5 De beoordeling
5.1.
Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of het ontslag op staande voet geldig is, en of aan [verzoeker] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding moet worden toegekend.
5.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.3.
Artikel 7:677 lid 1 BW bepaalt dat iedere partij bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Voor de vraag of het ontslag onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden tot dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen (zie: HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1347, JAR 2001/95 (De Lange/Wennekes Lederwaren)). Verder is de van een werkgever te vergen mate van voortvarendheid afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en omvang van eventueel noodzakelijk onderzoek, en de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en het verzamelen van bewijsmateriaal (zie: HR 15 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC4006, NJ 1980/328 (Geldersche Tramweg Maatschappij)).
5.4.
MetDeZon heeft [verzoeker] bij brief van 24 augustus 2017 op staande voet ontslagen per 15 augustus 2017. Op de zitting heeft MetDeZon verklaard dat zij op 15 augustus 2017 al op de hoogte was van de dringende reden voor het ontslag op staande voet, doordat [naam 2] op 15 augustus 2017 in een gesprek met [naam 1] werd ingelicht over de plannen van [verzoeker] om een onderneming te starten voor de verkoop van zonnepanelen. Daarnaar gevraagd, heeft MetDeZon opgemerkt dat zij bewust heeft gewacht met het geven van ontslag op staande voet tot 24 augustus 2017, omdat [verzoeker] tot die datum wegens vakantie afwezig was.
5.5.
Gelet op het voorgaande is het ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven. MetDeZon was immers al 15 augustus 2017 op de hoogte van de dringende reden, maar heeft niettemin negen dagen gewacht met het geven van dat ontslag. MetDeZon heeft in de tussentijd geen nader onderzoek gedaan, geen bewijsmateriaal verzameld en [verzoeker] niet gehoord. Daarin was dus geen grond gelegen om te wachten met het geven van ontslag. De afwezigheid van [verzoeker] wegens vakantie levert daarvoor ook geen deugdelijke grond op. Onder omstandigheden kan een vakantie van een werknemer aanleiding zijn om nog enige tijd te wachten met het geven van een ontslag op staande voet (zie: HR 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA4436; NJ 2000/190; JAR 2000/45 (Prins/Hema)). Dat gaat in dit geval echter niet op. Vast staat dat [verzoeker] op zijn vakantieadres op de hoogte is gebracht van het gesprek tussen [naam 2] en [naam 1] en naar aanleiding daarvan op 15 augustus 2017 een WhatsAppbericht heeft gestuurd aan [naam 2] . In dat bericht heeft [verzoeker] erop gewezen dat hij twijfels had over de plannen voor een onderneming met [naam 1] , dat die plannen alleen overwegingen waren en “geen acties”, en dat hij het komende half jaar gewoon voor zijn oom zou gaan werken. Dit betekent dat er op 15 augustus 2017 contact was tussen [verzoeker] en [naam 2] , juist over de dringende reden voor MetDeZon om ontslag te geven. MetDeZon had het ontslag op staande voet dus ook via een WhatsAppbericht aan [verzoeker] kunnen meedelen op of kort na 15 augustus 2017, en/of [verzoeker] via een dergelijk bericht kunnen laten weten dat er per post of e-mail een ontslagbrief aan hem was gestuurd. MetDeZon heeft in het licht van deze omstandigheden in ieder geval onvoldoende voortvarend gehandeld. Nu het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, is dat ontslag al om die reden niet geldig.
5.6.
Volgens artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen voor een ontslag op staande voet beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In artikel 7:678 lid 2, onderdeel k, BW is bepaald dat een dringende reden onder andere aanwezig kan zijn wanneer de werknemer grovelijk de plichten veronachtzaamt die de arbeidsovereenkomst hem oplegt.
5.7.
Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren onder meer te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt.
5.8.
De in de brief van MetDeZon van 24 augustus 2017 genoemde verwijten aan het adres van [verzoeker] leveren geen dringende op voor een ontslag op staande voet. Daarbij is het volgende van belang.
5.9.
In artikel 15 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst is onder meer bepaald dat de werknemer zich gedurende de loop van de arbeidsovereenkomst onthoudt van het doen van zaken voor eigen rekening. Er is niet komen vast te staan dat [verzoeker] deze verplichting heeft geschonden. [verzoeker] heeft erkend dat hij samen met [naam 1] plannen had om een bedrijf te starten in zonnepanelen. Die plannen hebben bestaan uit besprekingen tussen [verzoeker] en [naam 1] over een bedrijfsopzet en een bedrijfsmissie, en het bedenken van een naam en een logo voor een op te richten onderneming. Niet is gebleken van andere activiteiten en met name niet dat [verzoeker] daadwerkelijk zaken voor eigen rekening heeft gedaan. Evenmin is gebleken dat [verzoeker] contacten met klanten of leveranciers heeft gelegd of andere voldoende concrete bedrijfsactiviteiten heeft ondernomen. De hiervoor genoemde plannen van [verzoeker] zijn daarom niet in strijd met artikel 15 van de arbeidsovereenkomst en zijn ook geen dringende reden voor ontslag op staande voet.
5.10.
MetDeZon verwijt [verzoeker] verder dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven over zijn plannen met [naam 1] en dat hij daarover heeft gelogen tegen [naam 2] . Op de zitting heeft [verzoeker] toegelicht dat hij geen reden zag om [naam 2] te vertellen over zijn plannen, omdat deze nog niet concreet waren en in een voorbereidende fase. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de aard van de activiteiten van [verzoeker] , kan niet worden geoordeeld dat op [verzoeker] de verplichting rustte om MetDeZon daarover te informeren. Dat [verzoeker] daarover geen openheid van zaken heeft gegeven, kan daarom ook geen dringende reden voor een ontslag op staande voet opleveren.
5.11.
Het standpunt van MetDeZon dat [verzoeker] haar zou hebben misleid ten aanzien van een (mogelijke) inbreuk op het concurrentiebeding kan niet worden gevolgd. Niet betwist is de stelling van [verzoeker] dat zijn plannen met [naam 1] juist zagen op het starten van een onderneming buiten een straal van 100 kilometer van de vestigingsplaats van MetDeZon, zodat geen sprake zou zijn van een schending van het concurrentiebeding. Overigens is ook feitelijk geen sprake geweest van een dergelijke schending, omdat de onderneming nooit van de grond is gekomen. Dat [verzoeker] concurrentiegevoelige informatie van MetDeZon in zijn bezit heeft, kan op zichzelf geen reden zijn voor ontslag op staande voet. Dat geldt ook voor de vrees van MetDeZon dat [verzoeker] die informatie zou kunnen gaan gebruiken in een nieuwe onderneming. Die enkele vrees van MetDeZon levert immers geen schending op van enige verplichting van [verzoeker] . Dat [verzoeker] daadwerkelijk concurrentiegevoelige informatie heeft gebruikt voor een nieuwe onderneming, in strijd met de geheimhoudingsverplichting van artikel 14 van de arbeidsovereenkomst, is niet gesteld en ook niet gebleken.
5.12.
Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Gelet op de wetsgeschiedenis is (ook) in het kader van artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW voor toekenning van een billijke vergoeding ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever vereist. In een geval als bedoeld in dat artikel is echter al invulling gegeven aan de ernstige verwijtbaarheid, als de werkgever de voor een rechtsgeldig ontslag geldende voorschriften niet heeft nageleefd (zie: Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113). Het geven van een ontslag op staande voet dat niet rechtsgeldig wordt geacht, levert dus als zodanig al ernstig verwijtbaar handelen van een werkgever op. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, is sprake van ernstig verwijtbaar handelen van MetDeZon. Het verzoek van [verzoeker] om toekenning van een billijke vergoeding kan dus worden toegewezen.
5.13.
Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. De billijke vergoeding moet – naar haar aard – in relatie staan tot het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het verder aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval (zie: HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle)). Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De billijke vergoeding heeft echter geen specifiek punitief karakter en bij het begroten daarvan kan dus geen rol spelen welk bedrag voor de werkgever een ‘bestraffend’ effect heeft.
5.14.
Vast staat dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst zelf al had opgezegd per 1 oktober 2017. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst, indien [verzoeker] niet op staande voet zou zijn ontslagen, in ieder geval was geëindigd per 1 oktober 2017. Onder die omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de hoogte van de billijke vergoeding vast te stellen op een bedrag gelijk aan het loon dat [verzoeker] over de periode van 15 augustus 2017 tot 1 oktober 2017 zou hebben ontvangen. Dat is de inkomensschade die [verzoeker] lijdt door het ongeldige ontslag op staande voet. Door vergoeding van die schade wordt [verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter ook voldoende gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van MetDeZon, bestaande uit het geven van een ongeldig ontslag op staande voet. Niet in geschil is dat het loon van [verzoeker] op 15 augustus 2017 een bedrag was van
€ 3.618,00 bruto per maand (inclusief vakantietoeslag). De billijke vergoeding zal daarvan uitgaande, en aansluitend bij de eigen berekening van [verzoeker] van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, worden vastgesteld op een bedrag van € 5.347,03 bruto. MetDeZon zal dus worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan billijke vergoeding. De gevorderde wettelijk rente zal worden toegewezen vanaf 19 december 2017, te weten 14 dagen na deze uitspraak, nu MetDeZon pas door deze uitspraak verplicht wordt de billijke vergoeding te betalen.
5.15.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen. Op grond van artikel 7:672 lid 10 BW is MetDeZon die vergoeding verschuldigd aan [verzoeker] , omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. Die vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten
€ 8.965,03 bruto, zoals door [verzoeker] berekend en door MetDeZon niet betwist.
5.16.
De kantonrechter ziet geen reden om de vergoeding wegens onregelmatige opzegging in mindering te brengen op de billijke vergoeding. Het komt voor rekening van MetDeZon dat zij heeft gekozen voor een ontslag op staande voet dat én niet onverwijld is gegeven én waarvoor geen dringende reden bestond, in de wetenschap dat de arbeidsovereenkomst al per 1 oktober 2017 zou eindigen door opzegging door [verzoeker] . Het in mindering brengen van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging op de billijke vergoeding zou in dit geval ook onvoldoende recht doen aan het uitgangspunt dat [verzoeker] gecompenseerd moet worden voor het ernstig verwijtbaar handelen van MetDeZon.
5.17.
[verzoeker] heeft in het verzoekschrift gesteld dat MetDeZon aan [verzoeker] de transitievergoeding moet voldoen. [verzoeker] heeft echter geen verzoek gedaan om MetDeZon te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding. Ook overigens is geen vordering of verzoek geformuleerd met betrekking tot de transitievergoeding. De kantonrechter moet ambtshalve rechtsgronden aanvullen, maar mag niet ambtshalve vorderingen of verzoeken aanvullen. Op grond van artikel 23 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de rechter immers alleen beslissen over hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht. De kantonrechter is over het algemeen bereid om een verzoek of dagvaarding welwillend te lezen en ruim uit te leggen. In dit geval staat artikel 23 Rv er echter aan in de weg dat de kantonrechter op basis van het enkele feit dat in het verzoekschrift een aanspraak op de transitievergoeding wordt genoemd, in dat verzoekschrift ook een daarop gerichte vordering of verzoek te lezen, daar waar die vordering en dat verzoek nu juist ontbreken en niet zijn geformuleerd. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat [verzoeker] wordt bijgestaan door een advocaat en dat MetDeZon door een ruime of welwillende lezing van het verzoekschrift te zeer in haar belangen zou worden geschaad.
5.18.
De door [verzoeker] gevorderde verklaringen voor recht dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, dat dit ontslag onregelmatig is en dat MetDeZon ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, worden afgewezen. Nu MetDeZon al wordt veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, valt niet in te zien welk belang [verzoeker] nog heeft bij deze vorderingen.
5.19.
[verzoeker] heeft ook vorderingen ingediend met betrekking tot het concurrentiebeding en achterstallig loon. Die vorderingen kunnen op grond van artikel 7:686a lid 3 BW in deze procedure worden beoordeeld, omdat het gaat om vorderingen die voldoende verband houden met het verzoek van [verzoeker] ten aanzien van de billijke vergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging.
5.20.
[verzoeker] heeft verzocht voor recht te verklaren dat het concurrentiebeding van artikel 17 van de arbeidsovereenkomst is vervallen, althans dat daarop geen beroep kan worden gedaan door MetDeZon, omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van MetDeZon. Die vordering is toewijsbaar, op de volgende gronden.
5.21.
De kantonrechter stelt voorop dat de vordering van [verzoeker] moet worden beoordeeld op basis van het nieuwe artikel 7:653 lid 4 BW, zoals dit artikel luidt sinds 1 juli 2015. Weliswaar is de arbeidsovereenkomst waarin het concurrentiebeding is opgenomen, gesloten vóór 1 juli 2015, maar het nieuwe artikel 7:653 lid 4 BW is niettemin van toepassing. Dat volgt uit artikel XXIIc van de Wet werk en zekerheid en de wetsgeschiedenis (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 988, nr. 6, pag. 59-60).
5.22.
Op grond van artikel 7:653 lid 4 BW, zoals dit artikel luidt sinds 1 juli 2015, kan de werkgever aan een concurrentiebeding geen rechten ontlenen, indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Zoals hiervoor onder 5.12 is overwogen, is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig en brengt dit mee dat MetDeZon ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daaruit volgt ook dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst, door het ongeldige ontslag op staande voet, het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van MetDeZon. MetDeZon kan daarom aan het concurrentiebeding geen rechten meer ontlenen. Dit zal dan ook voor recht worden verklaard.
5.23.
[verzoeker] vordert betaling van achterstallig loon tot een bedrag van € 4.860,00 bruto. Daartoe stelt [verzoeker] dat tussen partijen is overeengekomen dat het aanvangssalaris van
€ 3.100,00 bruto per maand jaarlijks zou worden verhoogd met € 125,00 bruto, maar dat MetDeZon die afspraak niet is nagekomen. Op de zitting heeft MetDeZon naar voren gebracht dat uit een addendum bij de arbeidsovereenkomst volgt dat de aanspraak op loonsverhoging afhankelijk was van het behalen van een target, dat [verzoeker] ermee akkoord is gegaan om af te zien van loonsverhoging en dat hij overigens nooit heeft geprotesteerd tegen het uitblijven van de loonsverhoging.
5.24.
Blijkens artikel 5 van de arbeidsovereenkomst is tussen partijen overeengekomen dat het aanvangssalaris van € 3.100,00 bruto per maand jaarlijks wordt verhoogd met € 125,00 bruto. MetDeZon dient die afspraak na te komen. Het door MetDeZon genoemde addendum bij de arbeidsovereenkomst doet daaraan niet af. In dat addendum wordt alleen het recht op een 13e maand afhankelijk gemaakt van het behalen van een target, niet het recht op loonsverhoging van artikel 5 van de arbeidsovereenkomst. De stelling van MetDeZon dat [verzoeker] ermee akkoord is gegaan om af te zien van loonsverhoging is pas op de zitting naar voren gebracht, door [verzoeker] betwist, en overigens niet nader gemotiveerd en onderbouwd door MetDeZon. Die stelling kan daarom niet worden gevolgd. Dat [verzoeker] nooit heeft geprotesteerd tegen het uitblijven van de loonsverhoging is ook door [verzoeker] betwist. Bovendien is het enkel uitblijven van protest onvoldoende om te oordelen dat [verzoeker] zijn recht op nakoming van de afspraak over loonsverhoging heeft verwerkt.
5.25.
De vordering van [verzoeker] ziet blijkens de formulering daarvan in het verzoekschrift op achterstallig loon over de periode van 1 oktober 2015 tot 1 oktober 2017. In de toelichting op die vordering wordt gesproken over loon over de periode 1 oktober 2015 tot 1 oktober 2016. Gelet daarop kan de kantonrechter MetDeZon in ieder geval niet veroordelen tot betaling van achterstallig loon over de periode vóór 1 oktober 2015. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de overwegingen onder punt 5.17, die erop neerkomen dat de kantonrechter alleen kan beslissen over hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht. Over de periode 1 oktober 2015 tot 1 oktober 2016 heeft [verzoeker] een bedrag van € 1.500,00 bruto te weinig aan loon ontvangen (€ 125,00 x 12 maanden). Over de periode 1 oktober 2016 tot 15 augustus 2017 heeft [verzoeker] een bedrag van € 1.200,00 bruto te weinig aan loon ontvangen (€ 125,00 x 6 maanden en 80% x € 125,00 x 4.5 maanden). Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat op de zitting is gebleken dat op of omstreeks 1 april 2017 ouderschapsverlof is ingegaan voor [verzoeker] en dat [verzoeker] niet heeft betwist de stelling van MetDeZon dat hij in verband met dat verlof aanspraak had op 80% van het normale loon. MetDeZon zal dus worden veroordeeld tot betaling van € 2.916,00 bruto aan achterstallig loon (€ 2.700,00 bruto, vermeerderd met 8% vakantietoeslag). De gevorderde wettelijke rente en de wettelijke verhoging kunnen ook worden toegewezen, omdat MetDeZon te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 20%.
5.26.
De vordering van [verzoeker] om MetDeZon te veroordelen tot verstrekking van een bruto-netto salarisspecificatie van de betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging en het achterstallig loon is niet weersproken en zal daarom worden toegewezen. MetDeZon zal daarvoor een maand de tijd worden gegeven. De dwangsom zal per specificatie worden beperkt tot € 50,00 per dag en € 500,00 in totaal.
5.27.
Voor zover [verzoeker] ook heeft bedoeld om een dwangsom te vorderen wat betreft de tijdige betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging en het achterstallig loon, wordt die vordering afgewezen. Op grond van artikel 611a lid 1 Rv kan een dwangsom niet worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom.
5.28.
De proceskosten komen voor rekening van MetDeZon, omdat zij overwegend ongelijk krijgt.
5.29.
MetDeZon wil dat [verzoeker] wordt veroordeeld om databestanden te retourneren, maar op de zitting is gebleken dat die bestanden op een laptop staan die [verzoeker] al heeft teruggegeven aan MetDeZon. MetDeZon heeft vervolgens op de zitting verzocht om [verzoeker] te veroordelen tot afgifte van het wachtwoord van de laptop, waarop [verzoeker] direct heeft gezegd wat het wachtwoord is. Gelet daarop is er geen reden meer om de vordering van MetDeZon op dit punt toe te wijzen.
5.30.
De vordering van MetDeZon om te bepalen dat het [verzoeker] niet is toegestaan in strijd te handelen met het concurrentiebeding moet worden afgewezen. Hiervoor is immers onder punt 5.22 geoordeeld dat MetDeZon aan het concurrentiebeding geen rechten meer kan ontlenen.
5.31.
De proceskosten komen voor rekening van MetDeZon, omdat zij ongelijk krijgt. De proceskosten van [verzoeker] zullen worden vastgesteld op nihil, gelet op de samenhang met het verzoek van [verzoeker] .
6 De beslissing
6.1.
veroordeelt MetDeZon om aan [verzoeker] binnen 14 dagen na deze beschikking te betalen het netto equivalent van een bedrag van € 8.965,03 bruto, ten titel van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging;
6.2.
veroordeelt MetDeZon om aan [verzoeker] binnen 14 dagen na deze beschikking te betalen een billijke vergoeding van € 5.347,03 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 19 december 2017 tot aan de dag van de gehele betaling;
6.3.
verklaart voor recht dat MetDeZon geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst;
6.4.
veroordeelt MetDeZon om aan [verzoeker] binnen 14 dagen na deze beschikking te betalen € 2.916,00 bruto aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 20%, en te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van de gehele betaling;
6.5.
veroordeelt MetDeZon tot verstrekking van een bruto-netto salarisspecificatie van de betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging en het achterstallig loon, binnen een maand na deze beschikking, op straffe van een dwangsom per specificatie van
€ 50,00 per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat MetDeZon daarmee in gebreke blijft, en per specificatie met een maximum van € 500,00;
6.6.
veroordeelt MetDeZon tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoeker] tot en met vandaag vaststelt op:
griffierecht € 78,00
salaris gemachtigde € 800,00 ;
6.7.
verklaart de veroordeling onder 6.1, 6.2, 6.4, 6.5 en 6.6 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
wijst het verzoek voor het overige af;
6.9.
wijst het verzoek af;
6.10.
veroordeelt MetDeZon tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoeker] tot en met vandaag vaststelt op nihil.
Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 5 december 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter