1.1.
Klüh heeft [verzoekster] op 20 februari 2018 op staande voet ontslagen. [verzoekster] heeft het verzoek tot onder andere vernietiging van het ontslag tijdig ingediend, omdat dat binnen twee maanden na het ontslag op staande voet is gebeurd.
1.2.
Als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW worden op grond van het bepaalde in artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.
1.3.
De kantonrechter stelt voorop dat voor de beoordeling van de vraag of het door Klüh aan [verzoekster] verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is, de aan [verzoekster] opgegeven reden zoals vermeld in de brief van 20 februari 2018 maatgevend is, en dat het geschil wordt afgebakend door het in die brief genoemde verwijt.
1.4.
In deze brief staat dat Klüh [verzoekster] op staande voet heeft ontslagen, omdat bij haar tijdens een personeelscontrole door KLM Security Services etenswaren zijn aangetroffen uit een KLM-toestel waarin [verzoekster] had gewerkt. In de brief staat verder dat tijdens de personeelscontrole is geconstateerd dat [verzoekster] een KLM spuugzak gevuld met nootjes mee van boord heeft genomen, waarop haar KLM-pas is ingenomen. Daarbij is [verzoekster] aangegeven dat zij in de toekomst niet langer ingezet mag worden voor de schoonmaak in KLM vliegtuigen.
1.5.
Klüh schrijft in de brief ook nog dat [verzoekster] weet en dat ook in artikel 4.1 van haar arbeidsovereenkomst staat dat het meenemen van eigendommen van cliënten, ongeacht de waarde daarvan, ten strengste verboden is en dat dit te allen tijde zal worden aangemerkt als een dringende reden voor ontslag op staande voet. [verzoekster] heeft de huisregels in de arbeidsovereenkomst, en de huisregels die zijn beschreven in de “Klühwijzer” overtreden. Op bladzijde 17 van de Klühwijzer is duidelijk aangegeven dat het verboden is eten en drinken van cateraars van boord mee te nemen en dat overtreding van deze bepaling een dringende reden oplevert om het dienstverband te beëindigen.
1.6.
Klüh heeft gesteld dat zij een strikt beleid hanteert. [verzoekster] heeft erkend dat zij met dit strikte beleid bekend is. De kantonrechter overweegt dat het hanteren van een strikt beleid mag en dat een strikt beleid meespeelt bij de beoordeling van de dringende reden, maar dat in het geval van een strikt beleid, wel echt moet vast staan dat van de dringende reden -een zakje met nootjes meenemen uit het KLM toestel- sprake is.
1.7.
In deze zaak zijn getuigen gehoord. [AAA] , Security Officer KLM Security Service, heeft verklaard dat hij zag dat [verzoekster] iets in haar hand had. Hij heeft verklaard: “Ik vroeg haar: wat heeft u vast? Zij zei: dat is afval. (…)Ik zei tegen haar: ik wil graag zien wat je in je hand hebt. Het ging om een KLM disposable zakje. Ik kreeg van haar het zakje. Ik maakte het open. In het zakje zat een handvol noten. Ik weet niet wat voor noten maar het zijn in ieder geval noten die wij als KLM aan boord serveren. Ik vroeg haar: hoe komt u hier aan? Waarom is het vuil? Toen zei zij: ik heb het meegenomen van thuis. (…)Ik heb niet gezien dat iemand iets in zijn hand had toen ze uit het vliegtuig kwamen. (…)”
1.8.
[BBB] , Duty manager Klüh, heeft verklaard dat KLM Security een KLM kotszakje met nootjes had gevonden en chocolade uit Kopenhagen onder de stoel of in het dashboardkastje van de dienstauto. Hij heeft verklaard: “ [verzoekster] had het blauwe kots zakje in haar hand. Ik kan niet bewijzen dat zij het van boord heeft gehaald. Ik ben er pas later bijgekomen.”
1.10.
[CCC] , chauffeur, heeft verklaard: “Ze hebben een KLM blauwe zak pinda’s gevonden boven het dashboardkastje en chocolade en onder de stoel vonden ze een thermoskan. (…) De pinda’s zaten in een KLM blauwe kots zak. (…) Ik zag het zakje voor het eerst toen security mij dat zakje liet zien. Ik heb dat zakje niet in het handen van [DDD] of [verzoekster] gezien. (…)”
1.11. [DDD] , schoonmaker bij Klüh, heeft niets relevants verklaard voor deze zaak.
1.12. [EEE] , Security Officer KLM Security Service, heeft verklaard: “(…)Op enig moment riep [AAA] mij. Hij liet mij een kots zakje van KLM zien en zei: dit heb ik net aangetroffen bij een vrouwelijke medewerkster van Klüh. Ik begreep van hem dat zij het in haar hand had, maar dat heb ik niet gezien. (…)”
1.13.De kantonrechter is het met Klüh eens dat de getuigen over verschillende onderwerpen verschillend hebben verklaard: over of [verzoekster] wel of niet in de auto zat voordat de controle plaatsvond, over of [verzoekster] wel of niet is gefouilleerd en of [verzoekster] wel of niet het zakje in haar hand had.
1.14.Uit alle verklaringen kan de kantonrechter niet afleiden dat [verzoekster] het kostzakje met nootjes van boord van het KLM toestel heeft meegenomen. Niet kan worden uitgesloten dat het zakje met nootjes zich in de auto bevond, meerdere getuigen verklaren dat, en dat [verzoekster] dat zakje wellicht in haar hand heeft gehad, voor zover [verzoekster] al een zakje in haar hand heeft gehad.
1.15.Dat betekent dat de dringende reden niet is komen vast te staan en dat het ontslag op staande voet dus zal worden vernietigd. Klüh zal worden veroordeeld tot betaling van het loon en de overige emolumenten vanaf 20 februari 2018 totdat de arbeidsovereenkomst zal zijn geëindigd.
1.16.Klüh heeft een tegenverzoek gedaan tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, zal het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond van artikel 7:669 lid 3, BW worden afgewezen. Een andere reden voor verwijtbaar handelen van [verzoekster] heeft Klüh immers niet gesteld.
1.17.Klüh heeft subsidiair voorwaardelijke ontbinding verzocht op de g-grond. Daaraan heeft Klüh ten grondslag gelegd dat [verzoekster] wisselende verklaringen heeft afgelegd, die bovendien ongeloofwaardig zijn.
1.18.Het mag zo zijn dat [verzoekster] wisselende verklaringen heeft afgelegd. Wat daar ook van zij, voor ontbinding op de g-grond is een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie nodig. Niet gebleken is dat daarvan sprake is. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond is dan ook niet aan de orde.
1.19.Dit alles betekent dat de vordering tot wedertewerkstelling zal worden toegewezen. De tewerkstelling zal worden toegewezen met ingang van 1 januari 2019. Hierbij speelt geen rol dat [verzoekster] thans kennelijk niet meer over een KLM-pas beschikt. Die pas is haar naar het oordeel van de kantonrechter ten onrechte afgenomen. Het is aan Klüh om dit – met de uitspraak van de kantonrechter en in overleg met KLM– verder te regelen.
1.20.Aan de wedertewerkstelling zal een dwangsom worden verbonden ter hoogte van € 100,00 per dag met een maximum van € 50.000,00.
1.21.De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW zal gelet op de omstandigheden van het geval worden beperkt tot 10%.
1.22.De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, vanaf het moment van verschuldigdheid.
1.23.De buitengerechtelijke incassokosten zullen als onweersproken worden toegewezen zoals gevorderd.
1.24.De proceskosten, waaronder begrepen de kosten van het (voorlopig) getuigenverhoor komen voor rekening van Klüh, omdat zij in het ongelijk wordt gesteld.
1.25.De taxe van de getuigen komt eveneens voor rekening van Klüh.