RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8660297 \ CV EXPL 20-6163
Uitspraakdatum: 3 maart 2021
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
h.o.d.n. [handelsnaam]
wonende en zaakdoende te [plaats]
eiser
verder te noemen: [eiser]
procederend in persoon
2 De feiten
2.1.
Op 30 april 2020 heeft [gedaagde] online een offerte voor het herstel van een lekkage aan zijn dak opgevraagd bij Huisbeheer NL B.V. (hierna: HBN). Dezelfde dag hebben [gedaagde] en HBN een overeenkomst gesloten waarop staat ‘Werk Opdracht’. Op de werkopdracht staat: Opdrachtnemer zal met de uitvoering van de werkzaamheden aanvangen op de datum 6-5-2020 na 12:30. Opdrachtnemer ontvangt van opdrachtgever bij de oplevering van de werkzaamheden een contante betaling van € 1180 inclusief btw, materiaal en arbeid.
2.2.
[eiser] heeft, als gemachtigde van HBN, [gedaagde] per brief d.d. 14 mei 2020 in gebreke gesteld en gesommeerd om HBN in de gelegenheid te stellen de overeenkomst na te komen.
2.3.
Op 2 juni 2020 heeft [eiser] , als gemachtigde van HBN, [gedaagde] gesommeerd tot betaling van € 1.182,71 inclusief € 2,71 wettelijke rente. In deze brief is aangezegd dat indien [gedaagde] de vordering niet zou voldoen incassokosten zullen worden gerekend.
2.4.
Een medewerker van HBN heeft op 8 juni 2020 het volgende schriftelijk verklaard:
(…) Ik arriveerde bij de familie [gedaagde] op die desbetreffende dag rond 15:30. [gedaagde sub 1] vond dit te laat en heeft mij weggestuurd, en heeft geen werkzaamheden laten uitvoeren.
2.5.
Per brief d.d. 14 juni 2020 heeft [gedaagde] aan [eiser] het volgende – voor zover hier relevant – gestuurd:
(…)
Op 2 juni heb ik een brief van u ontvangen waarin u mij sommeert een bedrag te betalen van € 1.180,00 wegens het niet nakomen van een overeenkomst met de firma Huisbeheer NL B.V. Ik ben het hier niet mee eens. (…)
In uw brief vermeldt u dat ik niet eerder op een door u verstuurde brief van 14 mei 2020 heb gereageerd. Zoals ik eerder in mijn telefoongesprek van 4 juni aan u meedeelde heb ik deze brief nooit van u ontvangen. (…).
2.6.
Per brief d.d. 17 juni 2020 heeft [eiser] , als gemachtigde van HBN, [gedaagde] gesommeerd tot betaling.
2.7.
Per brief d.d. 19 juni 2020 heeft [eiser] aan [gedaagde] laten weten dat de vordering van HBN aan hem is gecedeerd en heeft hij [gedaagde] opnieuw gesommeerd tot betaling.
3 De vordering
3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van
€ 1.362,03 (de hoofdsom van € 1.180,00, vervallen wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.180,00 vanaf 8 juli 2020 tot de dag van betaling. Daarnaast vordert [eiser] betaling van de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente, en de nakosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] op 30 april 2020 online bij HBN een offerte heeft aangevraagd voor het herstellen van een lekkage aan zijn dak. Dezelfde dag is HBN langsgegaan bij [gedaagde] en heeft een reparatie uitgevoerd die de lekkage tijdelijk heeft verholpen. Daarna hebben HBN en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht gesloten waarbij HBN op 6 mei 2020 verdere reparatiewerkzaamheden zou verrichten aan het dak van [gedaagde] om de lekkage definitief te verhelpen. Op de overeenkomst staat dat HBN bij [gedaagde] langs zou gaan na 12:30 uur. Toen HBN rond 15:30 uur aankwam bij het huis van [gedaagde] heeft [gedaagde] HBN weggestuurd omdat [gedaagde] vond dat HBN te laat was. Door HBN is daarna meerdere malen geprobeerd een nieuwe afspraak te maken, hetgeen niet is gelukt. Nu [gedaagde] HBN niet in de gelegenheid stelt de overeenkomst na te komen, is er sprake van schuldeisersverzuim. Door middel van cessie is de vordering overgedragen aan [eiser] .
5 De beoordeling
5.1.
Tussen partijen staat vast dat zij op 30 april 2020, met de ondertekening door [gedaagde] van het opdrachtformulier van HBN, een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW) hebben gesloten. [eiser] heeft verder – onbetwist – gesteld dat medewerkers van HBN op 6 mei 2020 onderweg waren naar het adres van [gedaagde] om de opdracht uit te voeren.
5.2.
[eiser] stoelt zijn vordering op schuldeisersverzuim ex artikel 6:59 BW, maar niet gesteld of gebleken is dat de nakoming van de overeenkomst door HBN is opgeschort. Nu de kantonrechter op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de rechtsgronden ambtshalve moet aanvullen, stelt zij vast dat in dit geval de rechtsgrond schuldeisersverzuim zoals bedoeld in artikel 6:58 BW is.
5.3.
In artikel 6:58 BW is bepaald dat de schuldeiser in verzuim komt, wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend.
5.4.
Uit de handelwijze van HBN blijkt dat zij bereid en in staat was de overeenkomst van opdracht tijdig na te komen en dat zij daartoe ook het nodige heeft gedaan. [gedaagde] heeft immers erkend dat medewerkers van HBN op 6 mei 2020, na 12:30 uur, onderweg waren naar zijn adres om de overeenkomst uit te voeren maar dat [gedaagde] hen heeft afgebeld. Daarnaast heeft [gedaagde] ter zitting aangegeven dat hij door HBN gebeld is op 7 en 8 mei 2020 maar daarna niet meer heeft opgenomen en dat hij in ieder geval de brieven van 2 juni en 19 juni 2020 heeft ontvangen. Ook heeft [gedaagde] gesteld dat hij het vertrouwen in HBN was kwijtgeraakt waardoor hij geen gebruik meer wilde maken van de diensten van HBN.
5.5.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] de (verdere) uitvoering van de opdracht en daarmee de nakoming door HBN van haar verbintenis heeft gefrustreerd. Dit kan aan [gedaagde] worden toegerekend. Als [gedaagde] twijfelde over de betrouwbaarheid van HBN, had het op zijn weg gelegen HBN hierover eerder te berichten en de overeenkomst op te zeggen. Dat [gedaagde] de overeenkomst heeft opgezegd, zoals hij lijkt te stellen, is onvoldoende gebleken. Dit strookt ook niet met de na 6 mei 2020 nog gevoerde telefoongesprekken, waarin [gedaagde sub 1] heeft aangegeven nog te willen overleggen met zijn vrouw over een nieuw tijdstip voor de reparatie-afspraak. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldaan aan de vereisten voor het intreden van schuldeisersverzuim op grond van artikel 6:58 BW.
5.6.
Op grond van artikel 6:63 BW komen de kosten die HBN als gevolg van het schuldeisersverzuim van [gedaagde] heeft gemaakt, binnen de grenzen van de redelijkheid, voor rekening van [gedaagde] [eiser] vordert de volledige offertekosten en heeft ter zitting gesteld dat deze kosten zien op de voorrijkosten, kosten ter voorbereiding van de klus, planningskosten, twee werknemers die onderweg waren en gederfde omzet. Daarbij komt nog dat HBN op 30 april 2020 een noodreparatie heeft uitgevoerd, waarvoor [gedaagde] niet hoefde te betalen omdat uit de noodreparatie een nieuwe opdracht is voortgevloeid. Nu HBN niet in de gelegenheid is gesteld om deze opdracht uit te voeren, dient [gedaagde] de kosten voor de noodreparatie te voldoen, aldus [eiser] .
5.7.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Hoewel [eiser] de onkosten, ook desgevraagd ter zitting, in zijn geheel niet nader heeft onderbouwd noch heeft gespecificeerd, ligt het voor de hand dat HBN wel kosten heeft gemaakt. Het is in deze branche gebruikelijk om voorrijkosten te rekenen. Die kosten zijn gemaakt. Ook zijn de kosten voor de twee ingezette werknemers aannemelijk omdat zij immers niet meer ingezet konden worden op een andere klus. Hetzelfde geldt voor de gederfde omzet. Indien [gedaagde] de reparatie-afspraak eerder zou hebben geannuleerd, had HBN een andere opdracht kunnen aannemen voor die dag. Aan de overige onkosten (voorbereidingskosten en planningskosten) gaat de kantonrechter voorbij nu deze kosten reeds gemaakt waren voordat [gedaagde] de reparatie-afspraak annuleerde en HBN ter zitting heeft aangegeven dat annuleren twee dagen voor de afspraak nog mogelijk is. Ook de kosten voor de noodreparatie komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu [eiser] , tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , onvoldoende heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk werkzaamheden aan het dak van [gedaagde] heeft verricht. Nu de hoogte van de onkosten niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dienen deze kosten ingevolge artikel 6:97 BW te worden geschat. Gelet op al het voorgaande, begroot de kantonrechter de schade op een bedrag van 50% van de offerte, zijnde € 590,00, welk bedrag derhalve zal worden toegewezen. De wettelijke rente hierover zal ook worden toegewezen nu hier geen afzonderlijk verweer tegen is gevoerd.
5.8.
[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:96 BW is voldaan. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen volgens het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe [gedaagde] zal worden veroordeeld. Derhalve wordt een bedrag van € 177,00 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen.
5.9.
Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van wat in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.
5.10.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] deels zal toewijzen.
5.11.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij grotendeels ongelijk krijgt. Daarbij wordt [gedaagde] ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
6 De beslissing
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 590,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 juli 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 177,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 90,32
griffierecht € 236,00
salaris gemachtigde € 248,00 ;
vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 62,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [eiser] worden gemaakt;
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter