2 De feiten
2.1.
[werknemer] , geboren [in 1981] , is op 1 oktober 2015 in dienst getreden bij Wijcker Groen. De laatste functie die [werknemer] vervulde, is die van Boomverzorger, met een salaris van € 2.467,64 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van de Hoveniers cao van toepassing.
2.2.
Wijcker Groen houdt zich bezig met groenaanleg en groenonderhoud, zoals boomverzorging, tuinaanleg en –onderhoud, bestrating en het ontwerpen en realiseren van tuinen.
2.3.
Op de ochtend van 23 januari 2019 heeft [medewerker 1] , een medewerker van Wijcker Groen (hierna: [medewerker 1] ), op de werf van Wijcker Groen ernstig letsel opgelopen, doordat er vanuit de grijper van de kraan waarin [werknemer] op dat moment werkzaam was, een boomstam op de voet van [medewerker 1] terecht is gekomen.
Op de werf waren verder op dat moment [medewerker 2] (hierna: [medewerker 2] ), [medewerker 3] (hierna: [medewerker 3] ) en [medewerker 4] (hierna: [medewerker 4] ), allen werknemers van Wijcker Groen, aanwezig.
2.4.
[werknemer] is in de middag van 23 januari 2019 per WhatsApp bericht op non-actief gesteld door Wijcker Groen. [werknemer] heeft zich als reactie daarop beschikbaar gesteld om werkzaamheden te verrichten.
2.5.
[medewerker 1] heeft op de avond van 23 januari 2019, vanuit het ziekenhuis, bij de politie aangifte van zware mishandeling gedaan tegen [werknemer] .
2.6.
Bij brief van 24 januari 2019 heeft [werknemer] een officiële waarschuwing gekregen van Wijcker Groen, omdat hij ‘op 23-1-2019 een overtreding heeft begaan’. De brief vermeldt dat de gestelde overtreding betrof: ‘het niet op de juiste wijze verplaatsen van lasten met een graafmachine, in dit geval een zware boomstam, en u deze kennelijk als ‘een soort van waarschuwing’ vlak voor uw collega op de grond heeft laten vallen. Hierdoor heeft deze collega ernstig letsel aan zijn voet opgelopen, hoogstwaarschijnlijk met blijvende schade.’ Ook is in de brief aan [werknemer] medegedeeld dat hij voor minimaal twee weken wordt geschorst in verband met het onderzoek en dat de uitkomst hiervan kan leiden tot een andere sanctie.
2.7.
Bij brief van 25 januari 2019 heeft de Arbeidsinspecteur Inspectie SZW aan Wijcker Groen geschreven: ‘(…) heb ik op woensdag 23 januari 2019 ter plaatse nadere informatie ingewonnen. De bevindingen gaven mij geen aanleiding tot het instellen van een volledig onderzoek of tot het opstellen van een rapport.
Ik heb op basis van de verkregen informatie vastgesteld dat het ongeval een situatie betrof waarin niet de Inspectie SZW, maar de politie bevoegd is tot het instellen van een onderzoek. U kunt bij hen aangifte doen van dit incident. (…)’
2.8.
Op 28 januari 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [directeur 1], directeur, [directeur 2], directeur, [bedrijfsleider], bedrijfsleider, enerzijds en [werknemer] en zijn moeder anderzijds.
2.9.
Op 29 januari 2019 is [werknemer] door Wijcker Groen op staande voet ontslagen. De ontslagbrief van die datum vermeldt als volgt:
‘(…) De reden voor dit ontslag is het feit dat jij één van jouw collega’s, de heer [medewerker 1] , op 23 januari jl. ernstig letsel hebt toegebracht doordat jij (opzettelijk dan wel bewust) een boomstam op de voet van de heer [medewerker 1] hebt laten vallen. Als gevolg van jouw handelen moesten er vijf tenen én een deel van de voet van de heer [medewerker 1] worden geamputeerd. Het is nog maar de vraag of niet de gehele voet van de heer [medewerker 1] moet worden geamputeerd. Een afschuwelijk ongeval, waar jij verantwoordelijk voor bent.
Voornoemde redenen vormen elk afzonderlijk maar ook in samenhang een dringende reden voor dit ontslag op staande voet.
We nemen het jou in dit verband tevens zeer kwalijk dat jij na het ongeval op geen enkele wijze (eerste) hulp aan de heer [medewerker 1] hebt verleend én de schuld van het ongeval bij anderen neerlegt. Na het ongeval ben jij verder gegaan met jouw werkzaamheden op de kraan en heb jij de heer [medewerker 1] aan zijn lot overgelaten. In het gesprek dat wij op 28 januari jl. met jou bij ons op kantoor voerden, toonde je nauwelijks emotie of berouw. Sterker nog, jij sprak zeer “gemakkelijk” over het ongeval en legde de schuld neer bij de anderen die ten tijde van het ongeval op het terrein aanwezig waren. Jij bent echter degene die op de kraan werkte, de boomstammen met de kraan oppakte en de kraan onnodig 180 graden liet draaien en de handeling verrichtte om de boomstam op de voet van de heer [medewerker 1] te laten vallen. (…)
(…) Hierbij maken wij aanspraak op de door jou aan ons verschuldigde gefixeerde schadevergoeding. (…)
Tot slot stellen wij jou middels deze brief eveneens aansprakelijk voor de schade die wij als gevolg van jouw handelen hebben geleden en nog zullen lijden. (…)’
2.10.
De door Wijcker Groen ingeschakelde [adviseur], adviseur bij KVGM Support, heeft op 27 februari 2019 de gebeurtenissen van 23 januari 2019 op schrift vastgelegd aan de hand van verklaringen van de medewerkers die op de bewuste dag aanwezig waren.
2.11.
Namens [werknemer] is bij brief van 7 maart 2019 bezwaar gemaakt tegen het ontslag op staande voet.
2.12.
[werknemer] heeft sinds 15 maart 2019 een nieuwe dienstbetrekking.
2.13.
Op verzoek van Wijcker Groen hebben [medewerker 4] , [medewerker 2] en [medewerker 3] op 25 april 2019 schriftelijke verklaringen opgesteld met betrekking tot hetgeen is gebeurd op 23 januari 2019.
5 De beoordeling
5.1.
Het gaat in deze zaak – kort gezegd – om de vraag of aan [werknemer] een billijke vergoeding, de transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging moeten worden toegekend.
5.2.
Ter beantwoording ligt allereerst de vraag voor of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Volgens artikel 7:677 lid 1 BW moet een ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven, met gelijktijdige mededeling van de dringende reden voor dat ontslag.
5.3.
Als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW worden op grond van het bepaalde in artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet zou hebben.
5.4.
Voor de beoordeling van de vraag of het door Wijcker Groen aan [werknemer] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zijn de aan [werknemer] op 29 januari 2019 opgegeven redenen maatgevend en wordt het geschil afgebakend door de op die datum aan [werknemer] medegedeelde verwijten.
5.5.
Vast staat dat [medewerker 1] op 23 januari 2019 ernstig letsel heeft opgelopen doordat een boomstam vanuit de grijper van de kraan waarin [werknemer] werkzaam was, op de voet [medewerker 1] terecht is gekomen. Partijen verschillen van mening over de toedracht van deze gebeurtenis.
5.6.
[werknemer] heeft omtrent de gebeurtenis van 23 januari 2019 het volgende verklaard.
[werknemer] was werkzaam in een kraan met dichte cabine. Toen hij op enig moment een harde knal op de achterkant van de cabine van de kraan hoorde, wilde hij kijken waar die knal vandaan kwam. Op dat moment had [werknemer] een door [medewerker 2] gezaagde boomstam vast in de grijper van de kraan. Deze gezaagde boomstam wilde [werknemer] vervoeren naar de plek waar de gezaagde boomstammen lagen. Om te zien waar de knal vandaan kwam, heeft [werknemer] de arm van de kraan, met daarin de gezaagde boomstam, over of voorlangs een stenen muurtje getild en de kraan vervolgens 180 graden gedraaid. Toen [werknemer] de kraan draaide, schrok hij van een werkbus die zich achter, en binnen de draaicirkel van, de kraan bevond. [werknemer] had niet verwacht dat deze werkbus daar zou staan, omdat zich op grond van de veiligheidsvoorschriften niets binnen de draaicirkel van de kraan mag bevinden. [werknemer] kon deze werkbus slechts ternauwernood ontwijken. [werknemer] heeft een kort moment de boomstam in de grijper boven de bus laten hangen om te bezien waar naartoe hij de boomstam het best kon verplaatsen. Op dat moment zag [werknemer] dat [medewerker 4] zich rechts naar de bus bevond en [medewerker 1] links naast de bus. [werknemer] heeft toen de keuze gemaakt om met de boomstam in de grijper naar links te draaien, omdat daar meer ruimte was dan rechts. De boomstam is toen uit de grijper gegleden. Dit heeft kunnen gebeuren omdat de betreffende kraan geen bomentang of houtklem bevat, maar slechts een sorteergrijper. Bij een sorteergrijper ligt de boomstam als het ware los in de grijper. Dat is anders dan bij een houtklem of bomentang, waar messen de boomstam op zijn plek houden. Om die reden heeft [werknemer] Wijcker Groen herhaaldelijk verzocht om een houtklem of bomentang aan te schaffen. Daarbij komt dat het had gesneeuwd, waardoor de grijper op de bewuste dag extra glad was en dus nog minder grip op de boomstam had. Daardoor was op dat moment geen handeling nodig om de boomstam los te laten. De boomstam is uit de grijper gegleden. Volgens [werknemer] gebeurde dit ‘wel tien keer per dag’. [werknemer] wist niet dat de boomstam op de voet van [medewerker 1] was beland. Hij verkeerde in de veronderstelling dat de boomstam op de grond, ruim voor de voeten van [medewerker 1] , viel. Daarom is [werknemer] niet direct gestopt met het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Nu [werknemer] niet met opzet of bewust roekeloos heeft gehandeld, maar het ernstig letsel van [medewerker 1] het gevolg is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, is geen sprake van een dringende reden voor een ontslag op staande voet.
5.7.
Wijcker Groen heeft, onder meer op basis van de verklaringen van [medewerker 1] , [medewerker 2] , [medewerker 4] en [medewerker 3] tegen voornoemde verklaring van [werknemer] , het volgende aangevoerd. [werknemer] was op 23 januari 2019 werkzaam op de kraan. Hij werkte samen met [medewerker 2] . [werknemer] tilde met de grijper van de kraan de boomstammen op die door [medewerker 2] in kleinere stukken moesten worden gezaagd. Daartoe moest [werknemer] de boomstammen die aan zijn rechterkant lagen, met de grijper oppakken en deze aan zijn linkerkant, waar [medewerker 2] stond, neerleggen. [werknemer] had geen enkele aanleiding om de kraan, met de boomstam in de grijper, 180 graden te draaien. Voor zover [werknemer] wilde kijken wat er, na het horen van de knal, achter hem gebeurde, had hij ook gewoon zichzelf kunnen omdraaien. De reden dat [werknemer] de kraan heeft gedraaid, is omdat hij [medewerker 1] wilde ‘waarschuwen’ in verband met het gooien van de sneeuwbal. Er bevond zich niets binnen de draaicirkel van de kraan, ook geen werkbus. Een boomstam wordt door middel van messen klem gezet in de sorteergrijper en ligt daarin niet los. Een voetpedaal moet worden ingetrapt om een boomstam met de grijper op te pakken en ook om de boomstam vervolgens weer los te laten. Er is aldus een actieve handeling nodig. Het is onmogelijk dat een boomstam zomaar losraakt uit de grijper. In het geval de boomstam uit de grijper zou zijn gegleden zou boomschors van de boomstam zijn afgescheurd, hetgeen door [medewerker 4] – die naar de betreffende boomstam heeft gekeken – niet is geconstateerd. [werknemer] heeft Wijcker Groen overigens niet herhaaldelijk verzocht om een houtklem of bomentang aan te schaffen. Wijcker Groen betwist dat er dagelijks boomstammen uit de grijper vielen. Geen enkele medewerker heeft daarvan ooit melding gedaan. Het kan [werknemer] niet zijn ontgaan dat de boomstam op de voet van [medewerker 1] was gevallen. Naast dat hij het geschreeuw moet hebben gehoord, kon hij vanuit de kraan zien wat er gebeurde. Desondanks heeft [werknemer] toen hij uit de kraan werd gehaald nonchalant gereageerd door te zeggen ‘misschien leert hij ervan, moet hij maar niet zo kinderachtig doen’ of woorden van gelijke strekking.
5.8.
Uit hetgeen partijen hebben verklaard en hetgeen de kantonrechter bij de plaats- opneming heeft waargenomen kan het volgende worden afgeleid:
- [werknemer] verplaatste boomstammen met een grijper van “tien over twee” tegen de klok in naar ‘tien voor negen’.
- [medewerker 1] heeft een sneeuwbal tegen de cabine van de kraan gegooid waarin [werknemer] werkzaam was.
- [werknemer] heeft, nadat hij een hard geluid hoorde, de arm van de kraan met een door van [medewerker 2] gezaagde boomstam in de grijper over of voorlangs een muurtje van circa 2 meter tegen de klok in doorgedraaid tot circa ‘vijf voor half vijf’.
- Het hiervoor bedoelde muurtje bevindt zich op ‘kwart voor negen’.
- De boomstam is vanuit de grijper op de voet van [medewerker 1] terechtgekomen.
- De grijper opent door een voetpedaal in te drukken.
- [werknemer] wist dat [medewerker 1] en [medewerker 4] zich op het terrein achter de kraan bevonden.
- [werknemer] betwist niet dat hij, toen hij uit de kraan werd gehaald, iets heeft gezegd in de trant van ‘misschien leert hij ervan, moet hij maar niet zo kinderachtig doen’.
5.9.
Door beide partijen is bewijs aangeboden. De kantonrechter zal aan dit bewijsaanbod voorbijgaan, omdat de kantonrechter op grond van de wel vaststaande feiten oordeelt dat [werknemer] met zijn gedraging een dusdanig gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen, dat hiermee in de gegeven omstandigheden een dringende reden voor ontslag op staande voet is gegeven. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.
5.10.
[werknemer] heeft ter zitting verklaard dat hij [medewerker 1] en [medewerker 4] met de werkbus het terrein op heeft zien rijden. [werknemer] heeft ook verklaard dat hij zijn collega’s in de loop der jaren meerdere keren heeft aangesproken op onverantwoordelijk gedrag. [werknemer] heeft voorts onvoldoende weersproken dat hij het vermoeden had dat de knal op de ruit van zijn cabine werd veroorzaakt door een sneeuwbal die zijn collega [medewerker 1] of [medewerker 4] had gegooid. Deze omstandigheden in samenhang met de stelling van [werknemer] dat de boomstammen ‘wel tien keer per dag’ uit de grijper vielen, maken dat de kanton- rechter tot het oordeel komt dat [werknemer] , een ervaren kraanmachinist, door de kraan met een boomstam in de grijper circa 180 graden te draaien naar een plek waar hij niets te zoeken had, zich dusdanig onverantwoordelijk en gevaarzettend heeft gedragen, dat van Wijcker Groen niet verwacht kan worden de arbeidsovereenkomst met hem te laten voortduren.
5.11.
Daarbij is mede relevant dat [werknemer] alternatieven had die zoveel meer voor de hand lagen dan de keuze die [werknemer] heeft gemaakt. In plaats van de kraan te draaien met de boomstam in de grijper had [werknemer] immers niet de kraan, maar alleen zichzelf om kunnen draaien in de cabine naar de plaats waarvan hij dacht dat er iets gaande was. Of had hij de boomstam uit de grijper eerst op de grond kunnen neerleggen voordat hij de kraan doordraaide. Dat hij daartoe niet de mogelijkheid heeft gehad, omdat hij zijn gedraging in een ‘split second’ heeft verricht, acht de kantonrechter onvoldoende aannemelijk geworden. Immers, [werknemer] heeft verklaard dat hij de arm van de kraan, met de boomstam in de grijper, eerst over of voor het naastgelegen muurtje (van circa 2 meter) heeft moeten bewegen. Tijdens de plaatsopneming hebben partijen de kraan neergezet op de plaats waar die stond op 23 januari jl. en heeft [werknemer] op verzoek van de kantonrechter een boomstam opgepakt met de grijper en verplaatst van rechts naar links. Verder hebben partijen in kaart gebracht welke beweging [werknemer] met de boomstam in de grijper heeft gemaakt. De kantonrechter heeft kunnen waarnemen dat daarmee niet (split) seconds zijn gemoeid, maar dat met het bewegen van de arm van de kraan enige tijd is gemoeid. Gedurende die tijd moet [werknemer] zich bewust zijn geweest van het gevaarzettende karakter van zijn gedraging.
5.12.
Dat [werknemer] uit veiligheidsoverwegingen niet zichzelf, maar de kraan, heeft gedraaid, omdat hij de zich in de cabine van de kraan bevindende joysticks niet wilde meenemen in zijn draai, acht de kantonrechter – mede aan de hand van hetgeen tijdens de plaatsopneming is geconstateerd – evenmin onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij wordt nogmaals opgemerkt dat [werknemer] een ervaren kraanmachinist is.
5.13.
Voor zover [werknemer] zich verder op het standpunt heeft gesteld dat het ontslag op staande voet niet aan de in acht te nemen voorschriften voldoet, volgt de kantonrechter dat standpunt niet. Het is de kantonrechter op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken, dat Wijcker Groen bij het vaststellen van de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten niet zorgvuldig is geweest. Dat Wijcker Groen zich voor het vaststellen van die feiten heeft gebaseerd op de door de overige betrokken medewerkers afgelegde verklaringen, doet daaraan niet af. Niet valt immers in te zien waarop Wijcker Groen zich anders had kunnen baseren.
5.14.
Het standpunt van [werknemer] dat van daadwerkelijke hoor- en wederhoor geen sprake is geweest, acht de kantonrechter ook onvoldoende aannemelijk gemaakt. Vast staat dat op 28 januari 2019 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen Wijcker Groen en [werknemer] , waarbij [werknemer] werd vergezeld van zijn moeder. Ter zitting is door Wijcker Groen onweersproken verklaard dat [werknemer] het gesprek uiteindelijk tussentijds heeft verlaten, zodat Wijcker Groen nu niet kan worden verweten dat zij niet heeft voldaan aan het vereiste van hoor- en wederhoor. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting acht de kantonrechter voorts de stelling van [werknemer] , dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn kant van het verhaal kenbaar te maken aan Wijcker Groen, onvoldoende aannemelijk gemaakt.
5.15.
De conclusie is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De door [werknemer] opgeworpen stelling dat Wijcker Groen bij het ontslag geen, althans onvoldoende, rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, acht de kantonrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt en dwingt in het onderhavige geval ook niet tot een ander oordeel.
5.16.
Het verzoek van [werknemer] om Wijcker Groen te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding zal worden afgewezen. Er is immers geen sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er ook geen grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW. Om diezelfde reden zal ook het verzoek om Wijcker Groen te veroordelen tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging worden afgewezen.
5.17.
[werknemer] heeft ook verzocht om Wijcker Groen te veroordelen de transitievergoeding te betalen. Op grond van artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Wijcker Groen heeft met een beroep op dit artikel betaling van de transitievergoeding geweigerd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer gaat om bijvoorbeeld de situatie waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt, of de situatie waarin de werknemer controle- voorschriften bij ziekte herhaaldelijk, ook na toepassing van loonopschorting, niet naleeft en hiervoor geen gegronde reden bestaat (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 39). Uit deze (niet limitatieve) voorbeelden van ernstig verwijtbaar handelen en de overige passages uit de parlementaire geschiedenis, blijkt dat bij ernstig verwijtbaar handelen sprake moet zijn van uitzonderlijke situaties. Het moet gaan om gevallen van onrechtmatige gedragingen, die te kwalificeren zijn als duidelijk strijdig moet goed werknemerschap en op één lijn te stellen zijn met de voorbeelden die zijn gegeven in de parlementaire geschiedenis. De gemene deler van al die gedragingen is dat de werknemer zich bewust is dan wel behoort te zijn van het onoorbare karakter van zijn handelen.
5.18.
De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat daarvoor een dringende reden aanwezig was. Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, leveren de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen in dit geval ook een dergelijke ernstige verwijtbaarheid op. Dat sprake was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden waardoor [medewerker 1] het ernstig letsel heeft opgelopen, zoals door [werknemer] is gesteld, volgt de kantonrechter niet. [werknemer] behoorde zich naar het oordeel van de kantonrechter bewust te zijn van het onoorbare karakter van zijn handelen, waarmee hij een zeer gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen, met ernstig letsel als gevolg. Dat betekent dat de transitievergoeding niet verschuldigd is en ook dit verzoek van [werknemer] zal worden afgewezen.
5.19.
Volgens [werknemer] is het echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om aan hem geen transitievergoeding te betalen. [werknemer] verzoekt de kantonrechter dan ook om aan hem op grond van artikel 7:673 lid 8 BW de transitie- vergoeding toe te kennen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat wordt gedoeld op ‘een relatief kleine misstap na een heel lang dienstverband’ (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 113). In het voorliggende geval kan van zowel een ‘relatief kleine misstap’ als van een ‘heel lang dienstverband’ naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gesproken. Ook de stellingen van [werknemer] dat hij altijd goed heeft gefunctioneerd, de veiligheids- voorschriften altijd in acht heeft genomen en nooit eerder een officiële waarschuwing heeft ontvangen, leiden niet tot een ander oordeel. De kantonrechter acht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat aan [werknemer] geen transitievergoeding wordt betaald. Daarbij neemt de kantonrechter overigens ook in aanmerking dat [werknemer] sinds 15 maart 2019 een nieuwe dienstbetrekking heeft, zodat de – door [werknemer] gestelde – financiële gevolgen van het ontslag voor [werknemer] beperkt zullen zijn.
5.20.
Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen zal de kantonrechter ook de verzoeken van [werknemer] genoemd onder 3.1.IV tot en met X. afwijzen. Op het verzoek van [werknemer] genoemd onder 3.1.XI. zal in het navolgende bij het tegenverzoek worden ingegaan.
5.21.
De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat hij ongelijk krijgt.
5.22.
Voor zover Wijcker Groen de kantonrechter, bij wijze van tegenverzoek, heeft verzocht om voor recht te verklaren dat (i) de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden rechtsgeldig is opgezegd en de arbeidsovereenkomst met ingang van 29 januari 2019 is geëindigd en (ii) [werknemer] geen aanspraak maakt op een transitievergoeding, oordeelt de kantonrechter dat Wijcker Groen hierbij – gelet op hetgeen in het voorgaande, onder het verzoek, reeds is overwogen – geen belang heeft.
5.23.
Wijcker Groen verzoekt de kantonrechter voorts [werknemer] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW van € 3.034,15 bruto, zijnde het loon over de periode van 29 januari 2019 tot 1 maart 2019. [werknemer] heeft de kantonrechter verzocht dit tegenverzoek af te wijzen, maar heeft nagelaten dat verweer verder te onderbouwen.
5.24.
In het voorgaande is reeds overwogen dat [werknemer] aan Wijcker Groen een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 7:677 lid 2 BW en is [werknemer] aan Wijcker Groen een vergoeding verschuldigd. [werknemer] heeft de door Wijcker Groen verzochte hoogte van de vergoeding cijfermatig niet weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan en zal het verzochte bedrag worden toegewezen.
5.25.
Omtrent de tegenverzoeken zoals genoemd onder 4.1.III. en 4.1.V. tot en met 4.1.VII. oordeelt de kantonrechter als volgt.
5.26.
Artikel 7:686a lid 2 BW bepaalt dat gedingen die op het in, bij of krachtens afdeling 9 van titel 10 van Boek 7 BW bepaalde zijn gebaseerd, worden ingeleid met een verzoekschrift. Het derde lid van dit artikel schrijft voor dat in dergelijke gedingen daarmee verband houdende andere vorderingen kunnen worden ingediend met een verzoekschrift. De kantonrechter is van oordeel dat de tegenverzoeken om te verklaren voor recht dat [werknemer] jegens Wijcker Groen aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade, de vordering tot veroordeling van [werknemer] tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding en de vordering tot veroordeling van [werknemer] tot vergoeding van geleden en nog te lijden schade op te maken bij staat, geen vorderingen zijn die verband houden met het verzoek van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, waarop artikel 7:686a BW wel ziet. De betreffende tegenverzoeken vinden hun grondslag immers in artikel 7:661 BW, 6:170 BW, althans 6:162 BW. Hetzelfde geldt voor het verzoek van [werknemer] genoemd onder 3.1.XI.
5.27.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voornemens partijen met betrekking tot de hiervoor bedoelde gedeelten van de verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren. Nu partijen zich hierover echter ter zitting niet hebben kunnen uitlaten, zal de kantonrechter partijen hiertoe alsnog in de gelegenheid stellen.
5.28.
De kantonrechter zal de beslissing omtrent de proceskosten van het tegenverzoek aanhouden.