RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8165342 \ CV EXPL 19-17700
Uitspraakdatum: 30 september 2020
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
gevestigd te [vestigingsplaats]
eiseres
verder te noemen: [eiseres]
gemachtigde: mr. E.F. Seunke
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. B. Mous
2 De feiten
2.1.
[gedaagde] is medio 2017 toegetreden tot het bestuur van [eiseres] , in de functie van penningmeester. Vanuit die functie had zij vanaf 4 september 2017 toegang tot de bankrekening van [eiseres] . Tussen 6 september 2017 en medio 2018 heeft [gedaagde] (minimaal) € 33.400,80 van [eiseres] verduisterd door dat met valse omschrijvingen naar twee rekeningen, waaronder minimaal één eigen rekening, over te boeken.
2.2.
Namens [eiseres] is op 14 september 2018 aangifte gedaan van fraude.
2.3.
Tussen 1 en 8 oktober 2018 hebben (de gemachtigde van) [eiseres] en [gedaagde] per e-mail contact gehad over een terugbetalingsregeling. Op 5 oktober heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] ge-e-maild: ‘Uw mail met daarin een nieuw voorstel om uw schuld van € 33.400,80 vermeerderd met rente aan [eiseres] Haarlem terug te betalen heb ik in goede orde ontvangen.
Om te beginnen mis ik in uw voorstel hetgeen u mij telefonisch wel had gezegd, namelijk dat u ook uw vakantiegeld en alle andere extraatjes van uw werkgever zou gebruiken om de betreffende schuld af te lossen.
Het gaat immers om een bedrag van ruim € 33.000,- vermeerderd met wettelijke rente en als u € 500,- per maand gaat betalen bent u in ieder geval nog ongeveer zes jaar bezig om uw schuld af te lossen. […] als u één termijn van € 500,- niet betaalt vervalt de regeling en zal ik namens cliënte alsnog de dagvaarding tegen u laten uitreiken.’
2.4.
Op die e-mail is door [gedaagde] gereageerd: ‘ [eiseres] kan ervan op aan dat ik de schuld netjes en zo snel mogelijk zal terug betalen.
Naast de 500 per maand zal ik daarnaast ook zoals telefonisch met u heb besproken maar niet in de mail heb benoemt, in de maanden juni en december een extra bedrag van 500 euro aflossen aan [eiseres] . […]’
2.5.
[gedaagde] heeft tussen 4 oktober 2018 en 27 juni 2019 € 5.500,- aan [eiseres] betaald. Na 27 juni 2019 heeft [gedaagde] geen betalingen meer aan [eiseres] gedaan.
2.6.
Op 3 juli 2019 is [gedaagde] door de politierechter veroordeeld in verband met de verduisteringen bij [eiseres] . In het kader van de strafzaak is strafrechtelijk beslag op de auto van [gedaagde] gelegd.
2.7.
Bij e-mail van 5 augustus 2019 heeft [gedaagde] op verzoek van de gemachtigde van [eiseres] toestemming gegeven om de opbrengst van de auto direct aan [eiseres] over te maken. Naar aanleiding van die toestemming heeft de gemachtigde van [eiseres] contact gehad met het ‘afpakteam Noord-Holland’ van het Openbaar Ministerie (‘OM’), en heeft de gemachtigde van [eiseres] het OM gevraagd of deze bevestiging van mevrouw [gedaagde] voldoende was om de opbrengst van de verkoop van de auto rechtstreeks aan [eiseres] over te maken. Het OM heeft op die vraag bij e-mail van 6 augustus 2019 gereageerd: ‘Het volgende kan ik u melden, het is niet mogelijk om het voorwerp aan uw cliënt over te dragen. Mw. [gedaagde] heeft afstand gedaan van het voorwerp, hierdoor zou het voorwerp aan de staat vervallen.
Uw cliënt heeft geen titel om het voorwerp overgedragen te krijgen. Een executoriale of conservatoire titel zou de oplossing zijn om het voorwerp te kunnen overdragen aan uw cliënt.’
2.8.
Op 12 augustus 2019 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] per e-mail geschreven: ‘Ik heb van de penningmeester van [eiseres] begrepen dat u over de maand juni slechts € 500,- heeft betaald, terwijl u volgens afspraak ook uw vakantiegeld zou gebruiken om af te lossen op uw schuld. Bovendien vertelde de penningmeester mij dat u over de maand juli helemaal niets heeft betaald.
Dat betekent dus dat er een aanzienlijke achterstand is in de terugbetaling van uw schuld.
Namens cliënte verzoek ik u – en voor zover nodig sommeer ik u – die achterstand binnen vijf dagen na heden in te lopen bij gebreke waarvan ik cliënte zal adviseren civielrechtelijke incassomaatregelen tegen u te nemen.
De kosten daarvan komen uiteraard voor uw rekening.’
2.9.
Bij e-mail van dezelfde dag heeft de gemachtigde van [gedaagde] onder andere gereageerd: ‘Aangaande de betalingsregeling kan ik u melden dat cliënte thans niet meer in staat is om de maandelijks overeengekomen bedragen te voldoen. Dit komt er ergo op neer dat cliënte uw cliënte op dit moment helaas niets te bieden heeft. Als dit anders wordt zal zij uiteraard haar verplichtingen weer voort zetten.
Cliënte erkent de schuld en heeft zelfinzicht getoond. Een nu nog door te lopen buitengerechtelijk incassotraject (middels incasso- of deurwaarderskantoor), waar u cliënte bij e-mail heden over heeft bericht, is gelet op deze uiteenzetting van feiten volstrekt kansloos. U weet net zo goed als ik dat dit de kosten bij cliënte nodeloos hoger doet oplopen. Uw cliënte schiet daar verder ook niets meer op.
Wat mij en cliënte betreft mag u rechtsreeks over gaan tot het dagvaarden van cliënte, zodat u hiermee op korte termijn naar alle waarschijnlijkheid een titel in handen hebt om verder te executeren. Daarna moet de deurwaarder maar kijken of er verder verhaal kan worden genomen op cliënte […]’
2.10.
De auto is op 16 augustus 2019 verkocht voor een bedrag van € 6.280,-.
2.11.
Bij verzoekschrift van 19 augustus 2019 heeft [eiseres] de Voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem verzocht haar verlof te verlenen om te laste van [gedaagde] conservatoir beslag tot afgifte van (de opbrengst) van de auto te doen leggen onder het OM. Het verlof om conservatoir beslag te mogen leggen is op 20 augustus verleend.
2.12.
Op 29 oktober 2019 heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid een bedrag van € 6.294,79 aan [eiseres] betaald, onder vermelding van de omschrijving: ‘[…] Teruggave gelden / [gedaagde] ’
3 De vordering
3.1.
[eiseres] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 22.136,33, te vermeerderen met € 1.401,17 aan buitengerechtelijke kosten, € 1.459,- aan beslagkosten en proceskosten, waaronder nakosten. [eiseres] vordert daarnaast veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over voormelde bedragen.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] van het totaal verduisterde bedrag van € 33.400,90, te vermeerderen met wettelijke rente, € 5.500,- heeft betaald zodat na aftrek van dat bedrag en de opbrengst van de auto nog een schuld van € 22.136,33 resteert. [eiseres] was genoodzaakt beslag te leggen op de auto, opdat de opbrengst daarvan aan [eiseres] betaald kon worden, zodat de kosten van het beslag op grond van artikel 706 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) voor rekening van [gedaagde] komen. Om proceseconomische redenen worden deze kosten gevorderd tot een bedrag van € 1.459,-. Daarnaast is [gedaagde] buitengerechtelijke kosten, proceskosten en wettelijke rente verschuldigd.
4 Het verweer
4.1.
[gedaagde] betwist de vordering (gedeeltelijk). [gedaagde] erkent dat zij een schuld heeft aan [eiseres] . Zij voert verder – samengevat – aan dat zij niet begrijpt dat [eiseres] na de verkoop van de auto nog conservatoir beslag heeft gelegd en dat dit volstrekt nodeloos is geweest omdat [gedaagde] al veroordeeld was, zij afstand had gedaan van het voertuig en omdat het voertuig op 16 augustus 2019 is verkocht. [gedaagde] voert aan dat de beslagkosten in alle redelijkheid niet voor haar rekening komen.
4.2.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn niet onderbouwd, niet correct aangezegd en hadden redelijkerwijs niet hoeven te worden gemaakt, nu de gemachtigde van [gedaagde] de gemachtigde van [eiseres] bij e-mail van 12 augustus 2019 heeft geïnformeerd dat zij rechtstreeks over kon gaan tot dagvaarden.
5 De beoordeling
5.1.
[gedaagde] heeft erkend de door [eiseres] gevorderde hoofdsom verschuldigd te zijn, zodat kantonrechter die vordering zal toewijzen.
Beslagkosten
5.2.
Naast de hoofdsom heeft [eiseres] betaling van de beslagkosten van het conservatoir beslag van 20 augustus 2019 gevorderd. [gedaagde] heeft aangevoerd dat dit beslag nodeloos was, zodat de beslagkosten in alle redelijkheid niet voor haar rekening mogen komen.
5.3.
Gelet op artikel 706 Rv kunnen de kosten van een beslag, al of niet in de hoofdzaak, van de beslagene worden teruggevorderd tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat het beslag onnodig was. Gelet op de door het OM vereiste conservatoire of executoriale titel oordeelt de kantonrechter dat het beslag nodig was ter verkrijging van de opbrengst van de auto. Dat [gedaagde] reeds afstand had gedaan van de auto, was veroordeeld en de auto reeds was verkocht, doet hier gelet op de door het OM gestelde eis niet aan af. De kantonrechter zal de gevorderde beslagkosten dan ook toewijzen.
Buitengerechtelijke kosten
5.4.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. [eiseres] heeft [gedaagde] bij e-mail van 12 augustus 2019 verzocht en gesommeerd de betalingsachterstand binnen vijf dagen in te lopen, onder vermelding van toekomstige incassomaatregelen bij het niet voldoen aan die sommatie.
5.5.
Hoewel het op de weg van [gedaagde] had gelegen [eiseres] te informeren zodra zij niet meer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen, in plaats van [eiseres] pas na de e-mail van 12 augustus 2019 op de hoogte te stellen, zal de vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] onvoldoende gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Voor zover de e-mail van 12 augustus 2019 als zodanig moet worden opgevat, komt de gevorderde vergoeding niet voor toewijzing in aanmerking nu het toepasselijke wettelijke tarief niet in de e-mail is vermeld en niet is gebleken dat in de aanmaning aan de gedaagde partij een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
Proceskosten en nakosten
5.6.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij grotendeels ongelijk krijgt. Ook de nakosten zullen worden toegewezen, tot een bedrag van € 120,- en voor zover door [eiseres] daadwerkelijk nakosten worden gemaakt.
6 De beslissing
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 22.136,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 oktober 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 1.459,-- aan beslagkosten ex artikel 706 Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 november 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 103,02
griffierecht € 972,00
salaris gemachtigde € 960,00 ;
te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de nakosten, voor zover deze daadwerkelijk door [eiseres] worden gemaakt, tot een maximum van € 120,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter