De vordering
[eiser] vordert van MDL, uitvoerbaar bij voorraad:
I vaststelling en verklaring voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst tijdens ziekte en zonder in achtneming van de wettelijke opzegtermijn onregelmatig en kennelijk onredelijk is.
II veroordeling van MDL om binnen zeven dagen na vonnisdatum aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:
1. een vergoeding voor de niet in acht genomen opzegtermijn van drie maanden die, gelet op de datum van de afgifte van de ontslagvergunning, op zijn vroegst kon worden opgezegd tegen 1 juli 2013, ervan uitgaande dat door partijen eerst op vrijdag 1 maart 2013 op zijn vroegst van de vergunning kennis kon worden genomen.
2. het salaris over de maand maart 2013, zijnde € 1.778,40 inclusief vakantiegeld en de opzegtermijn van drie maanden, totaal zijnde 4x € 1.778,40 = € 7.113,60.
3. de wettelijke verhoging over de som van het salaris over de maand maart 2013 en over de opzegtermijn, zijnde 4x € 1.778,40 = € 7.113,60 x 50% = € 3.556,80 bruto.
4. het onder 2 en 3 vast te stellen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf de dag der opeisbaarheid van voornoemde aanspraken tot aan de dag der algehele voldoening.
5. een vergoeding voor het kennelijk onredelijk ontslag, rekening houdend met de schadebepalende componenten van dit geval, begroot op € 50.000,00 bruto.
6. een proceskostenvergoeding.
De beslissing
De kantonrechter:
I stelt vast en verklaart voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst tijdens ziekte en zonder in achtneming van de wettelijke opzegtermijn onregelmatig en kennelijk onredelijk is.
II veroordeelt MDL om binnen zeven dagen na vonnisdatum aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:
1. een vergoeding voor de niet in acht genomen opzegtermijn van drie maanden die, gelet op de datum van de afgifte van de ontslagvergunning, op zijn vroegst kon worden opgezegd tegen 1 juli 2013, ervan uitgaande dat door partijen eerst op vrijdag 1 maart 2013 op zijn vroegst van de vergunning kennis kon worden genomen.
2. het salaris over de maand maart 2013, zijnde € 1.778,40 inclusief vakantiegeld en de opzegtermijn van drie maanden, totaal zijnde 4x € 1.778,40 = € 7.113,60.
3. de wettelijke verhoging over de som van het salaris over de maand maart 2013 en over de opzegtermijn, zijnde 4x € 1.778,40 = € 7.113,60 x 50% = € 3.556,80 bruto.
4. het onder 2 en 3 vast te stellen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, vanaf de dag der opeisbaarheid van voornoemde aanspraken tot aan de dag der algehele voldoening.
5. een vergoeding voor het kennelijk onredelijk ontslag, rekening houdend met de schadebepalende componenten van dit geval, begroot op € 50.000,00 bruto.
- veroordeelt MDL tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot en met vandaag worden begroot op de volgende bedragen:
dagvaardingskosten € 92,82
griffierecht € 213,00
salaris gemachtigde € 250,00;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.