4 De beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [woonplaats] moet worden veroordeeld tot betaling aan SI Music van € 193.785,09, een boete van € 257.000,00 en de volledige kosten voor juridische bijstand van SI Music.
4.2.
De kantonrechter stelt vast dat de oudedagsvoorziening die Buma/Stemra in de ROA heeft neergelegd, inhoudt dat Buma/Stemra een deel van de ontvangen inkomsten die voortvloeien uit muziekauteursrechten aan auteurs betaalt ten behoeve van een oudedagsvoorziening. De ROA is geen pensioenregeling of een bedrijfstakpensioen in de zin van de Pensioenwet. Dat betekent dat de betalingen die Buma/Stemra in het kader van de ROA aan [woonplaats] heeft gedaan, betalingen zijn op basis van inkomsten uit auteursrechten. Dat volgt ook uit de ‘Overeenkomst oudedagsvoorziening’ van 9 december 2015 tussen Buma/ Stemra en [woonplaats] . Daarin staat immers dat de betalingen die Buma/Stemra doet ten behoeve van de oudedagsvoorziening worden ingehouden op de ontvangen inkomsten uit muziekauteursrechten.
4.3.
Het bedrag van € 193.785,09 dat door Buma/Stemra aan [woonplaats] is betaald op basis van de ROA is dus een betaling die voortvloeit uit inkomsten uit muziekauteursrechten.
4.4.
Gelet op artikel 7.1 van de arbeidsovereenkomst zijn alle (intellectuele eigendoms-) rechten en auteursrechten die zijn ontstaan, bedacht, vervaardigd of tot stand zijn gekomen bij de uitvoering van de werkzaamheden door [woonplaats] , eigendom van SI Music, en is SI Music volledig en exclusief rechthebbende ten aanzien van deze rechten.
4.5.
Volgens artikel 7.6 van de arbeidsovereenkomst komen alle inkomsten en rechten die voortvloeien uit de door [woonplaats] geproduceerde werken toe aan SI Music en kan [woonplaats] daaraan geen rechten of inkomsten ontlenen. Ook bepaalt dat artikel dat [woonplaats] indien nodig op eerste verzoek van SI Music al zijn financiële aanspraken met betrekking tot de exploitatie van de door hem gecomponeerde muziekwerken aan SI Music moet cederen opdat SI Music exclusief recht heeft op deze financiële aanspraken.
4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat uit artikel 7.1 en artikel 7.6 van de arbeidsovereenkomst duidelijk volgt dat [woonplaats] geen recht heeft op het door Buma/Stemra betaalde bedrag van € 193.785,09 en dat alleen SI Music daarop aanspraak heeft. Het gaat hier immers om betalingen die rechtstreeks voortvloeien uit inkomsten uit muziekauteursrechten, die blijkens die artikelen toebehoren en toekomen aan SI Music en niet aan [woonplaats] .
4.7.
Ook uit artikel 7 van de Auteurswet volgt dat het auteursrecht en de inkomsten daaruit toebehoren aan SI Music. In dat artikel staat immers dat indien de arbeid, in dienst van een ander verricht, bestaat in het vervaardigen van bepaalde werken van letterkunde, wetenschap of kunst, als de maker van die werken wordt aangemerkt degene in wiens dienst de werken zijn vervaardigd, tenzij tussen partijen anders is overeengekomen. Hier zijn de muziekwerken door [woonplaats] vervaardigd in dienst van SI Music, zodat SI Music als de maker daarvan moet worden aangemerkt. Het auteursrecht is op grond van artikel 1 van de Auteurswet het uitsluitend recht van de maker, dus van SI Music. Partijen zijn niet iets anders overeengekomen. In tegendeel, partijen zijn juist nadrukkelijk overeengekomen dat alle inkomsten en rechten die voortvloeien uit de door [woonplaats] geproduceerde werken toebehoren en toekomen aan SI Music, zoals hiervoor al is overwogen.
4.8.
De stelling van [woonplaats] dat de strekking van artikel 7.6 van de arbeidsovereenkomst beperkt is en alleen ziet op primaire exploitatie-inkomsten, kan niet worden gevolgd. Het is de kantonrechter niet geheel duidelijk wat door [woonplaats] wordt bedoeld met ‘primaire exploitatie-inkomsten’. Maar de tekst en strekking van artikel 7.6 van de arbeidsovereenkomst is hoe dan ook wel duidelijk, namelijk dat alle inkomsten en rechten die voortvloeien uit de door [woonplaats] geproduceerde werken toebehoren en toekomen aan SI Music.
4.9.
[woonplaats] heeft overigens ook niet redelijkerwijs kunnen of mogen aannemen dat partijen hebben bedoeld af te spreken dat de betaling van Buma/Stemra van het bedrag van
€ 193.785,09 aan hem toekwam en niet aan SI Music, en van een gerechtvaardigd vertrouwen is in dat kader evenmin sprake. Artikel 7.1 en 7.6 van de arbeidsovereenkomst zijn immers duidelijk. Daarbij komt dat [woonplaats] een salaris heeft van ongeveer € 31.500,00 bruto per jaar (exclusief bonus) en dat de betaling van Buma/Stemra van € 193.785,09 ziet op de periode van 2013 tot en met 2018, dus per jaar een bedrag van ongeveer € 32.000,00. De uitleg van [woonplaats] van de arbeidsovereenkomst zou betekenen dat hij jaarlijks aanspraak heeft op een bedrag aan pensioenvoorziening dat meer is dan zijn gehele jaarsalaris. Dat kan geen redelijke uitleg zijn van de arbeidsovereenkomst. [woonplaats] kon en moest gelet daarop ook begrijpen dat de door Buma/Stemra betaalde bedragen niet als een pensioenvoorziening voor een werknemer met zijn salaris konden worden gezien. De gemiddelde pensioenpremie ligt tussen 10 en 20% van een bruto jaarsalaris (www.cpb.nl) en het moet als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat een pensioenvoorziening voor een werknemer normaliter niet kan neerkomen op een aanspraak op jaarlijkse betaling van een bedrag dat hoger ligt dan het jaarsalaris.
4.10.
Dat Buma/Stemra de betalingen aan [woonplaats] heeft bestempeld als oudedagsvoorziening kan er niet aan afdoen dat die betalingen voortvloeien uit inkomsten uit muziekauteursrechten en dus toekomen aan SI Music, zoals hiervoor al is overwogen. Ook is niet relevant dat in de ‘Overeenkomst oudedagsvoorziening’ van 9 december 2015 tussen [woonplaats] en Buma/Stemra is bepaald dat [woonplaats] de gelden die hij ontvangt in het kader van de ROA uitsluitend en daadwerkelijk gebruikt voor de oudedagsvoorziening. Afspraken die [woonplaats] maakt met Buma/Stemra kunnen de reeds bestaande verplichtingen van [woonplaats] uit de arbeidsovereenkomst en artikel 7 van de Auteurswet niet opzij zetten.
4.11.
Ook de stelling van [woonplaats] dat SI Music geen feitelijke uitvoering zou geven aan het werkgeverschap en daarom geen aanspraak kan maken op het werkgeversauteursrecht, treft geen doel. Vast staat dat SI Music de werkgever is van [woonplaats] . Dat SI Music bepaalde taken over zou laten aan anderen, zoals [woonplaats] stelt, doet daaraan niet af. Uit de arbeidsovereenkomst volgt overigens ook dat [woonplaats] in opdracht van SI Music en met gebruikmaking van haar studiofaciliteiten muziekwerken componeert, en dat SI Music bevoegd is aanwijzingen te geven ter zake van de te vervaardigen muziekwerken.
4.12.
Het beroep van [woonplaats] op de zogenoemde ‘reflexwerking van het auteurscontractenrecht’ gaat niet op. Naar de kantonrechter begrijpt, doelt [woonplaats] hiermee op de Wet auteurscontractenrecht, waarmee per 1 juli 2015 onder meer artikel 25d van de Auteurswet is ingevoerd. Op grond van dat artikel kan een maker van een werk een aanvullende billijke vergoeding vorderen van zijn wederpartij, indien de overeengekomen vergoeding gelet op de wederzijdse prestaties een ernstige onevenredigheid vertoont in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie van het werk. Echter, gelet op artikel 25 lid 3 van de Auteurswet is eerdergenoemd artikel 25d niet van toepassing op de maker van een werk als bedoeld in artikel 7 van de Auteurswet. SI Music is in dit geval de maker van het werk als bedoeld in artikel 7 van de Auteurswet. Artikel 25d van de Auteurswet geldt hier dus niet.
4.13.
Ook uit de wetsgeschiedenis van artikel 25d van de Auteurswet blijkt dat geen sprake kan zijn van ‘reflexwerking van het auteurscontractenrecht’. Uit die wetsgeschiedenis volgt dat in een geval waarin een werkgever als maker van de werken in de zin van artikel 7 van de Auteurswet moet worden aangemerkt, de wetgever voor de feitelijke maker van die werken (de natuurlijke persoon) auteursrechtelijk verder geen rol ziet weggelegd (Kamerstukken I, 2014-2015, 33 308, C, pag. 3). Met artikel 25d van de Auteurswet is dus juist niet beoogd om aan een feitelijke maker als [woonplaats] een aanspraak toe te kennen op nadere of billijke vergoedingen in het kader van auteursrechten.
4.14.
Het betoog van [woonplaats] dat er veel maatschappelijke kritiek is op de ‘graaicultuur’ in de reclamemuziekwereld kan niet tot de conclusie leiden dat [woonplaats] aanspraak heeft op het door Buma/Stemra betaalde bedrag van € 193.785,09. Indien [woonplaats] en zijn gemachtigden menen dat artikel 7 van de Auteurswet onrechtvaardig is, zullen zij hun pijlen moeten richten op de wetgever. Overigens heeft SI Music de gestelde ‘graaicultuur’ betwist.
4.15.
Het beroep van [woonplaats] op de zorgplicht en informatieplicht van SI Music, en op dwaling, onvoorziene omstandigheden en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, gaat niet op. Dat SI Music [woonplaats] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst en nadien niet heeft geïnformeerd over de vraag of een pensioenvoorziening wordt getroffen en niet voor een dergelijke voorziening heeft zorggedragen, is voor de beoordeling van deze zaak niet relevant. Het gaat in deze zaak immers niet om de vraag of SI Music een pensioenvoorziening had moeten treffen of daarover informatie had moeten geven, maar om de vraag wie recht heeft op het door Buma/Stemra betaalde bedrag van € 193.785,09. Er is geen sprake van onvoorziene omstandigheden, omdat partijen al van meet af aan zijn overeengekomen dat het door Buma/Stemra betaalde bedrag van € 193.785,09 toekomt aan SI Music. Dat terugbetaling van het bedrag van € 193.785,09 verstrekkende gevolgen heeft voor [woonplaats] brengt niet mee dat die verplichting tot terugbetaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij is van belang dat [woonplaats] er ernstig rekening mee had moeten houden dat discussie zou ontstaan over (door)betaling van dat bedrag. Hij had dit bedrag dan ook redelijkerwijs kunnen en moeten reserveren. Als hij dat niet heeft gedaan, komt dit voor zijn eigen rekening en risico.
4.16.
De conclusie is dat [woonplaats] het bedrag van € 193.785,09 moet (door)betalen aan SI Music. De kantonrechter zal de vordering van SI Music op dit punt dus toewijzen, met dien verstande dat op het bedrag van € 193.785,09 nog een bedrag van € 2.452,47 aan bonus in mindering komt waarop [woonplaats] aanspraak heeft en ten aanzien waarvan SI Music terecht een beroep op verrekening doet, zoals hierna wordt overwogen bij de beoordeling van de tegenvordering. [woonplaats] zal dus worden veroordeeld tot betaling van € 191.332,62. De gevorderde wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding, omdat niet duidelijk is wat SI Music bedoelt met haar vordering tot betaling van wettelijke rente “vanaf de vervaldatum”.
4.17.
SI Music vordert ook een bedrag aan boete van € 257.000,00 en stelt dat [woonplaats] dit bedrag verschuldigd is omdat hij artikel 7 van de arbeidsovereenkomst heeft overtreden.
4.18.
De stelling van [woonplaats] dat het boetebeding van artikel 11.1 van de arbeidsovereenkomst nietig is op grond van artikel 7:650 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), omdat de bestemming van de boete niet nauwkeurig is vermeld, gaat niet op. Op grond van artikel 7:650 lid 6 BW mag van artikel 7:650 lid 3 BW worden afgeweken ten aanzien van werknemers van wie het loon meer bedraagt dan het voor hen geldende minimumloon. Dat is hier het geval, want [woonplaats] verdiende steeds meer dan het minimumloon. In artikel 11.1 van de arbeidsovereenkomst hoefde dus geen bestemming van de boete te worden vermeld. Anders dan [woonplaats] stelt, is niet vereist dat uit artikel 11.1 van de arbeidsovereenkomst nadrukkelijk blijkt dat SI Music heeft willen afwijken van artikel 7:650 lid 3 BW. Een dergelijke eis volgt niet uit de wet of de wetsgeschiedenis. Dat SI Music heeft willen afwijken van artikel 7:650 lid 3 BW ligt ook al besloten in het boetebeding van artikel 11.1 van de arbeidsovereenkomst.
4.19.
[woonplaats] is een boete verschuldigd, omdat SI Music terecht stelt dat sprake is van overtreding van artikel 7 van de arbeidsovereenkomst. Immers, volgens dat artikel komt het door Buma/Stemra betaalde bedrag van € 193.785,09 aan SI Music toe en niet aan [woonplaats] , maar desondanks weigert [woonplaats] dat bedrag door te betalen aan SI Music. Daarmee overtreedt [woonplaats] artikel 7 van de arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat gelet op artikel 11.1 van de arbeidsovereenkomst een boete van € 5.000,00 verschuldigd is en een boete van € 500,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt. Zolang [woonplaats] het bedrag niet terugbetaalt, duurt de overtreding voort. Dat leidt in beginsel tot een verschuldigd boetebedrag van € 257.000,00 over de periode tot 30 april 2020 en een boetebedrag van
€ 500,00 per dag daarna.
4.20.
Op grond van artikel 7:650 lid 6 BW is de kantonrechter bevoegd de boete op een kleinere som te bepalen, indien de opgelegde boete hem bovenmatig voorkomt. Dat laatste is het geval. Een boete van € 257.000,00 is bijna tien keer het jaarsalaris van [woonplaats] en dat is bovenmatig, nog daargelaten dat de boete na 30 april 2020 verder oploopt. De kantonrechter zal daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid en de boete matigen tot het bedrag voor een eenmalige overtreding, te weten een bedrag van in totaal € 5.0000,00. Dat betekent ook dat [woonplaats] daarnaast niet wordt veroordeeld tot betaling van een boete van € 500,00 per dag dat de overtreding voortduurt. De kantonrechter ziet geen aanleiding voor een verdere matiging van de boete dan € 5.000,00. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [woonplaats] willens en wetens artikel 7 van de arbeidsovereenkomst heeft overtreden en een groot bedrag heeft achtergehouden waarop hij geen aanspraak had, terwijl hij redelijkerwijs ook niet had mogen of kunnen aannemen dat dit bedrag hem toekwam, zoals hiervoor is overwogen.
4.21.
[woonplaats] wordt dus veroordeeld tot betaling van een boete van € 5.000,00. Er wordt geen wettelijke rente toegewezen, omdat die niet is gevorderd.
4.22.
De vordering van SI Music om [woonplaats] te bevelen om de arbeidsovereenkomst na te komen, wordt afgewezen. Deze vordering is te onbepaald, terwijl ook niet is gesteld of gebleken welk afzonderlijk belang SI Music daarbij nog heeft.
4.23.
De vordering van SI Music om [woonplaats] te veroordelen in de volledige kosten voor juridische bijstand wordt afgewezen, alleen al omdat niet een concreet bedrag wordt genoemd of gevorderd waartoe [woonplaats] zou moeten worden veroordeeld. Overigens kan [woonplaats] worden gevolgd in zijn stelling dat uit artikel 8.2 van de arbeidsovereenkomst, dat kennelijk door SI Music aan deze vordering ten grondslag wordt gelegd, niet volgt dat [woonplaats] volledige kosten voor juridische bijstand verschuldigd is. Volgens dat artikel is [woonplaats] kosten van juridische bijstand verschuldigd die voortvloeien “uit schending door Werknemer van de in deze overeenkomst gegeven garanties”. De term ‘garanties’ verwijst kennelijk naar de garanties genoemd in artikel 8.1 van de arbeidsovereenkomst, en daarin wordt de verplichting van artikel 7 van de arbeidsovereenkomst niet genoemd of vermeld. In ieder geval is artikel 8.2 onduidelijk en dat komt voor rekening en risico van SI Music. Verder is ook niet weersproken de stelling van [woonplaats] dat de kosten van juridische bijstand niet voor vergoeding in aanmerking komen vanwege artikel 7:661 BW.
4.24.
De proceskosten van deze procedure, berekend op basis van de gebruikelijke tarieven, komen wel voor rekening van [woonplaats] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. Daarbij wordt [woonplaats] ook veroordeeld tot betaling van
€ 120,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door SI Music worden gemaakt, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hierna vermeld.
4.25.
De voorwaardelijke vordering van SI Music hoeft niet te worden beoordeeld, omdat hiervoor niet is geoordeeld dat de muziekauteursrechten zijn overgedragen aan [woonplaats] en niet is geoordeeld dat [woonplaats] aanspraak kan maken op die rechten.
4.26.
Het verzoek van [woonplaats] om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, wordt afgewezen. De aard van de zaak en de wet verzet zich niet tegen de door SI Music gevorderde uitvoerbaarverklaring. De stelling van [woonplaats] dat executie van een toewijzend vonnis voor hem bezwarend is, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor al is overwogen, had het op de weg van [woonplaats] gelegen om er ernstig rekening mee te houden dat discussie zou ontstaan over (door)betaling van het bedrag van € 193.785,09 en had hij dit bedrag redelijkerwijs kunnen en moeten reserveren. Het standpunt van [woonplaats] dat SI Music niet in staat zal zijn tot terugbetaling als in hoger beroep tot een ander oordeel wordt gekomen, is op zichzelf onvoldoende reden om uitvoerbaarverklaring achterwege te laten. Dat standpunt is overigens ook onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd, en vindt geen steun in de stukken. Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter ook geen grond om aan de uitvoerbaarverklaring de voorwaarde te verbinden dat een bedrag aan zekerheid wordt gesteld.
de tegenvordering
4.27.
Het gaat bij de tegenvordering van [woonplaats] om de vraag of SI Music moet worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 34.668,63 aan bonus vanaf eind 2017.
4.28.
Volgens artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst heeft [woonplaats] aanspraak op “een 3-procent bonusregeling met een maximaal van EUR 10.000,- die gebaseerd is op de Ebita resultaten van SI Music studio en de door Werknemer ten behoeve van Werkgever te realiseren doelstellingen.”
4.29.
Vast staat dat SI Music over de jaren 2017, 2018 en 2019 steeds een voorschot op de bonus heeft betaald van € 50,00 per maand, dus telkens € 600,00 per jaar. Daarnaast is in 2017 ook een bedrag van € 2.163,77 aan bonus betaald.
4.30.
SI Music wijst er terecht op dat de bonus op grond van artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst in de eerste plaats moet worden vastgesteld en berekend op basis van “de Ebita resultaten van SI Music studio”. Niet betwist is de stelling van SI Music dat “Ebita” staat voor ‘Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation and Amortization’ en dus ziet op de bruto winst, verminderd met kosten van rente, belastingen en afschrijvingen op activa en leningen, en goodwill.
4.31.
Op grond van artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst moet de bonus dus worden vastgesteld en berekend op basis van de bruto winst van SI Music, conform “Ebita”. [woonplaats] heeft de door hem gestelde aanspraak op de bonus niet berekend aan de hand van de bruto winst van SI Music, conform “Ebita”, maar kennelijk op basis van de bruto omzet op naam van [woonplaats] . Die berekening van de bonus door [woonplaats] is dus onjuist en vindt geen steun in de arbeidsovereenkomst, zodat deze niet kan worden gevolgd.
4.32.
De stelling van [woonplaats] dat SI Music in het verleden, met name in 2014, 2015 en 2016, de bonus zelf ook heeft berekend op basis van de bruto omzet op naam van [woonplaats] , rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van een verworven recht van [woonplaats] en dat SI Music die berekening ook moet toepassen over het jaar 2017 en daarna. Een berekening op basis van bruto omzet op naam van [woonplaats] is immers in strijd met artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst en een in het verleden door SI Music gemaakte fout in de berekening van de bonus betekent niet dat SI Music die fout nadien niet zou kunnen of mogen herstellen. Daarbij weegt ook mee dat [woonplaats] niet heeft weersproken de stelling van SI Music dat zij [woonplaats] destijds direct heeft geïnformeerd over de foute berekening en dat de bonus de afgelopen jaren steeds alleen op basis van een voorschot is betaald.
4.33.
SI Music erkent dat zij op grond van haar eigen berekening nog een bedrag aan bonus verschuldigd is van € 751,68 over 2017 en € 1.700,79 over 2019, in totaal dus € 2.452,47. Op dit laatste bedrag heeft SI Music in de conclusie van antwoord op de tegenvordering nog een bedrag aan voorschot van € 600,00, betaald in 2017, in mindering gebracht. Echter, op de zitting is namens SI Music verklaard dat al betaalde voorschotten niet zullen worden teruggedraaid en daaruit volgt ook dat geen terugvordering of verrekening van dat voorschot meer kan plaatsvinden.
4.34.
[woonplaats] heeft in beginsel dus nog aanspraak op betaling van een bonus van
€ 2.452,47.
4.35.
SI Music zal echter niet worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan bonus, en [woonplaats] heeft ook geen aanspraak op betaling van een vertragingsvergoeding als bedoeld in artikel 7:625 BW, omdat SI Music terecht een beroep doet op verrekening met haar vordering op [woonplaats] van € 193.785,09. Het bedrag aan bonus van € 2.452,47 is ook al in mindering gebracht op het bedrag waartoe [woonplaats] in het kader van de vordering van SI Music wordt veroordeeld.
4.36.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [woonplaats] zal afwijzen.
4.37.
Hoewel de vordering van [woonplaats] wordt afgewezen, heeft hij zich wel terecht op het standpunt gesteld dat hij nog aanspraak heeft op betaling van een bonus, zij het dat die aanspraak door SI Music kan worden verrekend met haar vordering op [woonplaats] . De kantonrechter is daarom van oordeel dat het redelijk is dat partijen de eigen proceskosten dragen.