Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag voor vergoeding van bijzondere kosten voor pleegzorg op grond van de Jeugdwet. De rechtbank stelt in het licht van de totstandkoming van het bestreden besluit van 24 april 2024 de volgende feiten en het procesverloop vast die zij tot uitgangspunt heeft genomen.
1.1.
De pleegouders van het minderjarige kind [naam 1] hebben zich tot verweerder gewend met het verzoek om een vergoeding van de kosten voor kinderopvang te krijgen.
1.2.
Verweerder heeft deze aanvraag op 31 januari 2024 afgewezen.
1.3.
Eiser heeft op 10 april 2024 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing.
1.4.
Met het bestreden besluit van 24 april 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. In het besluit staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“Wij zijn van mening dat kinderopvang een noodzakelijke ondersteuning kan zijn binnen pleegzorg. Daarom proberen wij afspraken te maken met de gemeente Stede Broec over de vergoeding van de kosten voor kinderopvang. Tot op heden is dat niet gelukt. Wij kunnen deze kosten niet vergoeden.
(…)
Echter anders de ouders van de kinderen, zijn pleegouders niet onderhoudsplichtig. Anders gezegd: pleegouders hoeven de BSO-kosten niet te betalen. De kinderopvangorganisatie stuurt de nota daarentegen wel aan de pleegouders. Het is vervolgens niet geregeld wie de kosten van de kinderopvang minus aftrek van de toeslag moet betalen. Dit kan niet op de gezaghebbende ouders worden verhaald. De vraag is op wie dan wel.
U bent van mening dat [naam 2] de overgebleven kosten (na aftrek van de toeslag) moet betalen. Wij zijn van mening dat deze door de gemeente moeten worden betaald. Tenminste zolang er geen landelijke regeling is.
Pleegzorg valt onder de Jeugdwet en is daarmee sinds 2015 een gemeentelijke verantwoordelijkheid. De zorgplicht voor het bieden van een passend aanbod van pleegzorg ligt hiermee bij de gemeenten, zowel inhoudelijk als financieel.
Voor de uitvoering van pleegzorg hebben wij een pleegzorgcontract met de gemeente, waarin onder andere is vastgelegd welke vergoeding de pleegouders ontvangen voor de verzorging en opvoeding van het pleegkind of -kinderen. Ann de hand van het contract dat wij met de gemeenten hebben, kunnen en mogen wij de kosten voor de buitenschoolse opvang niet vergoeden.
De pleegzorgvergoeding is bedoeld om “kosten voor verzorging” te dekken. Kinderopvang valt hier niet onder. Daarnaast zijn er soms bijzondere kosten die worden vergoed, zoals bijvoorbeeld hoge reiskosten of kosten voor de aanschaf van schoolboeken. Deze kosten kunnen bij de desbetreffende verantwoordelijke gemeente worden aangevraagd. Iedere gemeente heeft een eigen definitie voor bijzondere kosten. BSO-kosten vallen voor de gemeente Stede Broec niet onder bijzondere kosten.”
1.5.
Eiser heeft op 7 mei 2024 beroep ingesteld.
1.6.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de partner van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Namens verweerder waren aanwezig: [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .
Omvang van het geschil
2. Deze zaak gaat over de afwijzing van de aanvraag van de pleegouders voor vergoeding van de kosten voor de kinderopvang op grond van artikel 5.3. van de Jeugdwet.
3. Voor pleegkinderen met een kinderbeschermingsmaatregel en pleegkinderen onder pleegoudervoogdij geldt voor de overheid een bijzondere onderhoudsplicht, die pleegouders in staat stelt deze pleegkinderen adequaat te verzorgen en op te voeden. Grondslag voor deze bijzondere onderhoudsplicht van de Staat is het arrest van de Hoge Raad van 30 november 20071. Hierin staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“Binnen die grens heeft de Staat een zekere vrijheid om te bepalen op welke wijze aan die onderhoudsplicht invulling wordt gegeven. Maar dat kan niet geschieden door te verwijzen naar andere geldelijke voorzieningen. Deze zijn ofwel inkomensafhankelijk en daarom meestal niet effectief ofwel inkomensonafhankelijk, maar dienen dan niet ter vervanging van de onderhoudsplicht van de Staat, maar als aanvulling daarop, zoals zij ook door ouders als aanvulling op hun eigen onderhoudsplicht kunnen worden ontvangen.”
4. Tussen partijen is deze onderhoudsplicht van de Staat niet in geschil. Ook niet in geschil is dat de kosten van kinderopvang niet bij de pleegouders behoren te liggen.
Uit de toelichting op de Regeling Jeugdwet2 is af te leiden dat de Staat beoogt met deze regeling invulling te geven aan de onderhoudsplicht:
“Een pleegzorgaanbieder dient bijzondere kosten te vergoeden indien er sprake is van een pleegoudervoogd dan wel van een pleegouder die een pleegkind opvangt in het gedwongen kader. Voor deze groepen pleegkinderen geldt ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 30 november 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA8447) voor de overheid een bijzondere onderhoudsplicht; pleegouders dienen in staat te worden gesteld die pleegkinderen adequaat te verzorgen en op te voeden. Door de onderhavige bepaling wordt beoogd hier invulling aan te geven.”
5. In deze procedure is naar voren gekomen dat deze problematiek breder speelt en door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen onder de aandacht wordt gebracht van de (lokale en landelijke) politiek. Ook heeft de rechtbank op dezelfde dag een vergelijkbare zaak ter zitting behandeld, waarbij het ging om de afwijzing van de buitenschoolse opvang (BSO)-kosten3.
6. Verweerder heeft een nieuwsbrief (van oktober 2023) verstuurd waarin dit ook wordt erkend en waarin voor zover hier van belang het volgende staat vermeld:
“U kunt kinderopvangtoeslag aanvragen, dat dekt alleen zelden alle gemaakte kosten. [naam 2] onderschrijft het standpunt van de NvP: Pleegouders investeren veel tijd en aandacht voor pleegkinderen. Ze zijn niet onderhoudsplichting. De kosten van kinderopvang moeten volledig vergoed worden. Helaas is er een hiaat in de bestaande regels en afspraken in Nederland. (…) Wij vinden dat u als pleegouder de kosten voor kinderopvang vergoed zou moeten krijgen. [naam 2] kan deze kosten – als er geen dekking tegenover staat – echter niet betalen. Afgelopen jaar hebben we al en aantal maal met de regiogemeenten gesproken om tot een oplossing te komen. Ook binnen de gemeenten is deze leemte zichtbaar. Ook bij hen is geen geoormerkt budget hiervoor.”
7. In dit kader beantwoordt de rechtbank de volgende vragen. De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of verweerder is aan te merken als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (zogeheten b-orgaan) en vervolgens of er sprake is van een besluit waartegen beroep openstond.
8. Vervolgens zal de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder de aanvraag op goede gronden heeft kunnen afwijzen.
9. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder is aan te merken als bestuursorgaan, en dat daarmee sprake is van een appellabel besluit in de zin van de Awb. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder het verzoek om vergoeding de kosten niet had kunnen afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
Standpunten verweerder
10. Verweerder betwist dat zij als bestuursorgaan kan worden aangemerkt. Daarom is er ook geen sprake van een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaat en dus is de bestuursrechter niet bevoegd om over het geschil te oordelen. Verweerder voert daarvoor de volgende argumenten aan.
10.1.
Verweerder stelt zich namelijk op het standpunt dat zij geen bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid 1, aanhef en onder b, van de Awb. Verweerder is niet met enig openbaar gezag bekleed. Niet is in te zien hoe daarvan sprake zou kunnen zijn in de systematiek van de pleegoudervergoedingen. Daarbij wordt door verweerder verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 28 februari 20184. Het is aan de gemeente om voldoende pleegzorg in te kopen. Onder die inkoop valt dus expliciet het mogelijk maken dat een pleegzorgaanbieder bijzondere kosten kan betalen aan pleegouders. Dit is een besluit van de gemeente. Ook wordt verwezen naar het contract tussen stichting [naam 2] en de gemeente. In de besluiten die de gemeente neemt ten aanzien van een jeugdige zijn de bedragen voor pleegzorg opgenomen. Tegen die besluiten van de gemeente staat voor eiser een rechtsgang open.
10.2.
Verweerder stelt verder dat zij uitsluitend een lijdzame rol vervult in de vergoedingssystematiek. Verweerder verricht louter ondersteunende taken en geen eigen, zelfstandige taken. Daarbij wordt verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 6 juni 20075. In het verlengde hiervan volgt uit de parlementaire geschiedenis en de jurisprudentie dat cruciaal is voor de vaststelling of een entiteit een b-orgaan is, die entiteit de rechtpositie van (rechts)personen eenzijdig en bindend kan bepalen. Het is niet verweerder, maar de gemeente die de vergoedingen aan eiser ontzegt.
11. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder in de uitoefening van de bevoegdheid tot het vergoeden van bijzondere pleegzorgkosten als bestuursorgaan is aan te merken. Daartoe is onder meer verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 augustus 20186. Volgens eiser wordt voldaan aan twee van de criteria die in deze uitspraak uiteen zijn gezet.
12. Op grond van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb is een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon een bestuursorgaan als dat orgaan met openbaar gezag is bekleed. Daarvoor is bepalend of aan dat orgaan een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten is toegekend. Openbaar gezag kan in beginsel slechts bij wettelijk voorschrift worden toegekend.
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder aan te merken als een met openbaar gezag bekleed orgaan. De publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie (de rechten en/of verplichtingen) van andere rechtssubjecten is aan de jeugdzorgaanbieder (hier: verweerder) toegekend op grond van artikel 5.3, van de Jeugdwet in verbinding met het bepaalde in artikel 5.3 van de Regeling Jeugdwet.
12.2.
Artikel 5.3., van de Regeling Jeugdwet luidt als volgt:
“De pleegzorgaanbieder verstrekt een door de pleegzorgaanbieder vast te stellen vergoeding voor bijzondere kosten voor het pleegkind
ingeval sprake is van een pleegoudervoogd dan wel een pleegouder die een pleegkind opvangt in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel, voor zover:
a. deze kosten naar het oordeel van de pleegzorgaanbieder redelijkerwijs noodzakelijk worden geacht en niet kunnen worden voldaan uit het basisbedrag, bedoeld in artikel 5.1, dan wel uit de toeslagen, bedoeld in artikel 5.2;
b. voor deze kosten geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt, en
c. de kosten redelijkerwijs niet zijn te verhalen op onderhoudsplichtige ouders.”
12.3.
In de toelichting op artikel 5.3, van de Regeling Jeugdwet staat, voor zover hier van belang, het volgende:
Onderdeel a
Ingevolge onderdeel a dient een pleegzorgaanbieder, eventueel in overleg met de gecertificeerde instelling die de kinderen in het gedwongen kader begeleidt, te beoordelen of de desbetreffende kosten noodzakelijkerwijs gemaakt dienen te worden. Het gaat bij bijzondere kosten niet om de dagelijkse kosten voor opvoeding en verzorging, maar om de meer specifieke kosten die te maken hebben met de opvoeding van een pleegkind. Noodzakelijke bijzondere kosten kunnen in ieder geval zijn incidentele hoge medische kosten die niet op grond van een andere regeling vergoed worden, reiskosten in verband met een omgangsregeling waarvoor het basisbedrag redelijkerwijs niet toereikend is en de kosten voor een aanvullende ziektekostenverzekering. Overigens regelt onderdeel b dat indien op grond van een andere regeling voor deze kosten een uitkering kan worden verstrekt, de pleegzorgaanbieder deze kosten niet hoeft te vergoeden. Het is aan gemeenten om samen met de pleegzorgaanbieder te komen tot afspraken over de vergoeding van de bijzondere kosten. De VNG ontwikkelt in samenwerking met Jeugdzorg Nederland, de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen en LOPOR een landelijke handreiking met daarin een verdere toelichting op welke uitgaven in aanmerking komen voor vergoeding van bijzondere kosten. Deze handreiking zal richtlijnen bevatten voor gemeenten om te komen tot afspraken met de pleegzorgaanbieder. De pleegzorgaanbieder moet op basis van de met de gemeenten gemaakte afspraken voorts beoordelen of deze kosten redelijkerwijs kunnen worden voldaan uit het basisbedrag of de overige toeslagen op het basisbedrag, bedoeld in artikel 5.2, en of de desbetreffende kosten bijzondere kosten zijn en noodzakelijkerwijs worden gemaakt ten behoeve van het betrokken pleegkind.”
12.4.
Uit bovenstaande bepalingen en de toelichting volgt aldus expliciet dat verweerder, en niet de gemeente, bepaalt of sprake is van bijzondere kosten, welke vergoeding daarvoor wordt vastgesteld en of voldaan is aan de daarbij gestelde voorwaarden. Het is, kortom, dus verweerder die eenzijdig de rechtspositie van de pleegouders als verzoekers bepaalt.7
12.5.
Verweerder is in deze zaak aan te merken als bestuursorgaan. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank ook dat de afwijzingen van 31 januari 2023 en 24 april 2024 zijn aan te merken als besluiten in de zin van artikel 1:3 Awb en dat aldus de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het beroep.
Vergoeding bijzondere kosten
Beoordelingskader
13. Zoals hiervoor overwogen stelt de pleegzorgaanbieder vast of sprake is van bijzondere kosten en beoordeelt zij verder of aan alle drie de voorwaarden, genoemd in artikel 3.5, van de Regeling Jeugdwet, is voldaan.
13.1.
Door partijen is gewezen op de Handreiking pleegvergoeding van de VNG8. Daarin staat, voor zover hier van belang, (op pagina 15) het volgende:
“Een lacune in het huidige vergoedingssysteem is de mogelijkheid om de kosten voor kinderopvang en naschoolse opvang vergoed te krijgen, terwijl tussen-schoolse opvang soms al wel wordt vergoed. De praktijk wijst uit dat pleegouders vanwege werk in toenemende mate gebruik maken van deze, doorgaans zeer kostbare, voorzieningen voor pleegkinderen. U heeft als gemeente de beleidsvrijheid om deze kosten (deels) te vergoeden als bijzondere kosten.”
13.2.
Ook is gewezen op de Handreiking ‘Tarifering en inkoop pleegzorg’.9 Hierin staat op pagina 27 het volgende:
“Kinderopvang en naschoolse opvang
Pleegouders kunnen kinderopvangtoeslag aanvragen voor de kinderopvang en naschoolse opvang van pleegkinderen. Daarna blijft er nog een deel van de kosten van kinderopvang en naschoolse opvang bij de pleegouders liggen. Indien een pleegouder geen recht heeft op kinderopvangtoeslag, bijvoorbeeld omdat één van de pleegouders niet werkt, liggen alle kosten bij de pleegouders. De kosten die pleegouders hier nu zelf voor maken zijn niet opgenomen in het component ‘bijzondere kosten’ in deze handreiking. De praktijk wijst uit dat pleegouders vanwege werk en ook voor de houdbaarheid van een plaatsing wel in toenemende mate gebruik maken van deze, doorgaans zeer kostbare, voorzieningen voor pleegkinderen. Pleegzorgorganisaties en gemeenten kunnen afspraken maken over het (deels) vergoeden van deze kosten.”
Standpunten verweerder
14. Verweerder stelt dat zij als pleegzorgaanbieder binnen de (wettelijke) kaders en maatregelen die worden opgelegd vanuit hun opdrachtgevers, te weten de gemeenten, moet blijven. Er is slechts sprake van een administratieve uitvoering van het beleid van de gemeenten. Kosten die niet vergoed worden door de gemeenten kunnen dan ook niet toegekend worden aan de pleegouders. Dit betekent dat er geen grondslag is voor het vergoeden van de kinderopvangkosten, omdat deze kosten niet binnen de gestelde categorieën vallen. Daarnaast is sprake van een plafond voor bijzondere kosten. Dit valt onder de beleidsvrijheid van gemeenten en kan variëren. In dit geval bedraagt het plafond € 500,00 per jaar en de opgave van de pleegouders overschrijdt het plafond. Ter zitting is door gemachtigde van verweerder toegelicht dat verweerder bij een aanvraag voor bijzondere kosten voor pleegzorg naar de opgestelde lijst10 genaamd ‘overzicht vergoedingen bijzondere kosten’ kijkt en – indien een kostenpost niet op de lijst is opgenomen – vervolgens dit opneemt met de gemeente. De gemeente geeft dan aan of de kosten al dan niet vergoed worden.
14.1.
Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat conform de regeling het moet gaan om bijzondere kosten, niet om dagelijkse kosten voor opvoeding en verzorging. De kinderopvangkosten kunnen, gelet op de lijst, niet worden aangemerkt als bijzondere kosten. Volgens verweerder kan het niet de bedoeling zijn geweest om zulke hoge kosten als bijzondere kosten te beschouwen. Verder wordt verwezen naar de Handreiking Pleegvergoeding van de VNG en de Handreiking ‘Tarifering en inkoop pleegzorg’ .
15. Eiser verwijst onder meer naar het bestreden besluit van 24 april 2024 en de brief van stichting Parlan van 31 januari 2024 waarin verweerder het standpunt heeft ingenomen dat kinderopvang een noodzakelijke ondersteuning kan zijn binnen de pleegzorg. Het is voor de vergoeding van de kosten voor kinderopvang van belang dat is voldaan aan de drie voorwaarden zoals beschreven in artikel 5.3 van de Regeling. Volgens eiser is hier aan voldaan.
Beoordeling
16. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van bijzondere kosten zoals opgenomen in artikel 5.3 van de Regeling Jeugdwet.
16.1.
De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat de afwijzing onvoldoende is gemotiveerd. Door verweerder is de aanvraag voor de vergoeding van bijzondere kosten afgewezen, omdat de kosten financieel niet vergoed worden door de gemeente. Deze afwijzingsgrond is niet terug te lezen in artikel 5.3. van de Regeling Jeugdwet.
Zeker gelet op het feit dat door verweerder (in de communicatie naar de pleegzorgouders, onder meer via een nieuwsbrief, en anders dan in deze procedure wordt betoogd) wordt erkend dat de kosten voor kinderopvang voor vergoeding in aanmerking moeten komen, kan niet slechts worden volstaan met het verwijzen naar de gemeente waarom de kosten niet vergoed worden. Daarmee miskent verweerder de wettelijke taak die krachtens artikel 5.3 van de Jeugdwet in verbinding met artikel 5.3 van de Regeling Jeugdwet, op haar rust.
16.2.
Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder bij de beoordeling van het verzoek de criteria van artikel 5.3. van de Regeling Jeugdwet moeten toepassen. Daarbij is de eerste vraag of sprake is van bijzondere kosten.
Deze vraag dient naar het oordeel van de rechtbank bevestigend te worden beantwoord. Dit oordeel wordt ondersteund door de handreiking 'Tarifering en inkoop pleegzorg', waarin (op pagina 16), voor zover hier van belang, het volgende staat vermeld:
“In bijlage 2 is een overzicht opgenomen van veelvoorkomende kostenposten voor bijzondere kosten. Deze lijst is niet limitatief, in de zin dat andere kosten die ten behoeve van het pleegkind worden gemaakt ook voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Dat vergt soms dus maatwerk. En brengt ook met zich mee dat een maximering van de mogelijkheid tot een bijzondere kostenvergoeding per pleeggezin niet in lijn is met de regeling.
Vanuit het oogpunt van standaardisatie en het verminderen van onnodige administratieve kosten en lasten wordt er in deze Handreiking uitgegaan dat in de contractering tussen gemeente en pleegzorgaanbieder bijzondere kosten altijd een integraal onderdeel vormen van het pleegzorgtarief. Dat de bijzondere kosten onderdeel uitmaken van het tarief voorkomt onduidelijkheid, ingewikkelde procedures, administratieve lasten en wachttijden.
Dit zorgt dat pleegouders zonder drempels of ingewikkelde procedure een beroep kunnen doen op de bijzondere kosten. In de opbouw van het tarief is hier een bedrag van € 493,- per jaar voor opgenomen. Dit is nadrukkelijk een richtbedrag en geen maximumbedrag. Als er aantoonbaar sprake is van buitengewoon hogere bijzondere kosten, bijvoorbeeld in het geval extra kosten voor een pleegkind met een beperking of een life event, gaan pleegzorgaanbieder en gemeente hierover in gesprek.”
16.3.
Daarbij staat in de handreiking 'Tarifering en inkoop pleegzorg' (op pagina 27) de ‘kinderopvang en naschoolse opvang’ expliciet genoemd als kostenpost in bijlage 2 van ‘veelvoorkomende bijzondere kosten’. Ook in de handreiking pleegvergoeding van de VNG staat (op pagina 15) vermeld:
“U heeft als gemeente de beleidsvrijheid om deze kosten (deels) te vergoeden als bijzondere kosten.”
16.4.
Uit bovenstaande volgt dat de opgestelde lijst ten doel heeft onnodige administratieve kosten en lasten te verminderen, de lijst niet limitatief is en het enig onderscheidend criterium de veel voorkomendheid van bepaalde kosten betreft. Voor enig ander criterium, zoals door verweerder gesteld, is geen steun te vinden in de van toepassing zijnde documenten. Verder worden de kinderopvangkosten juist expliciet genoemd als mogelijke bijzondere kosten.
Dat de kosten voor kinderopvang niet op de gehanteerde lijst staan, is dus geen grond voor afwijzing van het verzoek. Ook bestaat er geen grond voor afwijzing, omdat de te vergoeden kosten te hoog zouden zijn en er slechts een maximum bedrag vergoed kan worden. Zoals hiervoor is vermeld, blijkt uit handreiking 'Tarifering en inkoop pleegzorg' dat het gaat om een richtbedrag en geen maximumbedrag. De stelling van verweerder dat de kosten van kinderopvang en BSO niet incidenteel zijn en daarom niet bijzonder, kan ook niet worden gevolgd, nu de kosten voor tussenschoolse opvang bij een continurooster expliciet zijn genoemd en deze kosten ook voor alle schooldagen gemaakt kunnen worden.
16.5.
Dat aan de voorwaarden van artikel 5.3, sub a t/m c van de Regeling Jeugdwet is voldaan is in deze procedure niet in geschil. De kosten van kinderopvang kunnen immers niet voldaan worden uit het basisbedrag voor pleegzorgvergoeding. Het is wel mogelijk om kinderopvangtoeslag aan te vragen voor de kosten van de BSO en kinderopvang, maar deze toeslag dekt in dit geval maar een deel van de kosten, waardoor er nog een (substantieel) bedrag aan kosten overblijft. De kosten zijn niet te verhalen op de onderhoudsplichtige ouders.
Conclusie ten aanzien van het verzoek
16.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de vergoeding van kinderopvangkosten niet kunnen afwijzen. Dit betekent dat verweerder alsnog moet overgaan tot het vergoeden van de kosten. Bij het vaststellen van de vergoeding dient in acht te worden genomen dat de Staat, gelet op het arrest van de Hoge Raad, een onderhoudsplicht heeft en de kosten niet door de pleegouders gedragen hoeven te worden.
16.7.
Dat het verweerder niet is gelukt om over de bijzondere kosten afspraken te maken met de gemeente Stede Broec en dat het ook in de onderhandeling tijdens de aanbesteding niet is meegenomen, kan in ieder geval niet als afwijzingsgrond richting eiser worden gebruikt. Het is de verantwoordelijkheid van verweerder om, juist in het kader van een aanbesteding, goede en reële afspraken te maken over de te vergoeden kosten. Dat door verweerder, in het kader van de aanbestedingsprocedure, geen ruimte wordt ervaren om met gemeenten nadere afspraken te maken is geen argument om de lasten vervolgens, in weerwil van de bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad, af te wentelen op de pleegzorgouders.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Dit betekent dat verweerder opnieuw moet beslissen op het bezwaarschift. Vanwege de beoordelingsruimte die verweerder heeft, is het niet aan de rechtbank om die afweging te maken. De rechtbank kan daarom niet zelf in de zaak voorzien.
18. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
19. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,00, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 april 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzitter, en mr. M.H. Affourtit-Kramer en mr. H.H. Riemeijer, leden, in aanwezigheid van mr. M.E. Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.