RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 7786717 \ AO VERZ 19-66
Uitspraakdatum: 18 juli 2019
Beschikking in de zaak van:
[werknemer]
,
wonende te [woonplaats]
verzoekende partij
verder te noemen: [werknemer]
gemachtigde: mr. D.J. Bomhof
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Lowland Nederland B.V.,
gevestigd te Hoofddorp
verwerende partij
verder te noemen: Lowland
gemachtigde: mr. A.D. van Koningsveld
2 De feiten
2.1.
[werknemer] , geboren op [geboortedatum] 1965, is op 6 mei 2017 in dienst getreden van Lowland. Sinds 6 februari 2019 geldt de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
2.2.
De functie van [werknemer] is shore-side dock technician. De werkzaamheden worden uitgevoerd bij NuStar Terminal Statia/NuStar Terminals Marine Services N.V. (hierna: NuStar), op St. Eustasius. [werknemer] werkt steeds 42 dagen achter elkaar, 7 dagen per week, waarna hij thuis 42 dagen rust heeft.
2.3.
Op de arbeidsovereenkomst is Nederlands recht van toepassing.
2.4.
Het salaris van [werknemer] verschilt naar gelang sprake is van een werk- of een rustperiode.
2.5.
In artikel 9 van de arbeidsovereenkomst is het volgende bepaald:
‘
Article 9.0 Termination of employment contract
9.1.
The employer is entitled to terminate the agreement:
A. When the parties so decide by means of an agreement to be specified as “by mutual consent”;
B. When the employment agreement is dissolved by legal authorities;
C. When the employee gives the employer a justified reason to terminate the employment agreement with an immediate effect, for instance in cases of:
- refusal of any work ordered by a superior in a seamanlike matter;
- contrabands/smuggling;
- not reporting for duty in time after short leave;
- willful loss and/or damage to the vessel, cargo or passengers;
- misbehavior, fighting or gambling;
- willful non-compliance with the local regulations of the country and/or the port of call;
- non-compliance with the employer’s/ship owner’s rules and policy, provided these were set up and made in a seamanlike manner;
- possession of weapons;
- criminal offence or any other offence against any law;
- violation of or non-compliance with the alcohol and drugs policy of Lowland and/or client.
D. Should one or more diplomas, certificates, medical examinations, vaccinations, or access passes be required for safety reasons before the position may be carried out, it shall be considered a resolute condition if these are not held or no longer held by the employee.
9.2.
Termination period for the employee and the employer as per applicable Dutch C.B.A.’
2.6.
Op de terminal waar [werknemer] zijn werkzaamheden verricht, geldt een rookverbod wegens explosiegevaar. Ter plaatse is middels grote borden aangegeven dat roken niet is toegestaan. Roken is alleen toegestaan buiten de terminal op de parkeerplaats, hetgeen eveneens met grote borden is aangegeven.
2.7.
Voorafgaand aan de indiensttreding bij Lowland heeft [werknemer] een briefing gehad waarbij de huisregels zijn besproken. Onderdeel van deze briefing en huisregels is het rookverbod. [werknemer] heeft op 6 mei 2017 een formulier ondertekend, waarop is afgevinkt dat het rookverbod is besproken. Op het formulier is ook het volgende vermeld: ‘I have attended the orientation class and have received the above mentioned safety literature. I acknowledge that the following may result in dismissal from the site:1)blatant violation of any HSE policy, procedure or regulation (…)’
2.8.
Op 22 maart 2019 heeft NuStar geconstateerd dat [werknemer] aan het roken was op een plek op de terminal, waar dit verboden is. NuStar heeft [werknemer] op dat moment op non-actief gesteld en hem verzocht de werkplaats te verlaten. [werknemer] heeft gehoor gegeven aan dit verzoek en heeft daarbij zijn radio en sleutels ingeleverd.
2.9.
NuStar (in de persoon van [betrokkene 1] ) heeft Lowland hiervan direct per e-mail van 22 maart 2019 op de hoogte gesteld. In deze e-mail is het volgende vermeld:
‘(…) As discussed this morning, we found [werknemer] (Dock Technician) was found Smoking on te Dock. We have asked him for his Radio and terminal Keys. He is not allowed to return to the Terminal Dock, please advise of your action.
Also please liaise with us as your intention based on the your findings. Feel free to ask us for any other information.’
2.10.
Lowland (in de persoon van [betrokkene 2] ) heeft die e-mail van NuStar bij e-mail van 22 maart 2019 aan [werknemer] doorgezonden en daarbij het volgende geschreven:
‘(…) Onderstaande mail heb ik vandaag ontvangen van [betrokkene 1] . Kun jij je hier in vinden, gaarne commentaar. (…)’
2.11.
Bij e-mail van 22 maart 2019 heeft [werknemer] daarop geantwoord:
‘Ik heb vanochtend inderdaad de sleutels, radio en terminalpas bij [betrokkene 3] ingeleverd nadat ik door de loadingmaster ben gerapporteerd wegens roken. Normaal gesproken neem ik nooit rookwaar mee naar het dock. omdat ik dan de neiging krijg om te gaan roken. Vanochtend is dat dus gebeurt. Ik ben mij van deze fout terdege bewust. Mijn welgemeende excuses zijn dan ook op zijn plaats.’
2.12.
Lowland heeft hierop bij e-mail van 22 maart 2019 aldus gereageerd:
‘Dank voor jouw antwoord, maar je kent de consequenties en dat betekend dat wij jou niet langer in dienst kunnen houden. We zullen jouw terugreis regelen en de eindafrekening opmaken.’
2.13.
[werknemer] heeft hierop bij e-mail van diezelfde datum geantwoord:
‘Ik weet wat de uiterste consequentie kan zijn. Mijn mening is dat dit besluit wel enigszins wat kort door de bocht is, maar ja zo gaat het nu eenmaal. Nobody is perfect. Ik ook niet. Ik zal mij onthouden van zaken die ik dagelijks zie gebeuren die niet volgens de regels zijn. Het besluit is blijkbaar immers al genomen.’
2.14.
Vervolgens is [werknemer] naar St. Maarten getransporteerd, vanwaar hij is teruggevlogen naar Nederland. Op dinsdag 26 maart 2019 was [werknemer] thuis.
2.15.
Op 2 april 2019 ontving [werknemer] (aangetekend en per gewone post) een brief van Lowland gedateerd 22 maart 2019, verzonden op 1 april 2019. In deze brief is het volgende vermeld:
‘Zoals eerder met u besproken, via email, delen wij u mede dat uw dienstverband per 22 maart 2019 beëindigd is. Een en ander conform artikel 9.0 van uw arbeidsovereenkomst. De reden is het door de klant gemelde en door u bevestigde roken op de terminal daar waar het ten strengste verboden is. Deze omstandigheden vormen een dringende reden tot ontslag op staande voet. De klant wenst onder geen enkele voorwaarde verder nog van uw diensten gebruik te maken. Ontslag op staande voet maakt u schadeplichtig. Derhalve behouden wij ons het recht voor om eventuele schade door de omstandigheden die leidden tot dit ontslag op u te verhalen en/of schade te verrekenen met de eindafrekening van uw arbeidsovereenkomst.’
2.16.
Bij brief van zijn gemachtigde van 15 april 2019 heeft [werknemer] geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet en heeft hij Lowland verzocht hem weer op te roepen voor de bedongen werkzaamheden.
2.17.
Bij schrijven van 23 april 2019 heeft Lowland hierop gereageerd. Zij heeft het ontslag op staande voet gehandhaafd.
2.18.
Lowland heeft een eindafrekening opgemaakt, waarin zij een bedrag van € 1.697,31 netto met het nog te ontvangen salaris heeft verrekend. Dit bedrag heeft betrekking op kosten van de terugreis van [werknemer] .
2.19.
Volgens het oorspronkelijke werkschema zou op 28 maart 2019 voor [werknemer] een rustperiode van 42 dagen beginnen.
3 Het verzoek
3.1.
[werknemer] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Lowland bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de procedure te veroordelen tot betaling van:
A. het salaris ad € 2.566,69 bruto per maand c.a., op de gebruikelijke wijze en tijdstippen, ingaande 23 maart 2019 en zolang de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd;
B. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over de onder 1. (bedoeld is naar de kantonrechter begrijpt: onder A.) genoemde post;
C. de wettelijke rente over de onder A en B gevorderde bedragen vanaf de dag van verschuldigdheid daarvan;
D. het ten onrechte op de eindafrekening verrekende bedrag van € 1.697,31 netto.
II. in de hoofdzaak:
E. het op 1 april 2019 althans 22 maart 2019 gegeven ontslag op staande voet te vernietigen;
F. te bepalen dat Lowland [werknemer] te werk moet stellen in zijn functie van shore-side dock technician met alle daarbij behorende taken binnen uiterlijk twee dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of deel daarvan dat Lowland ook na betekening van de te wijzen beschikking in gebreke mocht blijven aan een zodanige veroordeling te voldoen;
G. te bepalen dat Lowland het loon van [werknemer] vanaf 23 maart 2019 dient te voldoen, conform hetgeen is verwoord in punt 55 van het verzoek, van welk punt de opsomming van bedragen per periode als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd;
H. te bepalen dat Lowland aan [werknemer] € 1.697,31 netto dient te voldoen inzake het ten onrechte met de eindafrekening verrekende bedrag.
III. in de procedure betreffende de voorlopige voorziening en in de hoofdzaak:
Lowland te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking.
3.2.
[werknemer] legt – kort weergegeven – aan het verzoek ten grondslag dat het gegeven ontslag op staande voet moet worden vernietigd, omdat geen sprake is van een dringende reden, het ontslag niet onverwijld is gegeven en [werknemer] niet schriftelijk heeft ingestemd met het ontslag. [werknemer] heeft dus recht op doorbetaling van loon en wedertewerkstelling. Hiertoe stelt [werknemer] het volgende.
3.3.
[werknemer] is zich ervan bewust van dat hij een fout heeft gemaakt. Hij is bekend met het rookverbod op de werkvloer en de reden daarvoor. Hij is rookverslaafd en neemt normaal gesproken geen rookwaar mee naar de terminal. Op 22 maart 2019 had hij echter wel rookwaar bij zich en heeft hij zonder erbij na te denken een sigaret opgestoken ter verlichting van moeheid en spanningen in verband met schulden. Van moedwillig handelen is geen sprake geweest. [werknemer] heeft verder een smetteloos blazoen. Het is [werknemer] niet duidelijk geweest dat roken leidt tot een ontslag op staande voet. In artikel 9 van de arbeidsovereenkomst is dat niet vermeld. Bovendien is in het verleden meermaals sprake geweest van rokende werknemers die niet op staande voet zijn ontslagen. [werknemer] weet niet of die werknemers bij Lowland in dienst waren. Lowland had ook andere mogelijkheden dan een ontslag op staande voet, zoals een waarschuwing of schorsing. De inlener (in de persoon van [betrokkene 3] ) heeft ook aangegeven dat hij nog eens zou kijken of hij nog iets kon doen om [werknemer] te helpen in de zin van een waarschuwing of tweede kans. Tussen 22 maart 2019 en 2 april 2019 zijn [werknemer] geen nadere vragen gesteld over de precieze gang van zaken ter plaatse, noch over zijn persoonlijke omstandigheden. Bovendien was er geen gevaar en er is geen sprake geweest van schade. Een en ander maakt dat er in objectieve zin geen sprake is van een dringende reden. Ook is er geen subjectieve dringende reden. Er is geen rekening gehouden met de persoonlijke en financiële omstandigheden van [werknemer] en dat had wel gemoeten.
3.4.
Bovendien is het ontslag niet onverwijld gegeven. [werknemer] heeft er op 22 maart 2019 wel rekening mee gehouden dat hij wegens het roken op de terminal niet meer zou worden ingeleend door NuStar, maar heeft niet begrepen en ook niet hoeven begrijpen dat Lowland hem op staande voet wilde ontslaan. In de e-mails van 22 maart 2019 wordt de term ‘ontslag’ niet genoemd, noch de dringende reden. Op 24 maart 2019 is [werknemer] naar Nederland gereisd. Op 26 maart 2019 is hij thuis aangekomen. Pas op 2 april 2019 ontving hij de op 1 april 2019 verzonden brief waarbij hij op staande voet werd ontslagen. Daarmee is het ontslag niet onverwijld gegeven. Er heeft immers tussen 22 maart 2019 en 1 april 2019 voor zover bekend geen nader tijdsintensief onderzoek naar het handelen of de persoonlijke omstandigheden van [werknemer] plaatsgevonden dat een dergelijk lange termijn rechtvaardigt.
3.5.
Het bedrag van € 1.697,31 netto betreffende kosten van de terugreis is ten onrechte met het loon verrekend. De kosten zijn ten onrechte gemaakt en betreffen geen schade aan de zijde van Lowland. In de arbeidsverhouding tussen partijen komen reiskosten voor rekening van Lowland. [werknemer] heeft ook niet meer gereisd dan hij in een reguliere situatie zou hebben gedaan. Voor zover Lowland stelt dat sprake is van (extra) gemaakte kosten wegens omboeking, was omboeking niet noodzakelijk. [werknemer] betwist ook de omvang van die kosten bij gebreke van een controleerbare specificatie.
4 Het verweer
4.1.
Lowland is van mening dat het verzoek moet worden afgewezen. Volgens Lowland is het ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven, omdat sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet, de arbeidsovereenkomst onverwijld is opgezegd en de mededeling van de dringende reden ook onverwijld heeft plaatsgevonden dan wel in dezen niet noodzakelijk was. Zij voert hiertoe het volgende aan.
4.2.
Overtreding van het rookverbod is een dringende reden in objectieve zin, aangezien deze kan worden geschaard onder het bepaalde in artikel 7:678 lid 2 onder h van het BW. Roken op een terminal brengt een groot brand- en ontploffingsgevaar met zich mee en is dan ook verboden. Het verbod is voldoende onder de aandacht van [werknemer] gebracht tijdens de briefing, in de huisregels en door waarschuwingsborden ter plaatse. De sanctie van ontslag op staande voet is duidelijk kenbaar gemaakt in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst. Dat [werknemer] niet moedwillig heeft gehandeld en dat geen schade is ontstaan, is niet van belang, gelet op de ernst van het vergrijp. Informeren naar de persoonlijke omstandigheden is geen geldigheidsvereiste voor een ontslag op staande voet. Er is ook sprake van een subjectieve dringende reden, omdat niet van Lowland gevergd kon worden [werknemer] met een opzegtermijn te ontslaan wegens de ernstige overtreding.
4.3.
Lowland heeft de arbeidsovereenkomst onverwijld opgezegd door op 22 maart 2019 de (onder 2.12 van deze beschikking genoemde) e-mail aan [werknemer] te sturen waarin staat dat [werknemer] de consequenties (van de overtreding van het rookverbod) kent en dat Lowland de terugreis zal regelen en de eindafrekening zal opmaken. Hieruit kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de arbeidsovereenkomst niet langer zou voortduren. [werknemer] begreep ook dat sprake was van een ontslag op staande voet, gelet op zijn (onder 2.13. van deze beschikking genoemde) e-mail van 22 maart 2019, waarin hij schrijft dat hij weet wat de uiterste consequentie kan zijn. Bovendien wist [werknemer] dat hij vervroegd moest terugreizen als gevolg van zijn ontslag op staande voet. Ook uit de omstandigheid dat [werknemer] het verzoekschrift op 21 mei 2019, precies binnen de vervaltermijn van twee maanden vanaf de opzegging op 22 maart 2019, heeft ingediend blijkt dat [werknemer] impliciet erkent dat de arbeidsovereenkomst op 22 maart 2019 is opgezegd. In dit geval hoefde Lowland de dringende reden ook niet mede te delen, omdat het [werknemer] aanstonds duidelijk was welke dringende reden tot het ontslag heeft geleid. Niettemin heeft Lowland de dringende reden voor het ontslag nog eens schriftelijk bevestigd bij brief van 22 maart 2019 kennelijk verzonden op 1 april 2019. De brief is verstuurd op het moment dat Lowland dacht dat [werknemer] zeker in Nederland zou zijn aangekomen. Dat [werknemer] al op 26 maart 2019 in Nederland was doet niet af aan de onverwijldheid van die mededeling.
4.4.
Lowland is bevoegd tot verrekening van het bedrag van € 1.697,21 netto. De verrekening betreft omboekingskosten die noodzakelijk waren omdat [werknemer] per 22 maart 2019 op staande voet was ontslagen en dus niet langer op zijn werkplek in St. Eustatius kon blijven. Daarnaast nam de terugreis van [werknemer] door de omboeking minder tijd in beslag dan gebruikelijk, hetgeen eveneens bijdraagt aan de voortvarendheid en in het belang van [werknemer] was.
5 De beoordeling
5.1.
De kantonrechter zal in deze beschikking direct beslissen op het verzoek in de hoofdzaak, zodat er geen reden is om met toepassing van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding
5.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het door Lowland gegeven ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of Lowland moet worden veroordeeld tot wedertewerkstelling van [werknemer] en doorbetaling van zijn loon. Daarnaast is aan de orde de vraag of Lowland moet worden veroordeeld tot terugbetaling van het met de eindafrekening verrekende bedrag van € 1.697,31 netto.
5.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Daarover wordt het volgende overwogen.
5.4.
Op grond van het bepaalde in artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen (in dit geval: de werkgever) bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Onverwijld betekent dat met voortvarendheid moet worden gehandeld. Na het ontdekken van de als dringende reden te kwalificeren handeling moet zo spoedig mogelijk ontslag worden verleend. Hierbij is enig respijt is toegestaan, mits gerechtvaardigd door de omstandigheden.
5.5.
Vaststaat dat er goede grond is voor het rookverbod op de terminal wegens het hieraan verbonden explosiegevaar. Als dat gevaar zich verwezenlijkt kan een serieuze natuurramp ontstaan en kan dit ook leiden tot het faillissement van Lowland. Ook staat vast dat [werknemer] voorafgaand aan het dienstverband een briefing over de veiligheidsvoorschriften heeft bijgewoond, waarin ook het rookverbod aan de orde is gesteld. Naar aanleiding van die briefing heeft [werknemer] het (onder 2.7. genoemde) formulier ondertekend, waarin is vermeld dat overtreding van de voorschriften tot ‘dismissal from the site’ kan leiden. In deze voorschriften staat dus niet dat overtreding van het rookverbod leidt tot een ontslag op staande voet.
5.6.
Anders dan Lowland heeft aangevoerd staat de sanctie van ontslag op staande voet op overtreding van het rookverbod ook niet duidelijk in artikel 9 in de arbeidsovereenkomst. Artikel 9 van de arbeidsovereenkomst geeft slechts in algemene zin aan hoe de werkgever een einde kan maken (‘entitled to’) aan de arbeidsovereenkomst. Onder C van dat artikel zijn voorbeelden opgesomd van gedragingen van de werknemer die voor de werkgever aanleiding kunnen zijn tot onmiddellijke beëindiging van het dienstverband (onder meer ‘misbehaviour’ en ‘non-compliance with the employers rules’), maar overtreding van het rookverbod is daarbij niet expliciet genoemd. Evenmin is gebleken dat op andere wijze aan [werknemer] is gecommuniceerd dat overtreding van het rookverbod tot ontslag op staande voet leidt. Dit had gelet op de vergaande gevolgen van een ontslag op staande voet en het grote belang dat Lowland bij handhaving van het rookverbod heeft wel voor de hand gelegen. Onder deze omstandigheden was een minder vergaande maatregel dan onmiddellijke beëindiging van het dienstverband op zijn plaats geweest. Daarbij heeft Lowland de stelling van [werknemer] dat andere bij NuStar werkzame personen die het rookverbod hebben overtreden niet op staande voet zijn ontslagen, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarom kan de overtreding van het rookverbod door [werknemer] in dit geval niet als een dringende reden voor ontslag op staande voet worden aangemerkt.
5.7.
Bovendien is het ontslag niet onverwijld gegeven. De van een werkgever te vergen mate van voortvarendheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en omvang van een eventueel noodzakelijk onderzoek en de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies. In het onderhavige geval heeft Lowland op 22 maart 2019 van NuStar vernomen dat [werknemer] op de terminal had gerookt en is dit op dezelfde datum door [werknemer] aan Lowland bevestigd. Vervolgens heeft Lowland bij e-mail van 22 maart 2019 aan [werknemer] meegedeeld: ‘(…) je kent de consequenties en dat betekent dat wij jou niet langer in dienst kunnen houden. We zullen jouw terugreis regelen en de eindafrekening opmaken.’, waarop [werknemer] bij e-mail van diezelfde datum heeft bevestigd dat hij weet wat die consequenties kunnen zijn. Dat de consequentie een ontslag op staande voet is, staat in de e-mail van Lowland niet vermeld en hoefde [werknemer] , die geen jurist is, ook niet uit die mail te begrijpen.
5.8.
Immers, zoals hiervoor is overwogen heeft Lowland aan [werknemer] niet op voorhand volstrekt helder gemaakt dat zij een consequent beleid hanteert dat inhoudt dat overtreding van het rookverbod (altijd) tot een ontslag op staande voet leidt. [werknemer] heeft in dit verband aangevoerd dat hij wel had begrepen dat hij mogelijk niet langer ingeleend zou worden door NuStar, maar niet dat hij op staande voet werd ontslagen. Dit standpunt is ook in lijn met de sanctie ‘may result in dismissal from the site’ zoals vermeld in het onder 2.7 van deze beschikking genoemde formulier. Ook uit het feit dat Lowland in haar mail van 22 maart 2019 heeft aangegeven dat zij de eindafrekening zou opmaken en de terugreis zou regelen kan niet worden geconcludeerd dat aan [werknemer] duidelijk moet zijn geweest dat sprake was van een ontslag op staande voet. [werknemer] was immers al bijna aan het einde van zijn termijn van 42 dagen. Uit de omstandigheid dat [werknemer] het verzoekschrift precies binnen twee maanden na 22 maart 2019 heeft ingediend kan evenmin worden afgeleid dat [werknemer] heeft begrepen dat hem op 22 maart 2019 ontslag op staande voet is gegeven. Pas bij brief gedateerd 22 maart 2019 maar (onbetwist) pas verzonden op 1 april 2019 is aan [werknemer] meegedeeld dat hij op staande voet werd ontslagen wegens overtreding van het rookverbod. Gesteld noch gebleken is dat in de periode tussen 22 maart 2019 en 1 april 2019 nader onderzoek is verricht of juridisch advies is ingewonnen in verband waarmee de brief niet eerder dan op 1 april 2019 kon worden verzonden. Lowland wist dat [werknemer] op 26 maart 2019 thuis was; zij heeft immers zelf de terugreis geregeld. Uit het vorenstaande volgt dat het ontslag op staande voet niet tijdig (onverwijld) is aangezegd.
5.9.
Nu gelet op het vorenstaande het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, zal het verzoek van [werknemer] om dat ontslag te vernietigen worden toegewezen. Er is immers sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW.
5.10.
Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort en heeft [werknemer] recht op loon en op wedertewerkstelling. De verzochte wedertewerkstelling binnen uiterlijk twee dagen na dagtekening van deze beschikking is dan ook toewijsbaar. Ter zitting heeft Lowland (onbetwist) aangevoerd dat [werknemer] alleen kan worden ingezet bij NuStar en dat de directie van NuStar heeft besloten dat [werknemer] niet bij NuStar mag terugkeren. De kantonrechter gaat ervanuit dat Lowland zich zal inspannen om NuStar te bewegen [werknemer] weer tot te laten tot de werkzaamheden. Nu Lowland afhankelijk is van de medewerking van NuStar zal de kantonrechter de verzochte dwangsom afwijzen.
5.11.
Ook heeft [werknemer] wegens de vernietiging van het ontslag recht op doorbetaling van zijn loon. Verzocht is betaling van het loon conform hetgeen is verwoord in punt 55 van het verzoekschrift. Het onder dat nummer vermelde loon is echter niet duidelijk, nu diverse alternatieve bedragen zijn genoemd. Ter zitting heeft Lowland (in de persoon van haar directeur [directeur] ) desgevraagd verklaard dat het salaris van [werknemer] op jaarbasis € 48.531,60 bruto bedraagt, vermeerderd met een dagvergoeding van de agent op St. Maarten van € 5.490,- bruto per jaar voor de perioden dat [werknemer] daar is. De kantonrechter zal Lowland veroordelen tot betaling van het periodieke loon vanaf 23 maart 2019 op basis van die genoemde bedragen.
5.12.
Het met de eindafrekening verrekende bedrag van € 1.697,31 netto zal eveneens aan [werknemer] worden toegewezen. Lowland heeft gesteld dat dit bedrag omboekingskosten betreft die noodzakelijk waren omdat [werknemer] per 22 maart 2019 op staande voet is ontslagen. Nu het ontslag op staande voet is vernietigd, is die verrekening niet terecht. Dat de terugreis van [werknemer] door de omboeking minder tijd in beslag heeft genomen dan gebruikelijk en dit in het belang van [werknemer] was, is geen reden dit bedrag alsnog voor rekening van [werknemer] te laten komen. Overigens zijn de verrekende kosten niet onderbouwd.
5.13.
De proceskosten komen voor rekening van Lowland, omdat zij ongelijk krijgt. De gevraagde wettelijke rente over de proceskosten zal slechts worden toegewezen vanaf veertien dagen na de dag van betekening van deze beschikking, voor zover de proceskosten niet voordien zijn voldaan.
6 De beslissing
6.1.
vernietigt het gegeven ontslag op staande voet;
6.2.
bepaalt dat Lowland [werknemer] te werk moet stellen in zijn functie van shore-side dock technician met alle daarbij behorende taken binnen uiterlijk twee dagen na dagtekening van deze beschikking;
6.3.
bepaalt dat Lowland het periodieke loon van [werknemer] vanaf 23 maart 2019 dient te voldoen op basis van de onder 5.11 van deze beschikking genoemde bedragen tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;
6.4.
bepaalt dat Lowland aan [werknemer] € 1.697,31 netto dient te voldoen inzake het ten onrechte in de eindafrekening verrekende bedrag;
6.5.
veroordeelt Lowland tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 801,-, te weten:
griffierecht € 81,00
salaris gemachtigde € 720,- ,
te vermeerderen met de wettelijke rente over die proceskosten vanaf veertien dagen na de dag van betekening van deze beschikking tot de dag der voldoening, voor zover die proceskosten niet voordien zijn voldaan;
6.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gewezen door mr. W. Aardenburg, kantonrechter en op 18 juli 2019 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter