volgens [gedaagde] verslechterde de situatie tussen partijen steeds verder doordat [eiseres] , zoals [gedaagde] zelf zegt, zich ‘de mond richting derden niet laat snoeren’, zich niet houdt aan het geheimhoudingsbeding dat in de arbeidsovereenkomst staat en zich niet opstelt als een loyaal werknemer waarop [gedaagde] kan vertrouwen. Tegelijkertijd speelden de onderhandelingen tussen [gedaagde] en [C] & [D] . Omwille van (a) bescherming van het bedrijfsdebiet, (b) herstel van de broze relatie met [C] en (c) meer betrokkenheid van de directie van [gedaagde] nam [gedaagde] het besluit [eiseres] niet meer toe te laten tot haar gebruikelijke werkzaamheden. Het partnership van [C] & [D] werd daarom op een hoger niveau getild door dit onder te brengen bij [E] . De functie van [eiseres] bestond volgens [gedaagde] daardoor niet langer in de oorspronkelijke vorm. Aan [eiseres] zijn daarom op 8 april 2024 andere werkzaamheden aangeboden tegen een gelijkblijvend loon. Dit betroffen werkzaamheden waarbij zij geen intensief contact meer zou hebben met derden en geen leiding meer zou geven. [eiseres] is niet op dit aanbod ingegaan. [gedaagde] heeft [eiseres] op 8 april 2024 naar huis gestuurd.
2.7.
Contact tussen partijen hierna leidde niet tot een oplossing. Daarbij was er ook een nieuw discussiepunt bijgekomen. [eiseres] wilde graag de RI&E ontvangen. Maar deze werden aan haar niet toegezonden, omdat deze niet aanwezig waren.
2.8.
[gedaagde] heeft een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend bij deze rechtbank, locatie Utrecht. De mondelinge behandeling van dit verzoek is bepaald op 4 juni 2024.
2.9.
[eiseres] vordert (kort gezegd) om bij wege van voorlopige voorziening en uitvoerbaar bij voorraad:
-
[gedaagde] te veroordelen om de non-actiefstelling op te heffen en haar weer toe te laten om haar werkzaamheden als [functienaam 1] uit te oefenen (waaronder in ieder geval het weer leiding geven aan het partnership team en het weer contact hebben met externe partners, waaronder [C] ), op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag dat [gedaagde] , nadat twee dagen na betekening van dit vonnis zijn verstreken, in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;
-
[gedaagde] te veroordelen om binnen een maand na dit vonnis te voldoen aan haar verplichtingen uit hoofde van artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag dat [gedaagde] , nadat twee dagen na betekening van dit vonnis zijn verstreken, in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
-
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten van de procedure en de nakosten.
Het spoedeisend belang
2.10.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [eiseres] op dit moment bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Het bestaan van een spoedeisend belang moet per vordering beoordeeld worden.
2.11.
Los van de vraag of zij bevoegd is om op dit punt inhoudelijk te beslissen, is de rechter van oordeel dat een spoedeisend belang met betrekking tot het RI&E traject ontbreekt. [gedaagde] heeft op de zitting gezegd dat zij op dit moment bezig is om tot een RI&E te komen en dat dit traject waarschijnlijk op afzienbare termijn zal zijn afgerond. [eiseres] heeft weliswaar gezegd dat een RI&E belangrijk is voor de veiligheid van haar en haar collega’s, maar heeft niet gesteld dat er op dit moment een concreet gevaar voor haar veiligheid is die kan worden opgelost met een RI&E. De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] op dit punt dus afwijzen.
2.12.
Bij de gevorderde wedertewerkstelling heeft [eiseres] wel een spoedeisend belang. Zij heeft er belang bij dat zij op korte termijn duidelijkheid heeft over het al dan niet hervatten van haar werk in de functie van [functienaam 1] , met inbegrip van haar samenwerking met [C] . Dat [gedaagde] een ontbindingsverzoek heeft ingediend dat op korte termijn inhoudelijk op een terechtzitting wordt behandeld, maakt dit niet anders.
2.13.
De rechter in kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd.
2.14.
Tussen partijen is in geschil of [eiseres] (op goede gronden) op non-actief is gesteld en of zij gehouden is om een andere functie te accepteren.
De non-actief stelling is niet terecht gegeven
2.15.
[gedaagde] betwist dat zij [eiseres] op non-actief heeft gesteld. [gedaagde] stelt dat zij [eiseres] andere werkzaamheden heeft aangeboden op hetzelfde niveau en tegen hetzelfde salaris. Toen [eiseres] weigerde om deze werkzaamheden te verrichten, kon [gedaagde] niets anders dan [eiseres] naar huis sturen.
2.16.
De rechter volgt [gedaagde] niet in deze stelling. Bij de beoordeling of sprake is van een non-actiefstelling geldt dat de functie van [eiseres] , als [functienaam 1] , uitgangspunt is. [gedaagde] laat [eiseres] deze functie niet langer uitoefenen. Het werk dat haar is aangeboden past namelijk niet bij deze functie, maar bij haar vroegere functie van [functienaam 2] . Er is dus sprake van een non-actiefstelling.
2.17.
De rechtmatigheid van een non-actiefstelling wordt getoetst aan de beginselen van goed werkgeverschap. Een goed werkgever mag een werknemer slechts de mogelijkheid onthouden om (de overeengekomen) arbeid te verrichten als de werkgever daarvoor een redelijke grond heeft. Daarmee wordt bedoeld dat de werkgever een redelijk belang heeft dat zwaarder weegt dan het zwaarwegende belang van de werknemer om de overeengekomen werkzaamheden te blijven verrichten. Dat is in deze procedure dan ook het toetsingskader.
2.18.
De oorsprong van de situatie vindt zich in het verwijt van [gedaagde] dat [eiseres] [C] op de hoogte heeft gesteld van de reorganisatie. Maar [eiseres] heeft dit uitdrukkelijk betwist en in deze procedure is ook niet aannemelijk geworden dat dit anders is. Uit de tekst van de e-mail van [C] blijkt niet dat zij door [eiseres] op de hoogte is gesteld van de reorganisatie. Als dit wel zo geweest zou zijn, dan zou het eerder voor de hand hebben gelegen dat [C] , zeker nu zij op 22 januari 2024 nog een gesprek had gehad met [A] en [E] , in die e-mail om meer informatie over de reorganisatie had gevraagd of daar bijvoorbeeld haar verbazing over had uitgesproken. Steker nog; haar woordkeuzes lijken er juist op te wijzen dat ze al op de hoogte was. Verder zijn partijen het eens dat de reorganisatie tot onrust onder de medewerkers heeft geleid. [gedaagde] heeft niet weersproken dat [C] regelmatig het kantoor van [gedaagde] bezocht. Het is mogelijk zoals [eiseres] zei dat [C] tijdens één van deze bezoeken, gelet op de ontstane onrust, op de hoogte is gekomen van de reorganisatie. Ten slotte heeft [gedaagde] [C] ook niet gevraagd hoe zij wist van de reorganisatie; een verklaring van [C] op dit punt ontbreekt. Dat [gedaagde] [C] mogelijk (om commerciële redenen) niet bij deze kwestie heeft willen betrekken blijft voor haar risico. Er wordt daarom vanuit gegaan dat [eiseres] [C] niet heeft ingelicht over de reorganisatie bij [gedaagde] .
2.19.
Op grond van de tussen partijen gewisselde e-mails in de periode van 12 februari 2024 tot en met 26 maart 2024 is ook niet aannemelijk geworden dat [eiseres] het standpunt heeft ingenomen dat zij zich (ook in de toekomst) vrij zou voelen om vertrouwelijke of gevoelige bedrijfsinformatie extern te delen. Sterker nog; op de zitting heeft ze duidelijk gezegd dat ze zich bewust van het feit dat zijn geen (gevoelige) bedrijfsinformatie met derden mag delen en dat zij dit ook niet zal doen.
2.20.
Dat het onbegrip bij [gedaagde] steeds verder is opgelopen in de gesprekken die partijen hadden in februari en maart 2024 kan [gedaagde] niet wijten aan [eiseres] . Daarbij had [gedaagde] toen ze merkte dat de verhouding steeds verder verslechterde er ook voor kunnen kiezen om mediation in te zetten, zodat de verhoudingen in ieder geval goed bleven. Maar dat heeft ze niet gedaan. Hoewel een RI&E verplicht is en bij een onderneming van de grote van [gedaagde] een ondernemingsraad is geëigend, lijkt het wel alsof de vorderingen van [eiseres] die hierop betrekking hebben alleen zijn ingesteld om tegendruk op [gedaagde] uit te oefenen. Maar dat vormt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen redelijke grond om [eiseres] niet in de gelegenheid te stellen om haar functie uit te oefenen.
[eiseres] hoefde de functiewijziging niet te accepteren
2.21.
[gedaagde] heeft nog gesteld dat zij [eiseres] niet meer toe kan laten tot haar functie, omdat deze niet meer in de oorspronkelijke omvang bestaat. De functie zou [gedaagde] hebben gewijzigd. [gedaagde] wijst daarbij op het eenzijdige wijzigingsbeding dat in de arbeidsovereenkomst met [eiseres] is opgenomen.
2.22.
[gedaagde] kan op dit beding alleen een beroep op doen als bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang bestaat dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
2.23.
[gedaagde] stelt dat haar belangen om haar bedrijfsdebiet te beschermen en haar bedrijf zo doelmatig mogelijk in te richten zwaarder wegen dan het belang van [eiseres] bij het behoud van haar functie. [gedaagde] heeft de strategische taken uit de functie van [eiseres] op een hoger niveau belegd bij [E] . [gedaagde] is van mening dat door het gedrag van [eiseres] en het belang van het behoud van de klant [C] & [D] deze beslissing noodzakelijk was en valt binnen de vrijheid die zij als ondernemer heeft om haar bedrijf naar eigen inzicht in te richten. [gedaagde] heeft [eiseres] werkzaamheden passend bij haar functie van [functienaam 2] aangeboden tegen gelijkblijvende arbeidsvoorwaarden. [gedaagde] vindt dat zij [eiseres] daarmee een redelijk voorstel heeft gedaan. [eiseres] had dit aanbod volgens [gedaagde] niet af mogen wijzen.
2.24.
De rechter oordeelt dat een zwaarwichtig belang van [gedaagde] bij de functiewijziging niet aannemelijk is gemaakt. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij met een beroep op het wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst [eiseres] een demotie mocht aanbieden, want dat is wel waar de wijziging op terecht komt. Daarbij is belangrijk dat hiervoor al geoordeeld is dat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft dat haar bedrijfsdebiet in gevaar is gebracht door [eiseres] . In dat verband geldt allereerst dat niet aannemelijk geworden is dat [eiseres] gevoelige bedrijfsinformatie met derden deelt of wil gaan delen. Ten tweede is relevant dat [C] en [gedaagde] juist heel tevreden waren over hoe [eiseres] haar functie uitoefende. Zo roemde [gedaagde] [eiseres] in de jaarbeoordeling van 5 juni 2023 met “Samenwerking is écht waar jij op drijf én waar je heel goed in bent. (…) Deze competentie komt het allersterkst naar boven in je samenwerking & relatie met [C] [ [C] ] die je hebt weten te bouwen & vast te houden – binnen een professioneel kader.” En in de mid-year evaluatie van enkele maanden geleden staat: “Hier binnen heb je met het WBNL Partners team een mooi resultaat weten neer te zetten gebaseerd op je wijnkennis, relatie met [C] [ [C] ], sterk begrip van de business en het reilen & zeilen in het bedrijf. (…) ben je uitermate dankbaar voor je inzet, harde werk én open persoonlijkheid.” Verder geldt dat niet is gebleken dat de herinrichting van taken op verzoek van [C] & [D] heeft plaatsgehad.
2.25.
Kortom: [eiseres] hoefde de functiewijziging niet te accepteren. Dat [eiseres] zelf mogelijk een functie ambieert die beter te combineren valt met haar andere werkzaamheden maakt dit niet anders.
Wedertewerkstelling wordt toegewezen
2.26.
De gevorderde wedertewerkstelling zal dus worden toegewezen. Op de vraag of [gedaagde] [eiseres] vrijwillig toe laat tot het werk als dit wordt opgelegd, liet [gedaagde] op de zitting weten dat ze daar wel problemen mee had. De rechter ziet daarom aanleiding de gevorderde dwangsom toe te wijzen. Deze zal wel worden gematigd en gemaximeerd.
2.27.
[gedaagde] zal worden veroordeeld in de (na)kosten van de procedure, omdat zij deze heeft verloren. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 139,42
- griffierecht € 87,00
- nakosten € 132,00
- salaris gemachtigde € 793,00
totaal € 1.151,42
3 De beslissing
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om de non-actiefstelling van [eiseres] op te heffen en [eiseres] weer toe te laten om haar overeengekomen werkzaamheden als [functienaam 1] uit te oefenen, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom aan [eiseres] van € 500,00 per dag, met een maximum van € 25.000,00 dat [gedaagde] , nadat twee werkdagen na betekening van dit vonnis zijn verstreken, in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.151,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2024.