5 De beoordeling
5.1.
Het gaat in deze zaak met name om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of SKOV moet worden veroordeeld tot doorbetaling van loon.
5.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Daarover wordt het volgende overwogen.
5.3.
De wettelijke regels voor ontslag op staande voet staan in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens die regels is zo’n ontslag alleen geldig als daarvoor een dringende reden bestaat (artikel 7:677 lid 1 BW). In de wet worden voorbeelden genoemd van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Een dringende reden kan bijvoorbeeld zijn dat een werknemer grovelijk de plichten veronachtzaamt die de arbeidsovereenkomst hem oplegt (artikel 7:678 lid 2, onderdeel k, BW). De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen.
5.4.
Verder is voor de geldigheid van een ontslag op staande voet vereist dat de arbeidsovereenkomst onverwijld wordt opgezegd, onder onverwijlde mededeling van de dringende reden daarvoor aan de werknemer. Voor de vraag of het ontslag onverwijld is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden tot dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen (zie: HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1347 (McDonalds)). De van een werkgever te vergen mate van voortvarendheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en omvang van een eventueel noodzakelijk onderzoek en de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en het verzamelen van bewijsmateriaal (zie: HR 15 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC4006 (Gelderse Tramvervoer Maatschappij)).
5.5.
De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet, anders dan [verzoeker] betoogt, onverwijld is gegeven. In het kader van het onderzoek dat Hoffmann Bedrijfsrecherche in opdracht van SKOV heeft gedaan, zijn op dinsdag 11 december 2018, vrijdag 14 december 2018 en dinsdag 8 januari 2019 observaties gedaan, waarmee [verzoeker] in een gesprek van 9 januari 2019 is geconfronteerd. [naam 6] heeft daarvan kennisgenomen op 9 januari 2019 en is op basis daarvan tot schorsing van [verzoeker] overgegaan op die datum. Vervolgens geeft [naam 6] aan [verzoeker] verzocht om een gesprek op 11 januari 2019, dat op verzoek van de advocaat van [verzoeker] is verplaatst naar 15 januari 2019. Op die laatste datum is [verzoeker] op staande voet ontslagen, nadat het gesprek had plaatsgevonden. Daarmee heeft SKOV voldoende voortvarend gehandeld. Anders dan [verzoeker] ziet de kantonrechter geen reden om te oordelen dat SKOV al na 14 december 2018 tot ontslag op staande voet had kunnen en moeten overgaan. Op dat moment was het onderzoek door Hoffmann Bedrijfsrecherche immers nog niet afgerond en was [verzoeker] ook nog niet geconfronteerd met de onderzoeksresultaten.
5.6.
De dringende reden die SKOV aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd, komt erop neer dat [verzoeker] zijn plichten uit de arbeidsovereenkomst grovelijk heeft veronachtzaamd, doordat hij tijdens werkdagen en werktijden waarop hij voor SKOV werkzaam is, herhaaldelijk werkzaamheden voor (andere) opdrachtgevers en bedrijven of instellingen heeft verricht die geen enkel verband houden met zijn functie bij SKOV.
5.7.
De kantonrechter neemt als vaststaand aan dat [verzoeker] op dinsdag 11 december 2018, vrijdag 14 december 2018 en dinsdag 8 januari 2019 tijdens kantoortijden ICT-werkzaamheden heeft verricht voor klanten van zijn onderneming [naam onderneming] . Ook staat vast dat die werkzaamheden door [verzoeker] zijn verricht in zijn hoedanigheid van zelfstandig ondernemer en niet als werknemer van SKOV. Dat die werkzaamheden hebben plaatsgevonden, blijkt uit het rapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche van 14 januari 2019 en is ook door [verzoeker] erkend. Eveneens als vaststaand moet worden aangenomen dat [verzoeker] op de genoemde data na het verrichten van zijn werkzaamheden als zelfstandige weer is teruggekeerd naar zijn werkplek en daar nog heeft gewerkt voor SKOV, omdat de stelling daarover van [verzoeker] niet is betwist.
5.8.
Verder is voldoende gebleken dat [verzoeker] doorgaans ongeveer 16 uur per maand werkzaam is als zelfstandige, voor vier verschillende klanten, dat hij die werkzaamheden over het algemeen na kantoortijd uitvoert, en dat hij op 11 december 2018, 14 december 2018 en 8 januari 2019 bij uitzondering overdag en binnen kantoortijden bij die klanten heeft gewerkt vanwege een spoedeisende calamiteit. Dat laatste vindt voldoende steun in de door [verzoeker] overgelegde facturen en schriftelijke verklaringen van die klanten.
5.9.
In de arbeidsovereenkomst is geen verbod op nevenwerkzaamheden opgenomen. De toepasselijke CAO VO houdt ook geen algemeen verbod in op nevenwerkzaamheden. In artikel 18.4 lid 1 CAO VO is wel bepaald dat een werknemer de werkgever in kennis moet stellen van het aanvaarden van werkzaamheden waarvoor hij inkomen ontvangt. Op grond van artikel 18.4 lid 3 CAO VO is het een werknemer niet toegestaan om nevenwerkzaamheden te verrichten, als die werkzaamheden naar het oordeel van de werkgever redelijkerwijs in strijd zijn met de belangen van de instelling. Daarnaast geldt in zijn algemeenheid dat een werknemer zich als goed werknemer moet gedragen (artikel 7:611 BW).
5.10.
SKOV heeft in het verweerschrift gesteld dat zij geen enkele waarde hecht aan de door [verzoeker] overgelegde en hiervoor geciteerde verklaringen van [naam 1] en [naam 2] . Echter, op de zitting heeft SKOV, daarnaar gevraagd, erkend dat de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] feitelijk wel juist zijn en geen onwaarheden bevatten. Dat betekent dat de kantonrechter de feiten in die verklaringen, gelet op de wettelijke regels over bewijs, als vaststaand moet beschouwen (artikel 149 en 154 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
5.11.
Uit de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] blijkt dat beiden vanaf de aanvang van het dienstverband van [verzoeker] en tot 6 oktober 2018 als Hoofd Stafbureau hebben gefunctioneerd en dat zij in die periode de leidinggevenden van [verzoeker] waren. Op de zitting is door SKOV erkend dat [naam 1] en [naam 2] bij het stafbureau van SKOV hiërarchisch de hoogste positie hadden.
5.12.
Uit de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] blijkt ook dat beiden altijd op de hoogte zijn geweest van de betaalde nevenwerkzaamheden van [verzoeker] voor opdrachtgevers en klanten van [naam onderneming] , dat zij daarmee akkoord gingen en deze werkzaamheden zelfs stimuleerden, en dat zij meenden dat SKOV baat had bij deze nevenwerkzaamheden. Daarnaast volgt uit die verklaringen dat [verzoeker] zijn ICT-werkzaamheden voor SKOV met toestemming en medeweten van [naam 1] en [naam 2] steeds naar eigen inzicht mocht verrichten en indelen, dat die ICT-werkzaamheden ook buiten kantoortijden, in schoolvakanties en thuis werden gedaan, en dat daartegenover stond dat [verzoeker] tijdens kantoortijden soms geen werkzaamheden verrichtte.
5.13.
De kantonrechter moet gelet op de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] vaststellen dat [verzoeker] vanaf de aanvang van het dienstverband en nadien toestemming had voor zijn nevenwerkzaamheden voor [naam onderneming] . Uit die verklaringen volgt ook dat het [verzoeker] niet verboden was om die werkzaamheden voor [naam onderneming] bij gelegenheid tijdens kantoortijden te doen, omdat [verzoeker] zijn werk voor SKOV naar eigen inzicht mocht verrichten en indelen, waardoor hij soms tijdens kantoortijden geen werkzaamheden voor SKOV hoefde te verrichtten.
5.14.
De toestemming van [naam 1] en [naam 2] aan [verzoeker] voor het verrichten van de nevenwerkzaamheden en hun wetenschap van die nevenwerkzaamheden moet aan SKOV worden toegerekend. [naam 1] en [naam 2] waren immers vanaf de aanvang van het dienstverband van [verzoeker] en tot 6 oktober 2018 de leidinggevenden van [verzoeker] en hoofd van de stafafdeling van SKOV waar [verzoeker] werkzaam was.
5.15.
SKOV stelt dat [verzoeker] vanaf oktober 2014 niet meer in gerechtvaardigd vertrouwen mocht afgaan op de hiervoor bedoelde toestemming van [naam 1] en [naam 2] , omdat er toen andere en duidelijke afspraken zijn gemaakt met het toenmalige bestuur van SKOV. Uit een brief van het toenmalige bestuur aan [verzoeker] van 20 oktober 2014 blijkt dat dit bestuur aan [verzoeker] meedeelde dat hij geacht werd om op werkdagen ten minste acht uren werkzaam te zijn voor SKOV, dat het hem niet meer werd toegestaan om op eigen initiatief werkzaamheden ‘s avonds, ‘s nachts of in het weekeinde uit te voeren, en dat [verzoeker] een logboek en een urenverantwoording van zijn werkzaamheden moest bijhouden. [verzoeker] heeft gesteld dat hij zich aanvankelijk ook aan die aanwijzing van het toenmalige bestuur heeft gehouden en dat is door SKOV niet betwist.
5.16.
De kantonrechter stelt vast dat in de brief van het toenmalige bestuur van 20 oktober 2014 geen mededelingen worden gedaan over de nevenwerkzaamheden van [verzoeker] . Uit die brief kan dus niet worden afgeleid dat het [verzoeker] , in afwijking van de toestemming van [naam 1] en [naam 2] , werd verboden om nevenwerkzaamheden voor [naam onderneming] te verrichten.
5.17.
Daarnaast wordt in de brief van 20 oktober 2014 vermeld dat [verzoeker] zijn werkzaamheden op een andere plek dan zijn vaste werkruimte bij SKOV kan verrichten, maar dat hij dat moet afstemmen met [naam 2] . Ook het verrichten van werkzaamheden buiten de normale werktijden kan volgens die brief worden toegestaan, met toestemming van “het hoofd staf”, te weten [naam 2] . Verder staat in die brief dat verlof moet worden aangevraagd bij [naam 2] en dat de urenverantwoording moet worden afgelegd aan “het hoofd staf, uw functionele meerdere”, opnieuw [naam 2] dus. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat het toenmalige bestuur weliswaar mededelingen heeft gedaan aan [verzoeker] over de werktijden en de indeling daarvan, maar dat tegelijkertijd instemming met een eventuele afwijking en nadere invulling of verantwoording daarvan is overgelaten aan [naam 2] .
5.18.
Uit eerdergenoemde verklaring van [naam 2] volgt dat hij na de brief van 20 oktober 2014 constateerde dat [verzoeker] de ICT-werkzaamheden naar behoren verrichtte, dat hem duidelijk werd dat die werkzaamheden zowel binnen als buiten kantoortijden plaatsvonden en op meer dan 40 uur per week, en dat hij begin 2015 heeft aangegeven dat [verzoeker] geen urenverantwoording meer hoefde af te leggen. Volgens die verklaring heeft [naam 2] dat ook afgestemd met de destijds nieuw aangetreden bestuurder [naam 5] . Daarmee moet als vaststaand worden aangenomen dat [naam 2] (opnieuw) heeft ingestemd met de praktijk zoals hiervoor beschreven onder 5.12 en 5.13. [verzoeker] mocht ook in gerechtvaardigd vertrouwen op die toestemming en instemming van [naam 2] afgaan, omdat [naam 2] zijn leidinggevende en “functionele meerdere” was, en omdat het toenmalige bestuur blijkens de brief van 20 oktober 2014 de eventuele afwijking, nadere invulling en verantwoording van de werkafspraken heeft overgelaten aan [naam 2] .
5.19.
SKOV heeft in dit verband nog gewezen op een door haar overgelegde verklaring van [naam 5] van 27 februari 2019, waarin [naam 5] stelt dat hij tot september 2017 [verzoeker] aanstuurde en niet [naam 2] , en dat [naam 2] daarom geen afspraken met [verzoeker] kon maken zonder overleg met [naam 5] . Echter, uit de door [verzoeker] overgelegde jaarstukken en organogrammen van SKOV van 2015, 2016 en 2017 blijkt dat [naam 2] de direct leidinggevende was van [verzoeker] , niet [naam 5] . Verder kan in de stukken geen aanknopingspunt worden gevonden voor de stelling dat aan [verzoeker] duidelijk is gemaakt of meegedeeld dat hij geen afspraken (meer) mocht maken met [naam 2] . Voor zover [naam 2] heeft gehandeld in strijd met afspraken met [naam 5] , kan dat niet aan [verzoeker] worden tegengeworpen. Daarbij komt dat [naam 2] in zijn verklaring, waarvan ook op dit punt de juistheid niet is betwist, heeft gesteld dat hij over zijn werkafspraken met [verzoeker] overleg had met [naam 5] . Er is daarom onvoldoende reden om te oordelen dat [verzoeker] niet in gerechtvaardigd vertrouwen mocht afgaan om eerdergenoemde toestemming en instemming van [naam 2] .
5.20.
Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat [verzoeker] steeds met toestemming en medeweten van SKOV nevenwerkzaamheden heeft verricht voor [naam onderneming] , dat SKOV ermee bekend was en ermee instemde dat [verzoeker] soms tijdens kantoortijden geen werkzaamheden voor SKOV verrichtte, en dat er daarom ook van moet worden uitgegaan dat het [verzoeker] niet verboden was die nevenwerkzaamheden incidenteel te verrichten tijdens kantoortijden. Dat betekent dat [verzoeker] zijn plichten uit de arbeidsovereenkomst niet heeft veronachtzaamd door het verrichten van nevenwerkzaamheden voor [naam onderneming] , ook niet waar dat incidenteel tijdens kantoortijden gebeurde, en dat zich dus geen dringende reden heeft voorgedaan voor een ontslag op staande voet.
5.21.
SKOV heeft erop gewezen dat [naam 2] en [naam 1] onderdeel waren van een “oude cultuur”, waarin [naam 2] en [naam 1] jarenlang de werkzaamheden binnen SKOV naar eigen inzicht hebben uitgevoerd en waarbij zij het bestuur van SKOV zo veel mogelijk op afstand hebben gehouden. In de visie van SKOV hebben [naam 1] en [naam 2] de regie binnen het stafbureau van SKOV naar zich toegetrokken en het toenmalige bestuur buiten spel gezet, waarbij [naam 1] en [naam 2] streefden naar zo veel mogelijk vrijheid binnen dat stafbureau.
5.22.
De kantonrechter begrijpt dat SKOV de door haar genoemde “oude cultuur” heeft willen veranderen en de regie over haar instelling weer bij het bestuur en de huidige uitvoerend bestuurder heeft willen leggen. Het staat SKOV als instelling en werkgever uiteraard vrij om haar onderneming zo in te richten en te besturen als zij dat wenst. Echter, indien SKOV het niet langer gewenst vindt dat [verzoeker] nevenwerkzaamheden verricht en zijn werktijden naar eigen inzicht invult, zal zij dit duidelijk moeten communiceren aan [verzoeker] , bijvoorbeeld in het kader van functioneringsgesprekken, en zal zij de in het verleden verleende toestemming en instemming voor die nevenwerkzaamheden moeten heroverwegen en eventueel moeten herzien. Pas als [verzoeker] na duidelijke afspraken en redelijke opdrachten daarover vervolgens weigert daaraan te voldoen, kunnen maatregelen en sancties in beeld komen. Daarvoor is het nu (veel) te vroeg.
5.23.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [verzoeker] om vernietiging van dat ontslag worden toegewezen. Er is immers sprake van een opzegging in strijd met de wet (artikel 7:671 lid 1 BW). Dat brengt mee dat die opzegging moet worden vernietigd (artikel 7:681 lid 1 BW).
5.24.
Nu het ontslag op staande voet wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort en heeft [verzoeker] recht op doorbetaling van loon. SKOV zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 5.403,00 bruto per maand vanaf 15 januari 2019. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat SKOV te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 20%. De gevorderde vakantietoeslag kan niet worden toegewezen, omdat niet is gesteld dat deze nu al verschuldigd is.
5.25.
De vordering om SKOV te gebieden [verzoeker] toe te laten tot het werk wordt toegewezen. [verzoeker] kan in beginsel aanspraak maken op feitelijke tewerkstelling en heeft daar ook belang bij. Op grond van goed werkgeverschap is SKOV gehouden [verzoeker] toe te laten tot de werkzaamheden (artikel 7:611 BW). Dit is alleen anders als SKOV zwaarwegende gronden of belangen heeft om [verzoeker] niet toe te laten tot het werk. Dergelijke zwaarwegende gronden of belangen zijn de kantonrechter niet gebleken. De kantonrechter zal SKOV gebieden om [verzoeker] uiterlijk 1 mei 2019 toe te laten tot het werk, om SKOV in de gelegenheid te stellen daartoe de nodige voorbereidingen te treffen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt tot € 500,00 per dag met een maximum van € 50.000,00. Ten aanzien van de gevorderde toegang tot het ICT-systeem en het personeelsdossier wordt eenzelfde beslissing genomen, omdat die toegang direct samenhangt met de werkhervatting.
5.26.
De vordering van [verzoeker] om SKOV te veroordelen tot betaling van € 30.000,00 aan immateriële schadevergoeding berust op de stelling dat SKOV in strijd heeft gehandeld met goed werkgeverschap en een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [verzoeker] , met name door het onrechtmatig inschakelen en het onrechtmatige onderzoek van Hoffmann Bedrijfsrecherche en door de onjuiste berichtgeving dat [verzoeker] uit zijn functie is ontheven.
5.27.
Een benadeelde heeft voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast (artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW). Van een aantasting in zijn persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van een aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 (PI De Schie)).
5.28.
De kantonrechter is van oordeel dat het inschakelen van Hoffmann Bedrijfsrecherche door SKOV en het daarop volgende onderzoek jegens [verzoeker] onrechtmatig is geweest. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat [verzoeker] steeds met toestemming en medeweten van zijn leidinggevenden [naam 1] en [naam 2] nevenwerkzaamheden heeft verricht voor [naam onderneming] , dat SKOV daarmee bekend was en instemde, en dat het [verzoeker] ook niet verboden was die nevenwerkzaamheden incidenteel te verrichten tijdens kantoortijden. SKOV had, toen zij kennelijk van derden signalen kreeg over deze nevenwerkzaamheden van [verzoeker] , daarover simpelweg navraag kunnen doen bij [naam 1] en [naam 2] , en bij [verzoeker] zelf. Indien zij dat had gedaan, was haar direct gebleken van het medeweten en de toestemming van [naam 1] en [naam 2] . Door dit niet te doen, maar Hoffmann Bedrijfsrecherche in te schakelen en een onderzoek te laten verrichten door het observeren en volgen van [verzoeker] , heeft SKOV de privacy van [verzoeker] geschonden, zoals beschermd door artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dat onderzoek door Hoffmann Bedrijfsrecherche was immers niet noodzakelijk, terwijl duidelijkheid over de nevenwerkzaamheden van [verzoeker] ook op een minder ingrijpende manier kon worden verkregen. Het belang van SKOV om inzicht te krijgen in die nevenwerkzaamheden woog daarom niet op tegen het privacybelang van [verzoeker] .
5.29.
Het bericht van SKOV op 15 januari 2019 aan alle personeelsleden dat [verzoeker] uit zijn functie is ontheven, is niet onrechtmatig. Dat bericht is immers op zichzelf feitelijk juist, omdat [verzoeker] met ingang van 9 januari 2019 was geschorst en op 15 januari 2019 op staande voet is ontslagen. Overigens was SKOV op grond van artikel 10.b.6 van de CAO VO 2018-2019 ook bevoegd tot schorsing over te gaan bij wijze van ordemaatregel. Ook de mededeling in het bericht van 15 januari 2019 dat onderzoek had uitgewezen dat [verzoeker] tijdens werktijd voor andere bedrijven werkzaamheden had verricht is feitelijk juist, omdat dit ook door [verzoeker] is erkend en hiervoor als vaststaand is aangenomen.
5.30.
Dat betekent dat de door [verzoeker] gestelde aanspraak op een immateriële schadevergoeding alleen kan berusten op de inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer door het onderzoek van Hoffmann Bedrijfsrecherche en de schending daardoor van een fundamenteel recht. Echter, de enkele schending van een fundamenteel recht kan niet leiden tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een aantasting in de persoon, zoals hiervoor is overwogen. Verder heeft [verzoeker] onvoldoende concrete gegevens aangevoerd waaruit het bestaan van enig geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. Er is met name geen medische verklaring overgelegd waaruit blijkt van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld of van psychische schade. De gevorderde immateriële schadevergoeding moet daarom worden afgewezen.
5.31.
De vordering van [verzoeker] om SKOV te veroordelen tot rectificatie van het hiervoor genoemde bericht van 15 januari 2019 van SKOV aan alle personeelsleden, wordt afgewezen. SKOV kan worden veroordeeld tot openbaarmaking van een rectificatie, als SKOV jegens [verzoeker] aansprakelijk is ter zake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard (artikel 6:167 BW). Zoals hiervoor al is overwogen, is het bericht van 15 januari 2019 van SKOV op zichzelf niet onrechtmatig en niet feitelijk onjuist. Voor een veroordeling tot rectificatie bestaat daarom geen grondslag. De kantonrechter merkt overigens op dat het hem aangewezen lijkt dat SKOV, in overleg met [verzoeker] , ter voorbereiding van werkhervatting een bericht doet uitgaan aan alle personeelsleden dat [verzoeker] zijn werkzaamheden zal hervatten en dat in deze uitspraak is geoordeeld dat [verzoeker] zich niet schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.
5.32.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten kunnen worden toegewezen, omdat voldoende is gebleken van werkzaamheden die een vergoeding daarvoor rechtvaardigen. Omdat de hoogte van het gevorderde bedrag is betwist en dit bedrag door [verzoeker] niet nader is onderbouwd, zal de kantonrechter de kosten met toepassing van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepalen aan de hand van het bedrag van het gevorderde loon per maand van € 5.403,00, dus op een bedrag van € 645,15 exclusief btw.
5.33.
De proceskosten komen voor rekening van SKOV, omdat zij ongelijk krijgt. Daarbij zal het salaris van de gemachtigde van [verzoeker] met toepassing van de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz worden vastgesteld op een bedrag van € 960,00.
5.34.
Hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet wordt vernietigd. Dat betekent dat de voorwaarde waaronder SKOV het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gedaan, is vervuld, zodat dit verzoek zal worden beoordeeld.
5.35.
Het gaat bij dit verzoek om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
5.36.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. Onder een redelijke grond voor ontbinding wordt onder andere verstaan verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, en een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3, onderdeel e en g, BW).
5.37.
Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen grond voor ontbinding. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.38.
SKOV legt aan haar verzoek onder andere ten grondslag dat is gebleken dat [verzoeker] zich consequent onttrekt aan afspraken met bestuurders en zijn werkzaamheden bij SKOV organiseert en uitvoert op een wijze die niet passen in een gezagsverhouding binnen een arbeidsovereenkomst. Naar de kantonrechter begrijpt, doelt SKOV hiermee op dezelfde feiten en omstandigheden als die welke ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag op staande voet, met name het verrichten van nevenwerkzaamheden door [verzoeker] tijdens werktijd. Zoals hiervoor al is geoordeeld, is het verrichten van die werkzaamheden geen plichtsverzuim van [verzoeker] en gebeurde dit met instemming en medeweten van SKOV. Daaruit volgt dat deze omstandigheden geen verwijtbaar gedrag van [verzoeker] en geen verstoorde arbeidsverhouding kunnen opleveren.
5.39.
SKOV heeft verder aangevoerd dat [verzoeker] haar financieel heeft benadeeld, doordat hij heeft bewerkstelligd dat SKOV bij [naam 7] computers tegen een te hoge prijs heeft gekocht. Ook dit verwijt kan geen ontbinding rechtvaardigen.
5.40.
Uit de hiervoor genoemde verklaring van [naam 1] , en een aanvullende verklaring van [naam 1] van 5 maart 2019, waarvan de juistheid door SKOV niet is betwist, blijkt dat [naam 1] ermee bekend was en ermee instemde dat SKOV ook na de indiensttreding van [verzoeker] hardware via [naam onderneming] is blijven kopen, aangezien [naam onderneming] ten behoeve van SKOV een zeer concurrerend inkoopvoordeel bij [naam 7] kon bewerkstelligen. Daarbij is door [naam 1] toegelicht dat [naam 7] niet bereid was computers en randapparatuur bij de (eind)gebruikers te installeren of aan (eind-) gebruikers service te verlenen, zodat inkoop plaatsvond via [naam onderneming] , in de persoon van [verzoeker] . [naam onderneming] verzorgde vervolgens de aflevering, installatie en service van de computers en randapparatuur bij SKOV, waarvoor [naam onderneming] bij SKOV de inkoopprijs factureerde, met een opslag/marge. Ook heeft [naam 1] verklaard dat op enig moment is gekozen voor een bepaalde constructie met [naam 7] en [naam onderneming] , waarbij [naam 7] grotere transacties rechtstreeks aan SKOV zou factureren, maar [naam onderneming] nog steeds zou zorgdragen voor de ontvangst, aflevering, installatie en service van de computers en randapparatuur bij SKOV, waarvoor [naam onderneming] via [naam 7] een opslag/marge zou krijgen. [naam 1] verklaart dat hij met die constructie bekend was en daarmee instemde, omdat die constructie (nog steeds) zeer voordelig was voor SKOV en SKOV daarvan geen enkel nadeel zou ondervinden.
5.41.
Uitgaande van de verklaring van [naam 1] is niet gebleken dat [verzoeker] op een onbehoorlijke of onjuiste wijze heeft gehandeld of SKOV financieel heeft benadeeld, terwijl bovendien als vaststaand moet worden aangenomen dat SKOV van de gang van zaken op de hoogte was en daarmee expliciet instemde. Ook hier is er geen grond om te oordelen dat [verzoeker] niet mocht afgaan op de instemming van [naam 1] . Dat uit een e-mailwisseling tussen [verzoeker] en [naam 7] blijkt dat [verzoeker] op enig moment trachtte om een hogere opslag/marge te bedingen voor zijn onderneming [naam onderneming] , leidt niet tot een ander oordeel. Inherent aan de hiervoor genoemde constructie is dat [naam onderneming] en [verzoeker] daarvan ook profiteerden. SKOV was daarvan op de hoogte en stemde daarmee in, zoals hiervoor overwogen. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het verwijtbaar is dat [verzoeker] met [naam 7] onderhandelde over de hoogte van de opslag/marge voor [naam onderneming] .
5.42.
Verder weegt de kantonrechter mee dat vast staat dat de levering door [naam onderneming] aan SKOV van computers en randapparatuur, en de hiervoor genoemde constructie met [naam 7] , in 2016 is gestaakt en niet voortgezet. Voor zover al sprake zou zijn geweest van verwijtbaar gedrag, kan dat thans geen grond voor ontbinding meer opleveren.
5.43.
Daarnaast stelt SKOV dat is gebleken dat [verzoeker] zich jarenlang ten onrechte en in strijd met gemaakte afspraken overuren en zogeheten recuperatie-uren heeft laten uitbetalen. Ook dit verwijt kan niet tot ontbinding leiden.
5.44.
Vast staat dat op 29 juni 2015 tussen de toenmalige bestuurder [naam 5] en [verzoeker] is overeengekomen dat in juli 2015 in totaal 524 overuren werden uitbetaald en 50 recuperatie-uren. Ook is daarbij overeengekomen dat uitbetaling van verlofdagen een eenmalige uitzondering was en dat overwerk niet (meer) zou worden gecompenseerd.
5.45.
In de overeenkomst van 29 juni 2015 wordt daarnaast vermeld dat [verzoeker] nog wel compensatie kan krijgen voor werken in vakanties na voorafgaande toestemming van de bestuurder of het “hoofd staf”, destijds [naam 2] . Ook staat in die overeenkomst dat het recuperatieverlof van 50 uur per jaar vanaf dat moment “conform cao” zou worden ingezet en dat voor aanvang van het schooljaar moet worden gemeld wat de keuze van [verzoeker] is.
5.46.
In 2016, 2017 en 2018 zijn betalingen gedaan aan [verzoeker] onder de titel overuren en recuperatie-uren.
5.47.
[verzoeker] heeft toegelicht dat aan hem in 2016, 2017 en 2018 een aantal overuren is uitbetaald in verband met gewerkte dagen en uren in vakanties, en dat hij daarvoor voorafgaande toestemming had van [naam 2] . SKOV heeft in het verweerschrift erkend dat [naam 2] toestemming heeft gegeven voor uitbetaling van overuren, zowel in 2016, 2017 als 2018. Uit een “Urenoverzicht 2016/2017” en een e-mail van [naam 2] van 12 mei 2016 blijkt dat die overuren zijn betaald in verband met een compensatie voor werkzaamheden verricht in vakanties. Gelet daarop heeft [verzoeker] geen overuren betaald gekregen in strijd met gemaakte afspraken. Uitgaande van de hiervoor genoemde overeenkomst van 29 juni 2015 kon [verzoeker] immers nog steeds compensatie krijgen voor werken in vakanties na voorafgaande toestemming van [naam 2] , en vast staat dat die toestemming is verleend. [verzoeker] mocht er vanwege de overeenkomst van 29 juni 2015 ook op vertrouwen dat [naam 2] die toestemming namens SKOV kon verlenen.
5.48.
Wat betreft het recuperatieverlof heeft [verzoeker] uiteengezet dat de CAO VO vanaf 2015 en nadien aan een werknemer het recht gaf om dit verlof te ‘kapitaliseren’ en te laten uitbetalen. SKOV heeft daartegenover op zichzelf terecht gesteld dat dit recht alleen toekomt aan medewerkers met loonschaal 8 en dus niet aan [verzoeker] . Echter, op de zitting heeft [verzoeker] gesteld dat SKOV vanaf 2015 recuperatie-uren op verzoek ook steeds heeft uitbetaald aan medewerkers boven loonschaal 8 en dit is door SKOV niet weersproken. Deze stelling van [verzoeker] vindt ook steun in een door hem overgelegd formulier “Uitleg bij het inventarisatieformulier” van SKOV, waarin expliciet staat dat een medewerker kan kiezen om het “basisbudget van 50 klokuren”, te weten het recuperatieverlof, “te laten uitbetalen”. De stelling van SKOV dat dit formulier niet geldt voor medewerkers boven loonschaal 8 kan niet worden gevolgd, omdat dit niet blijkt uit dat formulier en die stelling ook niet strookt met de hiervoor genoemde uitvoeringspraktijk, die niet is weersproken. Dat betekent dat de uitbetaling aan [verzoeker] van recuperatie-uren niet in strijd is met gemaakte afspraken, maar aansluit bij en in overeenstemming is met de uitvoeringspraktijk van SKOV. De overeenkomst van 29 juni 2015 staat daaraan ook niet in de weg, omdat daarin wordt vermeld dat het recuperatieverlof van 50 uur per jaar “conform cao” moet worden ingezet en dat [verzoeker] voor aanvang van het schooljaar moet melden wat zijn keuze is. Daarbij komt dat [naam 2] blijkens een e-mail van 12 mei 2016 en een opdrachtformulier van juli 2017 expliciet toestemming heeft gegeven voor betaling van recuperatie-uren.
5.49.
SKOV heeft nog een schriftelijke afspraak tussen [naam 5] en [verzoeker] overgelegd, waarin nadere afspraken worden genoemd ten aanzien van het recuperatieverlof. Die afspraak kan niet afdoen aan wat hiervoor is overwogen. Op de afspraak is handgeschreven genoteerd dat deze uit november 2015 zou dateren, maar dat is door [verzoeker] betwist. Bij gebreke van nadere gegevens en een nadere onderbouwing door SKOV kan de kantonrechter niet vaststellen wanneer deze afspraak is gemaakt en hoe deze zich verhoudt tot eerdergenoemde overeenkomst van 29 juni 2015. Bovendien verbiedt ook deze afspraak niet zonder meer het uitbetalen van recuperatie-uren en wordt deze afspraak ontkracht door de hiervoor genoemde uitvoeringspraktijk van SKOV.
5.50.
De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat sprake is van verwijtbaar gedrag van [verzoeker] . Het verzoek om ontbinding van SKOV op die grond zal dus worden afgewezen.
5.51.
Volgens SKOV is ook sprake van een verstoorde arbeidsverhouding, omdat [verzoeker] zich een onbetrouwbare werknemer heeft getoond, zich onttrekt aan gemaakte afspraken en zijn functie uitvoert op een wijze die niet past in een gezagsverhouding binnen een arbeidsovereenkomst. Zoals blijkt uit wat hiervoor is overwogen, volgt de kantonrechter SKOV niet in dat standpunt. Van een verstoorde arbeidsverhouding is daarom geen sprake, zodat er geen aanleiding is om op deze grond de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
5.52.
SKOV heeft daarnaast verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens andere omstandigheden die zodanig zijn dat van haar redelijkerwijs niet gevergd kan worden die overeenkomst te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3, onderdeel h, BW). Deze grond voor ontbinding, de zogenoemde h-grond, is echter niet bedoeld voor het ‘repareren’ van een ontslag waarvoor – wegens een gebrek aan een voldoende onderbouwing – geen redelijke grond bestaat (Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, C, pag. 91). SKOV heeft ter onderbouwing van het verzoek om ontbinding op de h-grond geen andere feiten en omstandigheden naar voren gebracht dan die welke hiervoor al zijn besproken in het kader van het gestelde verwijtbare gedrag en de verstoorde arbeidsverhouding. Er is daarom geen aanleiding om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de h-grond.
5.53.
Omdat het verzoek om ontbinding wordt afgewezen, moet SKOV de proceskosten van [verzoeker] betalen. Vanwege de samenhang met het verzoek van [verzoeker] , zullen die kosten op nihil worden bepaald.