RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
zaak\rolnummers: 5405245 AR VERZ 16-203, 5475660 AR VERZ 16-235,
5407847 AR VERZ 16-206, 5475587 AR VERZ 16-234.
beschikking van de kantonrechter d.d. 21 februari 2017
[naam] ,
wonende te [woonplaats] , aan de [adres] ,
verzoekster in conventie, tevens verweerster in voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen [A] ,
gemachtigde mr. M.G.J. Smit, advocaat te Rotterdam,
de Stichting Zorggroep Groningen,
gevestigd te 9728 PG Groningen, aan de Schaaksport 100-102,
verweerster in conventie, tevens verzoekster in voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen ZGG,
gemachtigde mr. G.W. Brouwer, advocaat te Groningen.
[A] heeft bij verzoekschrift met bijlagen, ter griffie ontvangen op 30 september 2016, verzocht om bij beschikking:
-
het door ZGG op 5 augustus 2016 gegeven ontslag te vernietigen, en om haar, [A] , toe te laten de bedongen werkzaamheden te verrichten op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, voor elke dag of een gedeelte daarvan dat ZGG in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen;
-
ZGG te veroordelen met terugwerkende kracht vanaf 2 mei 2016 aan haar te betalen het overeengekomen salaris van € 1.624,76 bruto per maand, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en met de wettelijke rente vanaf iedere datum van verschuldigdheid;
-
met veroordeling van ZGG in de kosten van de procedure;
subsidiair
- ZGG te veroordelen:
-
tot betaling van een billijke vergoeding conform artikel 7: 681 BW door de kantonrechter in goede justitie te bepalen;
-
tot betaling van een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de periode 2 mei 2016 tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, dan wel van rechtswege zou zijn geëindigd conform artikel 7:677 lid 2 BW;
-
tot betaling van een transitievergoeding ex artikel 7:673 jo 7:674 BW;
-
om aan haar schriftelijk en deugdelijk netto/bruto specificaties te verstrekken, waarin de bedragen en betalingen van sub a en b zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,00 per dag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, met een maximum van € 10.000,00 voor elke dag na 2 dagen na de datum van de beschikking dat ZGG niet voldoet aan de beschikking;
-
voor recht te verklaren dat het concurrentie- en relatiebeding komt te vervallen;
-
betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel WIK;
-
betaling van de wettelijke rente over de onder a, b, c, d en g genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening;
-
met veroordeling van ZGG in de kosten van de procedure.
ZGG heeft een verweerschrift strekkende tot afwijzing van het verzoek ingediend dat op 28 oktober 2016 ter griffie is binnengekomen. Blijkens het voorwaardelijk tegenverzoek, voor het geval, de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigt, heeft ZGG de volgende verzoeken geformuleerd:
-
de alsdan tussen partijen herleefde arbeidsovereenkomst te ontbinden op één van de daarvoor aangevoerde redelijke gronden;
-
bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn en de arbeidsovereenkomst dadelijk te ontbinden nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [A] ;
-
te bepalen dat [A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding;
-
[A] te veroordelen in de kosten van de procedure in reconventie.
[A] heeft een verweerschrift met bijlagen in reconventie ingediend dat op 4 november 2016 de griffie heeft bereikt.
Om administratie redenen heeft de kantonrechter, met gebruikmaking van artikel 7:686a lid 10 BW, de zaken gesplitst, waarbij:
- -
de zaak met zaak/rolnummer 5405245 AR VERZ 16-203 ziet op het verzoek om de opzegging te vernietigen
- -
de zaak met zaak/rolnummer 5475660 AR VERZ 16-235 ziet op het verzoek tot betaling van loon en wedertewerkstelling;
- -
de zaak met zaak/rolnummer 5407847 AR VERZ 16-206 ziet op het subsidiaire verzoek tot loonbetaling en tot betaling van een billijke vergoeding en een transitievergoeding en vernietiging van het concurrentiebeding;
- -
de zaak met zaak/rolnummer 5475587 AR VERZ 16-234 ziet op het voorwaardelijk tegenverzoek;
Op 9 november 2016 heeft een eerste zitting plaatsgehad. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Tijdens de zitting hebben partijen te kennen gegeven dat zij de verdere behandeling wensten aan te houden, aangezien zij (op hoofdlijnen) een minnelijke schikking hadden bereikt. Een en ander heeft echter niet geresulteerd in een definitieve vaststellingsovereenkomst, waarna partijen hebben verzocht de mondelinge behandeling voort te zetten. Deze heeft in aanwezigheid van partijen – ZGG deugdelijk vertegenwoordigd – en hun gemachtigden plaatsgevonden op 24 januari 2017. De gemachtigden hebben de standpunten van partijen nader toegelicht aan de hand van pleitnotities.
1 De feiten
1.1
[A] , geboren [geboortedatum] , is sinds 1 april 1996 krachtens arbeidsovereenkomst bij ZGG in dienst, laatstelijk in de functie van verzorgende tegen een loon van € 1.624,76 bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantiebijslag en emolumenten. [A] verrichtte haar werkzaamheden gewoonlijk op de locatie Maartenshof te Groningen.
1.2
Als verzorgende was [A] laatstelijk gedurende 12 tot 21 uur per week werkzaam op de longstay dagbehandeling. Zij had, kort gezegd, tot taak een groep van 8 tot 12 cliënten, parkinsonpatiënten, te begeleiden.
1.3
Na een ziekteperiode van 18 april 2008 tot 1 februari 2009 heeft [A] zich op 22 juni 2011 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten, deels werkgerelateerd, deels vanwege persoonlijke omstandigheden.
1.4
Bij rapport van 1 mei 2013 heeft de arbeidsdeskundige mede op grond van de bevindingen van de bedrijfsarts geconcludeerd dat de functie van verzorgende dagbehandeling niet als passend kon worden aangemerkt en dat gezocht moest worden naar re-integratiemogelijkheden in ander passend werk.
1.5
Op 14 mei 2013, [A] had zich ziek gemeld, heeft telefonisch een Voortgang verzuimgesprek plaatsgevonden tussen [A] en haar leidinggevende. Uit het ter zake opgemaakte verslag blijkt onder meer dat [A] liever niet op de afdeling Dagbehandeling wilde re-integreren, aangezien ze op die afdeling als gevolg van gevoelens van onveiligheid last kreeg van hoofdpijn en stress. Ze opteerde voor re-integratie op een andere werkplek.
1.6
Een gepland gesprek op 15 mei 2013 om de gevolgen van het rapport van de arbeidsdeskundige te bespreken heeft vanwege de medische klachten van [A] , die eerst haar huisarts wilde raadplegen over haar medicijninstelling (antidepressiva), geen doorgang gevonden.
1.7
Op 23 mei 2013 heeft andermaal een Voortgang verzuimgesprek plaatsgevonden tussen [A] en haar toenmalige leidinggevende [B] . Daarbij is wederom aan de orde gekomen dat het de voorkeur verdiende dat [A] niet zou re-integreren op haar eigen afdeling Dagbehandeling maar als helpende op de afdeling Somatiek en wel in een daaraan gelieerde woning, in dit geval 5d. Getuige het verslag van het gesprek kon [A] zich daarin vinden. Samen met haar leidinggevende heeft [A] ook een bezoek gebracht aan de cliënt in de desbetreffende woning alwaar zij afspraken hebben gemaakt over werkrooster en werktijden. Daarna heeft de re-integratie tot helpende een aanvang genomen.
1.8
Bij brieven van 4 oktober 2013, 12 oktober 2013 en 14 oktober 2014 heeft [C] zich opgeworpen als gemachtigde van [A] . Kern van die brieven was dat [A] wenste te re-integreren in haar functie van verzorgende.
1.9
Voormelde qua toonzetting ongebruikelijke brieven zijn ZGG in het verkeerde keelgat geschoten; zij heeft deze als beledigend ervaren. Als reactie daarop heeft ZGG [A] tot 19 oktober 2013 op non-actief gesteld en een loonstop aangekondigd per 16 oktober 2013, welke niet is geëffectueerd. Tevens is bevestigd dat partijen op 28 oktober 2013 nader zullen spreken.
1.10
Bij e-mail van 16 oktober 2013 heeft [A] het volgende aan ZGG medegedeeld:
Allereerst wil ik mijn excuses aanbieden voor de ontstane situatie. Ik realiseer me dat dit voor een aantal mensen zeer onverkwikkelijk is geweest. Ik heb mij vergist in [C] . En wil afstand doen van hetgeen hij geschreven heeft. Ik ben net als jullie van mening dat het grens overschrijdend is geweest. En dat dit de arbeidsverhoudingen niet ten goede zijn gekomen.
1.11
Op 28 oktober 2013 heeft er wederom een gesprek plaatsgevonden tussen ZGG en [A] . Bij die gelegenheid is [A] er op gewezen dat het re-integratietraject gericht op terugkeer als helpende in overleg met haar, de arbeidsdeskundige en de bedrijfsarts tot stand was gekomen. [A] heeft toegezegd alsnog een WIA-aanvraag te zullen doen.
1.12
In het kader van de WIA-aanvraag heeft [A] in een uitvoerige brief aan het UWV d.d. 11 november 2013 geschreven dat zij zich onheus behandeld voelde door ZGG en dat zij zich in staat achtte haar werk als verzorgende te vervullen.
1.13
Op 13 november 2013 heeft [A] zich vervolgens ziek gemeld. Aan de bedrijfsarts heeft zij te kennen gegeven dat er sprake was van een arbeidsconflict. De bedrijfsarts schrijft daarover:
M.i. is door de ontwikkelingen van de afgelopen weken thans (ook) sprake van een arbeidsconflict. Mevrouw [D] heeft op 13/11 een gesprek met de verzekeringsarts van het UWV. Geadviseerd wordt haar tot dan niet te belasten met werk en na dat gesprek weer met elkaar in gesprek te gaan.
1.14
Op 5 december 2013 heeft het UWV aan de hand van arbeidsdeskundig en verzekeringsgeneeskundig onderzoek beslist dat ZGG te kort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen en heeft zij ZGG een loonsanctie van een jaar opgelegd.
1.15
Het aan de beslissing van het UWV ten grondslag liggende arbeidsdeskundig rapport luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
De inspanningen zijn onvoldoende omdat de verzekeringsarts heeft vastgesteld dat er sinds het voorjaar 2013 geen argumenten bestaan voor beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek. Op grond daarvan kan gesteld worden dat mevrouw weer geschikt te achten is voor haar eigen werk.
1.16
Het aan de beslissing van het UWV ten grondslag liggende geneesdeskundig rapport luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Cliënte ervaart geen belemmeringen in het functioneren. Cliënte acht zich voor de oorspronkelijke einde wachttijd volledig geschikt voor eigen werk.
Cliënte is een 55-jarige vrouw die al geruime tijd aan de slag was in de werkzaamheden waarin ze zich in juni 2011 arbeidsongeschikt heeft gemeld met klachten van psychische aard waarvoor behandeling heeft plaatsgevonden tot najaar 2012. Cliënte heeft volledig hervat, maar in een lagere functie. Er spelen duidelijke situatieve problemen, en sinds kort een arbeidsconflict waardoor ze toen volledig is uitgevallen. Cliënte zelf acht zich voorjaar 2013 volledig hersteld en geschikt voor eigen werk. Op grond van de aard en intensiteit van de klachten en ingestelde behandelingen, alsmede wat cliënte zelf vertelt over haar toestand, wordt niet onderbouwd dat er voorjaar 2013 nog beperkingen waren als gevolg van ziekten of gebreken. Bedrijfsarts heeft begrip voor deze afweging.
1.17
Begin 2014 is [A] vanwege de door haar gestelde verstoorde verhoudingen van de afdeling Dagbehandeling overgeplaatst naar de afdeling Revalidatie. Zij is op die afdeling gaan werken als verzorgende.
1.18
Op 6 maart 2015 heeft [A] zich andermaal ziekgemeld in verband met fysieke klachten. Op 13 maart 2015 rapporteert de bedrijfsarts daaromtrent dat op lange termijn terugkeer naar haar eigen functie op de eigen werkplek zeer twijfelachtig is.
1.19
Op 19 maart 2015 heeft er een Voortgang Verzuimgesprek plaatsgevonden tussen [A] en haar leidinggevende. In het gespreksverslag staat:
[A] geeft aan veel pijn te hebben, ze is bij de fysio geweest en waarschijnlijk zit er een grote zenuw in de knel, de L3. Ze zakt door haar benen, handen en voeten zijn gezwollen en ze kan hierdoor niet goed lopen. Zelfstandig autorijden lukt haar niet. Ze krijgt van de huisarts hier lyrica voor en deze heeft haar rust voorgeschreven. Tevens speelt er gynaecologisch een probleem waar ze zorgen over heeft. Volgende week maandag gaat ze door de scan in het ziekenhuis om te kijken of de volledige diagnose van de fysiotherapeut klopt. We spreken af om wekelijks contact te hebben door te bellen. [A] geeft aan dat ze het vervelend vind om geconfronteerd te worden met haar werk. Ik vertel haar dat ik naast dat ik graag op de hoogte wil blijven van hoe het met haar gaat, de plicht heb om contact met haar te houden vanuit de wet Poortwachter.
1.20
Partijen hebben vervolgens een bespreking gepland voor 13 april 2015 om met elkaar van gedachten te wisselen over een Plan van Aanpak. [A] heeft daarop te kennen gegeven dat zij niet naar haar werkplek kon komen om een dergelijk plan vorm te geven. Zij zegt dat zij daartoe fysiek en mentaal niet in staat is. Aan het verzoek van haar leidinggevende om ter zake van haar beperkte mobiliteit een medische verklaring (huisarts, neuroloog) over te leggen zegt zij niet te kunnen voldoen, aangezien dergelijke verklaringen volgens haar (huisarts) niet zouden bestaan.
1.21
Bij brief van 22 april 2015 heeft ZGG haar uitnodiging voor een gesprek voor het opstellen van een Plan van Aanpak herhaald en aan [A] kenbaar gemaakt dat zij een medische verklaring diende over te leggen indien zij niet op gesprek zou kunnen komen. Bij weigering stelt ZGG haar opschorting van het loon in het vooruitzicht.
1.22
Op de brief van 22 april 2015 heeft [A] onder meer geschreven:
Ik ben overigens best bereid om een gesprek te hebben in het kader van de re-integratie. Om praktische redenen stel ik voor eerst het consult van de bedrijfsarts te laten plaatsvinden dan verzoek ik u om contact met mij op te nemen voor het maken van een afspraak. Omdat ik zelf geen auto mag of kan rijden op dit moment ben ik afhankelijk van familie of vrienden om mij te rijden.
1.23
Op 13 mei 2015 heeft op Maartenshof te Groningen een gesprek plaatsgevonden tussen partijen. Daarbij heeft ZGG voorgesteld om het dienstverband middels een vaststellingsovereenkomst te beëindigen. ZGG heeft haar voorstel neergelegd in haar brief van 19 mei 2015. In die periode is er contact en overleg geweest tussen de (toenmalige) gemachtigden van partijen. De onderhandelingen hebben niet tot resultaat geleid.
1.24
Ten tijde van bedoeld overleg heeft [A] zonder ZGG daarin te kennen een deskundigenoordeel gevraagd aan het UWV met betrekking tot de re-integratie-inspanningen van ZGG. Het oordeel van het UWV luidde dat ZGG daarin te kort was geschoten.
1.25
Aangezien partijen geen overeenstemming konden bereiken over beëindiging van de dienstbetrekking heeft ZGG de re-integratie weer opgepakt. In juli 2015 is een Plan van Aanpak opgesteld en op 25 september 2015 heeft de bedrijfsarts een inzetbaarheidsprofiel gemaakt. In dat kader heeft de bedrijfsarts tevens een arbeidsdeskundig onderzoek geadviseerd om te bekijken of het eigen werk van [A] passend is dan wel passend is te maken of dat re-integratie extern moet plaatsvinden.
1.26
Op 26 november 2015 heeft de bedrijfsarts [A] wederom gezien. Naar aanleiding daarvan heeft hij geadviseerd een arbeidsdeskundige in te schakelen en heeft hij voorts het navolgende gerapporteerd:
De medische situatie van betrokkene is niet gewijzigd. Betrokkenen is in de curatieve sector geweest voor mogelijke behandeling, maar hieruit komen geen opties naar voren. Al met al is de kans groot dat er geen duidelijke verbetering in haar belastbaarheid zal komen. Terugkeer in eigen functie lijkt niet reëel.
1.27
Op 25 februari 2016 heeft [A] de (nieuwe) bedrijfsarts bezocht. Deze heeft in zijn verslag het navolgende geschreven:
Ik kom tot de conclusie dat er op dit moment vooral sprake is van een arbeidsconflict. Een conflict dat bovendien een re-integratie ernstig in de weg staat.
Er bestaan weliswaar ziektebeelden, en deze ziektebeelden geven ook beperkingen (en trouwens ook restmogelijkheden), maar in welke mate deze beperkingen leiden tot arbeidsongeschiktheid kan alleen maar proefondervindelijk worden bepaald. Of deze beperkingen kunnen worden gecompenseerd door gebruik te maken van maximaal ingezette arbeidskundige oplossingen, kan ook alleen maar proefondervindelijk worden bepaald. En of er een noodzaak is tot een traject tweede spoor kan ook alleen maar wanneer er redenen zijn om het eerste spoor te stoppen.
Het verzuimdossier komt naar mijn mening alleen maar verder wanneer er een concrete start wordt gemaakt met de re-integratie. Maar een arbeidsgeschil staat de start in de weg.
Eigenlijk wil ik mijzelf voor dit moment even naar de achtergrond plaatsen. Ik adviseer u en uw medewerker met klem om het arbeidsconflict op te lossen. Neem hiervoor desnoods professionele hulp in de arm. Bepaal gezamenlijk de doelstelling van de re-integratie. En betrek mij weer bij de re-integratie wanneer er medisch advies nodig is.
1.28
Op 28 december 2015 heeft ZGG arbeidsdeskundige [E] verzocht onderzoek te doen. Op 14 maart 2016 heeft dat geresulteerd in een concept rapportage, die op dezelfde dag aan [A] is gemaild vergezeld van een uitnodiging deze op 17 maart 2016 met [E] te bespreken. Bij brief van 15 maart 2016 heeft ZGG [A] uitgenodigd voor een gesprek op 17 maart 2016 over het vervolgtraject. Daarop heeft [A] laten weten niet te zullen komen vanwege de korte termijn waarop het gesprek was gepland. Ook het gesprek met haar leidinggevende heeft [A] afgezegd.
1.29
Per e-mail van 17 maart 2016 heeft ZGG aan [A] kenbaar gemaakt haar gedrag niet te kunnen accepteren. Zij is daarbij opnieuw uitgenodigd voor een bespreking met de arbeidsdeskundige gevolgd door een bespreking met haar leidinggevende op 22 maart 2016. [A] is niet verschenen op de beoogde bespreking met haar leidinggevende. Zij heeft deze per e-mail afgezegd. Haar desbetreffende bericht luidde:
Vanuit het kantoor van [E] stuur ik je dit bericht. We stelden samen vast dat we een heel goed gesprek hadden. Ons gezamenlijk voorstel is om spoor 1 mogelijk te maken. Zo spoedig mogelijk om tafel te gaan. Om de lucht enigszins te doen opklaren. Anders gezegd, zoals [E] het formuleerde, om weer helemaal on speaking terms te geraken. Het rapport van [E] behoeft enige aanpassing. Dus een verbeterde versie volgt zo spoedig mogelijk. Daarop mag ik gezien de nu niet meer beschikbare tijd weer reageren. Dat betekent dat een gesprek voor vanmiddag met jullie nog niet aan de orde kan zijn. In overleg met [E] kom ik met een voorstel om de verhoudingen tussen ons weer wat te normaliseren.
1.30
Op 22 maart 2016 heeft ZGG als volgt gereageerd:
Goed te horen dat je een prettig gesprek hebt gehad met dhr. [E] . Ik heb zojuist ook telefonisch met hem gesproken.
Hij geeft echter aan dat hij heeft gezegd tegen jou dat het raadzaam is om in gesprek te gaan over re-integratie waarbij de conclusies in het rapport het uitgangspunt zijn. Er worden volgens hem een aantal mutaties in het rapport aangebracht die geen invloed hebben op deze conclusies. Dhr. [E] heeft niet tegen jou gezegd dat het gesprek deze middag niet door hoeft te gaan. Deze conclusie trek je zelf.
Ik vind het dan ook niet acceptabel dat je deze afspraak afzegt. We moeten immers zo snel mogelijk richting geven aan re-integratie en de vervolgstappen in gang zetten zoals in het AD rapport staan beschreven. Je geeft aan dat de verhoudingen weer genormaliseerd moeten worden. Tot twee keer toe een afspraak afzeggen bevordert dit niet. Ik verwacht dan ook dat je aanwezig bent vanmiddag om 16.30 uur.
1.31
[A] is niet op voormelde afspraak verschenen. Op 23 maart 2016 heeft ZGG haar vervolgens een officiële waarschuwing gegeven.
1.32
Bij brief van 8 april 2016 heeft ZGG [A] uitgenodigd voor een bespreking op 14 april 2016. Op 9 april 2016 heeft [A] gereageerd met de mededeling dat zij zal komen en dat zij zich zal laten vergezellen door [C] voornoemd. ZGG heeft daarop aan [A] te kennen gegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat [A] zich door een derde, echtgenoot of juridisch adviseur, laat vergezellen maar dat [C] in dat kader onacceptabel is aangezien hem vanwege eerder wangedrag de toegang tot Maartenshof is ontzegd. [A] is niet op de afspraak verschenen, waarop ZGG [A] andermaal officieel heeft gewaarschuwd en zich het recht heeft voorbehouden loonbetaling op te schorten bij herhaling.
1.33
Op 19 april 2016 is [A] wederom uitgenodigd voor overleg op basis van het advies van de arbeidsdeskundige en wel voor 21 april 2016. [A] is niet verschenen, omdat zij van advocaat was gewisseld.
1.34
Op 26 april 2016 is [A] voor de vijfde keer uitgenodigd voor een bespreking op 2 mei 2016 over re-integratie en een in dat verband opgesteld schema. [A] heeft daarop als volgt gereageerd:
Met stijgende verbazing nam ik kennis van je mail van 26 april 2016.
Ik begrijp, dat in overleg met dr. [F] een re-integratieplan is opgesteld, los van het gegeven dat wij over het plan [E] nog geen overeenstemming hebben.
Graag verneem ik per omgaande van jou de motivering van dr. [F] om van een eerder ingezette lijn (eerst het conflict uit de wereld) af te wijken.
Dit alles gezien in het licht van een conceptrapport [E] , waarover nog geen overeenstemming is bereikt.
1.35
ZGG heeft op 26 april 2016 als volgt gereageerd:
Vanaf begin maart probeer ik met jou het arbeidsdeskundig rapport te bespreken en om vervolgafspraken te maken over re-integratie. Dit is tot op heden niet gelukt en daarom heb ik nu in overleg met de bedrijfsarts een re-integratieschema opgesteld. In het schema is rekening gehouden met de vastgestelde beperkingen die je op dit moment hebt (zie bijlage).
Ik heb een re-integratieplek voor je gevonden op het Gymnasion in Maartenshof.
[G] zal je begeleiden op de werkvloer en 2 wekelijks hebben wij gezamenlijk een gesprek om te evalueren hoe het re-integreren gaat. De data om te evalueren in het schema zijn in concept, afhankelijk van het rooster van [G] .
Het traject gaat van start op 2 mei om 11 uur met een gesprek met [H] en ondergetekende.
Op 8 mei die week start je met [G] op de werkvloer. Je volgt het rooster van [G] .
Ik vind het van groot belang dat jouw re-integratie niet langer wordt uitgesteld, in het kader van de Wet verbetering Poortwachter wil ik aan onze verplichting voldoen.
En ik wil je erop wijzen, dat jij verplicht bent om actief aan je eigen re-integratie te werken.
Indien jij maandag niet aanwezig bent op het gesprek of om andere redenen jouw re-integratie vertraagt zal het loon worden stop gezet, zoals ook aangekondigd in de schriftelijke waarschuwing van 15 april 2016.
1.36
Op 29 april 2016 heeft [A] als volgt gereageerd:
Uw aanhoudende intimidaties zijn genoeg geweest. Ik verzoek u, desnoods sommeer ik u hiermee onmiddellijk te stoppen. Indien u volhardt in uw aanpak, overweeg ik u in gerechte tot een ophouden te bewegen.
1.37
[A] is niet op de bespreking van 2 mei 2016 verschenen, waarna ZGG bij brief van die datum een loonstop heeft aangezegd.
1.38
Bij brief van 2 juni 2016 heeft ZGG [A] uitgenodigd voor een bespreking op 7 juni 2016. Bij e-mail van 5 juni 2016 heeft [A] te kennen gegeven dat het rapport van de arbeidsdeskundige onvolledig is en dat zij niet heeft kunnen meepraten over het re-integratieschema. Zij is niet op de bespreking verschenen.
1.39
Bij brief van 17 juni 2016 heeft ZGG aan [A] laten weten een deskundigenoordeel te zullen vragen aan het UWV. [A] heeft onder meer als volgt gereageerd:
Dit zullen we laten beoordelen door het UWV… etc.
Eerst even taalkundig:
dit
moet
die
zijn (die mening)
UWV s zijn er voor het beoordelen van feiten en niet van meningen als ik het wel heb.
Zo n UWV-deskundige ziet u al aankomen. Toch?
1.40
Op 7 juli 2016 heeft het UWV geoordeeld dat [A] onvoldoende meewerkt aan haar re-integratie.
1.41
Vervolgens is [A] op 25 juli 2016 andermaal uitgenodigd voor een bespreking met ZGG op 1 augustus 2016. In die brief heeft ZGG kenbaar gemaakt dat het na de loonstop en het deskundigenoordeel een laatste poging betreft om te re-integreren. Daaraan is toegevoegd dat vergaande maatregelen zullen worden getroffen indien zij aan de uitnodiging geen gehoor geeft. Als gespreksonderwerpen worden daarin genoemd: de re-integratie in Maartenshof, het arbeidsconflict dat [A] zegt ervaren en haar activiteiten in haar theetuin. Tevens heeft ZGG geschreven dat [A] aansluitend wordt verwacht voor overleg met haar nieuwe leidinggevende over, onder meer, het werkschema en de werktijden.
1.42
Bij brief van 29 juli 2016 heeft de gemachtigde van [A] te kennen gegeven dat [A] zich bij dat gesprek zal laten vergezellen door haar echtgenoot en [C] . Daarnaast heeft de gemachtigde nog een tweetal voorwaarden gesteld (het bestaande conflict dient te worden opgelost en de aantijgingen over disfunctioneren moeten worden ingetrokken, waarna het re-integratietraject aan de orde kan komen).
1.43
Op 1 augustus 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen ZGG en [A] over haar re-integratie. Bij die gelegenheid heeft ZGG toegezegd mediation te zullen entameren met betrekking tot het door [A] ervaren arbeidsconflict. ZGG heeft daaraan toegevoegd dat de mediation niet aan een begin van re-integratie in de weg kon staan en dat beide trajecten naast elkaar van start zouden gaan. [A] is daar niet mee akkoord gegaan. Zij hield vast aan de door haar gemachtigde gestelde voorwaarden. Zij wenste eerst aan re-integratie te beginnen als het door haar ervaren arbeidsconflict uit de wereld was. Zij is niet op het aansluitend geplande gesprek met haar nieuwe leidinggevende verschenen.
1.44
Op 2 augustus 2016 is [A] door ZGG uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de Arbo-Unie op 4 augustus 2016 met als doel een inventarisatie te maken van de oorzaken van het door [A] ervaren arbeidsconflict. Tevens zou dat gesprek afstemmingsoverleg bevatten over de inrichting van de re-integratie-activiteiten op 4 augustus, gevolgd door een eerste inzet op de nieuwe afdeling om proefondervindelijk de arbeidsmogelijkheden van [A] in kaart te brengen. Verder was er een gesprek gepland over de activiteiten van [A] in haar theetuin.
1.45
[A] is noch bij de arbodienst noch bij Maartenshof verschenen op 4 augustus 2016. Middels haar gemachtigde heeft zij laten weten vast te houden aan de door haar gestelde voorwaarden voor een gesprek en dat ZGG weinig kaas heeft gegeten van het mediationtraject.
1.46
Op 5 augustus 2016 heeft ZGG [A] op staande voet ontslagen.
3 De beoordeling
Met betrekking tot het verzoek met zaak/rolnummer 5405245 AR VERZ 16-203 en 5475660 AR VERZ 16-235, het primaire verzoek
3.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 7:677 lid 1 BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.
3.2
Voor de werkgever, zo leert artikel 7:678 BW, worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Concreet is ingevolge artikel 7:678 lid 2 onder j en k BW sprake van een dringende reden wanneer de werknemer hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen, hem door of namens de werkgever verstrekt of wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt.
3.3
Bij de inhoudelijke beoordeling van de gerechtvaardigdheid van de dringende reden moet de rechter volgens de heersende jurisprudentie de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking nemen. Hij moet hierbij de aard en de ernst van de dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden. Relevant in dat verband zijn onder meer de aard en de duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de wijze waarop de werkgever heeft gereageerd op eerdere soortgelijke gedragingen. Van belang kunnen ook zijn de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder de gevolgen van het ontslag. Niettemin kan een afweging van belangen in het nadeel van de werknemer uitvallen, ook als de gevolgen voor de werknemer ingrijpend zijn.
3.4
In het licht van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten overweegt de kantonrechter nader als volgt.
3.5
Krachtens de artikelen 7:658a en 7:660a BW is, kort gezegd, de werkgever verplicht maatregelen gericht op re-integratie te nemen indien de werknemer ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten en is de werknemer onder meer gehouden gevolg te geven aan door de werkgever of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan in het kader van de re-integratie getroffen maatregelen, alsmede zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak.
3.6
Anders dan [A] kennelijk meent is de werkgever, na overleg met de bedrijfsarts, de arbeidsdeskundige en de werknemer, leidend in het treffen van bedoelde maatregelen en dient de werknemer zich daar naar te voegen, tenzij die maatregelen op gespannen voet staan met de beginselen van goed werkgeverschap of anderszins als onredelijk kunnen worden aangemerkt. Het is hoe dan ook niet aan de werknemer om ter zake van de invulling van het re-integratietraject voorwaarden te dicteren aan de werkgever.
3.7
Niettemin loopt als rode draad door dit dossier dat [A] slechts haar medewerking wenst te verlenen aan re-integratie als aan haar voorwaarden, in het bijzonder de oplossing van het door haar opgeworpen arbeidsconflict, is voldaan. Zoals reeds overwogen vindt die opvatting geen steun in het recht.
3.8
Hoewel het advies van de bedrijfsarts, die kennelijk alleen op gezag van [A] spreekt van een arbeidsconflict zonder daar inhoud aan te geven, van 25 februari 2016 niet uitblinkt door duidelijkheid, valt naar het oordeel van de kantonrechter niet in te zien waarom de oplossing van het (vermeende) arbeidsconflict niet hand in hand kon gaan met re-integratie, te meer nu die re-integratie op een andere afdeling onder een andere leidinggevende zou plaatsvinden. Bovendien heeft [A] , die in november 2013, onder meer aan het UWV, gewag heeft gemaakt van een arbeidsconflict vanaf toen tot in ieder geval 16 maart 2015 al dan niet in het kader van een re-integratietraject in overleg met de arbeidsdeskundige, de bedrijfsarts en haar leidinggevende gewerkt zonder dat het thans door haar zo prominent gemaakte arbeidsgeschil daaraan kennelijk in de weg stond. Bij schrijven van 22 april 2015 heeft zij daar ook geen punt van gemaakt in haar bereidverklaring om over re-integratie te praten. Daarnaast vormde het conflict ook geen belemmering om de arbeidsdeskundige te bezoeken op 17 maart 2016 in het kader van het te ontwikkelen re-integratietraject. Naar het oordeel van de kantonrechter had [A] geen gegronde redenen om niet verder in gesprek te gaan met haar leidinggevende en de arbeidsdeskundige over de invulling van haar re-integratie, te meer nu zij het door haar ervaren conflict tijdens die besprekingen aan de orde had kunnen stellen en ZGG dat onderwerp in een later stadium ook heeft geagendeerd en mediation heeft voorgesteld. Hetgeen hiervoor is overwogen krijgt nog eens extra gewicht door het oordeel van het UWV van 7 juli 2016 waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat [A] onvoldoende meewerkte aan haar re-integratie.
3.9
Hoewel [A] had dienen mee te werken aan re-integratie heeft zij op zijn minst zeven (17 maart 2016, 22 maart 2016, 14 april 2016, 21 april 2016, 2 mei 2016, 5 juni 2016, 2 augustus 2016) keer geweigerd om onder meer daarop gerichte gesprekken met haar leidinggevenden, de arbeidsdeskundige en potentiële begeleiders bij te wonen, volhardend in haar subjectieve overtuiging dat zij daartoe het recht had. Ook herhaalde waarschuwingen van ZGG, een geëffectueerde loonstop en het deskundigenadvies van het UWV, waarin ondubbelzinnig is verwoord dat zij ten onrechte niet meewerkte aan haar re-integratie, hebben haar kennelijk niet op andere gedachten kunnen brengen.
3.10
In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen komt de kantonrechter tot het oordeel dat ZGG [A] op goede gronden op staande voet heeft ontslagen. Het andermaal zonder gegronde reden niet verschijnen op de geplande bespreking van 5 augustus 2016 was de druppel die de emmer heeft doen overlopen. Het verzoek tot vernietiging van het gegeven ontslag zal dan ook worden afgewezen.
3.11
Dat ontslag op staande voet voor [A] ingrijpend is en dat zij haar werkzaamheden voor haar ziekte naar behoren heeft verricht, doen aan voormeld oordeel niet af. Hoewel niet ondenkbaar moet worden geacht dat de psychische problematiek van [A] (deels) een verklaring zou kunnen zijn voor haar halsstarrige houding, kan de kantonrechter daar geen rekening mee houden nu [A] daaromtrent niets heeft gesteld.
3.12
Aangezien het ontslag op staande voet op goede gronden is gegeven, is de arbeidsovereenkomst met ingang van 5 augustus 2016 rechtens geëindigd. Vanaf die dag heeft [A] derhalve geen recht meer op loon, noch op werkhervatting. De daarop betrekking hebben verzoeken moeten dan ook eveneens worden afgewezen.
Met betrekking tot het verzoek met rol/zaaknummer 5407847 AR VERZ 15-206, het subsidiaire verzoek
3.13
De kantonrechter verwijst naar en neemt over hetgeen hiervoor is overwogen en beslist.
3.14
Waar het ontslag op staande voet terecht is gegeven en niet is voldaan aan de onder a t/m e van artikel 7:681 lid 1 BW genoemde voorwaarden komt de vordering ter zake van een billijke vergoeding niet voor toewijzing in aanmerking. Dat geldt zoals hiervoor reeds is overwogen uiteraard ook voor zover de loonvordering ziet op de periode na het ontslag op staande voet.
3.15
Het verzoek ter zake van het loon met betrekking tot de periode 2 mei 2016 tot en met de datum van het ontslag dient hetzelfde lot te ondergaan als de hiervoor besproken verzoeken. Gelet op de stelselmatige en ongegronde weigeringen van [A] om als goed werknemer medewerking te verlenen aan haar re-integratie, stond het ZGG op de voet van artikel 7:629 lid 3 onder d BW vrij om het loon van [A] stop te zetten.
3.16
In het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen komt [A] naar het oordeel van de kantonrechter ook geen transitievergoeding toe, aangezien in casu sprake is van ernstige verwijtbaarheid zijdens [A] als bedoeld in artikel 7:673 lid 7 onder c BW.
3.17
Ook de overige verzoeken met betrekking tot de wettelijke verhoging en rente, de loonspecificaties en de buitengerechtelijke kosten worden mutatis mutandis afgewezen.
3.18
Voorts overweegt de kantonrechter dat partijen geen concurrentie- en relatiebeding zijn overeengekomen, zodat het verzoek ter zake voor afwijzing gereed ligt.
3.19
Als in het ongelijk gestelde partij wordt [A] in de kosten van de procedure veroordeeld.
Met betrekking tot het verzoek met zaak/rolnummer 5475587 AR VERZ 16-234, het voorwaardelijk tegenverzoek
3.20
Nu de aan het voorwaardelijke verzoek inherente voorwaarde niet is ingetreden, behoeft dit verzoek geen nadere bespreking.
In de verzoeken met zaak/rolnummers 5405245 AR VERZ 16-203, 5475660 AR VERZ 16-235 en 5407847 AR VERZ 16-206
wijst af de verzoeken van [A] ;
veroordeelt [A] in de kosten van de procedure aan de zijde van ZGG gevallen en stelt deze vast op € 1.200,00 aan salaris van de gemachtigde;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Fokkema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.
379