RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
zaak-/rolnummer.: 6204412 AR VERZ 17-94
beschikking van de kantonrechter ex artikel 7:671b BW d.d. 27 september 2017
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
[verzoekster]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij in de zaak van het verzoek, verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. D.F.W. Schalkwijk,
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij in de zaak van het verzoek, verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. J.J. Achterveld.
Partijen zullen hierna [verzoekster] en [verweerder] worden genoemd.
2 De feiten
in de zaak van het verzoek en de tegenverzoeken
2.1.
[verweerder] , geboren [geboortedatum] , is op [datum] in dienst getreden bij [verzoekster] als [functie A] tegen een brutosalaris van [bedrag x] per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.
2.2.
[verzoekster] heeft circa 220 medewerkers en is één van de grootste accountantskantoren in Friesland. [verweerder] is werkzaam op de vestiging [plaats] en deels op die in [woonplaats] , ressorteert hiërarchisch gezien rechtstreeks onder de directie, is lid van het management team, geeft direct leiding aan circa tien medewerkers en is zelfstandig tekeningsbevoegd.
2.3.
[verweerder] heeft bij indiensttreding een afschrift van het Personeelshandboek ontvangen. Daarin is, voor zover thans van belang, het volgende bepaald:
"7.10 Medewerkers respecteren degene tot wie zij zich richten op sociale netwerksites. Etnische laster, persoonlijke beledigingen en obsceniteit zijn niet geoorloofd. De privacy van anderen worden gerespecteerd.
(…)
8.6
Voorts zijn een aantal handelingen niet toegestaan:
- deelnemen aan communicatie die strijdig is met wet- en/of regelgeving en aantasting van onze integriteit of goede naam kan opleveren.(…)
- het verzenden of publiceren van berichten met een (seksueel) intimiderende inhoud;
(…)
11. Maatregelen
11.2
Gebruik dat een overtreding van deze regeling of andere wet- en/of regelgeving op levert, kan worden gesanctioneerd. (…) Sancties kunnen zijn een berisping, het opleggen van een boete van minimaal € 250 en maximaal € 5.000 en/of het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. (…)".
2.4.
Jaarlijks worden tientallen stageplaatsen bij [verzoekster] opengesteld. De [School X] ( [School X] ), met name de accountancy opleiding, is de belangrijkste talentenvijver voor [verzoekster] en levert studenten voor dergelijke stageplaatsen. Er vindt (vakinhoudelijk) overleg plaats tussen de [School X] en [verzoekster] , er worden sollicitatietrainingen verzorgd en [verzoekster] geeft gastcolleges op de [School X] .
2.5.
In juni 2017 was er een vacature bij [verzoekster] voor een studentstage op de Samenstelpraktijk in [plaats] . In dat verband heeft op 30 juni 2017 een sollicitatiegesprek plaatsgevonden met een twintigjarige studente van de [School X] (hierna: de studente), waarbij namens [verzoekster] aanwezig waren [verweerder] en een collega, mevrouw [A] . Tijdens het gesprek heeft de studente aangegeven voorkeur te hebben voor de controlepraktijk, een andere zelfstandige discipline van [verzoekster] . [verweerder] heeft de studente dezelfde dag, 30 juni 2017, gebeld om aan te geven dat de afdeling personeelszaken zou bekijken wat de stagemogelijkheden waren bij de controleafdeling van [verzoekster] . [B] (hierna: [B] ), [functie B] bij [verzoekster] , was niet aanwezig bij het sollicitatiegesprek en heeft achteraf bij [verweerder] geïnformeerd naar het verloop van het gesprek. In dit verband heeft [B] het volgende, voor zover van belang, schriftelijk verklaard:
"(…) In plaats van een inhoudelijke reactie begon dhr. [verweerder] met het beschrijven van de studente, lange benen, (kort) rokje en hoge naaldhakken. Ik heb hierop gereageerd dat ik die benadering niet waardeerde en dat het niet om het uiterlijk gaat, maar om de inhoud. Daarbij heb ik dhr. [verweerder] er op aangesproken dat hij zo ook niet over collega's en mogelijke collega's binnen [verzoekster] diende te praten. (…)".
2.6.
Op maandagavond 3 juli 2017 heeft [verweerder] via WhatsApp contact gezocht met de studente. De WhatsApp conversatie vond plaats tussen 20.52 uur en 22.26 uur en verliep als volgt:
[verweerder] : "Hoihoi.
Heb ik 't goede nummer?"
Studente: "Hallo! Ja hoor"
[verweerder] : "Ik zag geen foto..vandaar"
Studente: "Oh zo okee"
[verweerder] : "Had een vraag over Tsjechië…hadden we t met een van jullie over gehad .. wist niet meer met wie…maar heb t weer gevonden"
Studente: "Ahh okee mooi zo!"
[verweerder] : "Mag ik je nog een compliment geven?
Je zag er echt fantastisch uit"
Studente: "Dankuwel"
[verweerder] : "Haha deze was op persoonlijke titel
Je mag wel ophouden met dat ge U
Heb je vaak zulke hakken aan?"
Studente: "Ja hoezo"
[verweerder] : "Ze leken mij wel heel hoog…maar ik ben dan zoiets ook niet gewend..kan je hier ook op dansen?
Mag ik zo vrij zijn dit te vragen?".
Hierna heeft de studente niet meer gereageerd en de conversatie was hiermee ten einde. Enkele dagen later heeft de studente een vriendschapsverzoek voor Snapchat van [verweerder] ontvangen, waarop zij niet heeft gereageerd.
2.7.
De studente heeft de WhatsApp conversatie en de ontvangst van het Snapchat-verzoek van [verweerder] in de week van 10 juli 2017 mondeling gemeld bij de heer [C] , [functie C] aan de [School X] (hierna: de [coördinator] ) en het voorgaande voorts schriftelijk bevestigd bij e-mailbericht van 17 juli 2017. De dag daarna heeft de [coördinator] het gebeuren telefonisch gemeld aan de heer [D] (hierna: [D] ), die onder andere [functie D] bij [verzoekster] is, en de klacht nadien schriftelijk via de mail bevestigd. [D] heeft, nadat hij nog een aantal vragen aan de studente heeft gesteld, de kwestie voorgelegd aan de directie van [verzoekster] . Op 20 juli 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden, waarbij [verweerder] door [D] en de heer [E] , algemeen directeur, met behoud van loon werd geschorst en hem werd meegedeeld dat hij nog op de hoogte zou worden gesteld van de maatregelen die genomen zouden worden. Hierop heeft de algemeen directeur de Vennotenraad (een afvaardiging van de vennoten) van [verzoekster] om advies gevraagd. Het advies van de Vennotenraad luidde - in de kern - dat het dienstverband met [verweerder] moest worden beëindigd.
2.8.
Bij WhatsApp bericht van 21 juli 2017 heeft [verweerder] aan [verzoekster] geschreven dat hij niet in staat was om naar kantoor te komen omdat hij helemaal op was en geen oog dicht had gedaan en heeft hij voorgesteld hem een e-mailbericht te sturen. Bij e-mailbericht van dezelfde dag heeft [verzoekster] vervolgens aan [verweerder] meegedeeld dat [verzoekster] zijn gedrag als ernstig verwijtbaar beschouwt en derhalve het dienstverband wil beëindigen waarbij zij, alvorens bij de kantonrechter om ontbinding te verzoeken, [verweerder] eerst een vaststellingsovereenkomst heeft aangeboden waarmee de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zou eindigen.
2.9.
Op 23 juli 2017 heeft [verweerder] telefonisch aan [verzoekster] laten weten voormelde vaststellingsovereenkomst niet te accepteren. [verweerder] heeft tot op heden geen werkzaamheden meer voor [verzoekster] verricht.
3 Het verzoek
3.1.
[verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) te ontbinden, op de kortst mogelijke termijn, zonder rekening te houden met de toepasselijke opzegtermijn.
3.2.
Aan dat verzoek legt zij een tweetal gronden in de zin van artikel 7:669 BW ten grondslag. Ten eerste stelt zij dat sprake is van verwijtbaar handelen van [verweerder] , zodanig dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, in de zin van artikel 7:669 lid 3, onderdeel e. Ten tweede stelt [verzoekster] dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding op grond waarvan van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, in de zin van artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW. Ter onderbouwing van het verzoek voert [verzoekster] - samengevat - het volgende aan.
3.3.
[verweerder] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door het hardnekkige en herhaalde ongewenste en (seksueel) intimiderende karakter van zijn handelen richting een studente die in een afhankelijkheidsrelatie jegens hem verkeerde. Dit handelen bestond uit het - verspreid over de avond met een geruime tijd tussen de reacties over en weer - ongevraagd en ongewenst sturen van WhatsApp berichten en het sturen van een Snapchat-verzoek enkele dagen later. En dit terwijl [verweerder] als leidinggevende een voorbeeldfunctie bekleedt en verantwoordelijk is voor vele medewerkers en stagiaires. Tevens heeft [verweerder] door voornoemd handelen de door hem afgelegde beroepseed en de daaruit volgende kernwaarden van [verzoekster] geschonden. [verweerder] heeft de eer en goede naam van [verzoekster] ernstig beschadigd c.q. op dit punt grote risico's genomen, waarbij de voor [verzoekster] zeer belangrijke relatie met de [School X] op het spel is gezet. Zowel de [School X] als de studente hebben [verzoekster] om adequaat ingrijpen verzocht ter voorkoming van incidenten in de toekomst. Daarbij komt dat [verweerder] - die gewaarschuwd was dat dergelijk gedrag de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst mee zou brengen - zelf geen inzicht heeft getoond van de ernst van het verwijt dat hem wordt gemaakt en de kwestie bagatelliseert, aldus [verzoekster] . De persoonlijke omstandigheden van [verweerder] maken het voorgaande volgens [verzoekster] niet anders. De vennoten hebben unaniem vastgesteld dat [verweerder] een zo verstrekkend verwijt moet worden gemaakt, dat zijn arbeidsovereenkomst niet kan worden voortgezet. Gelet op het ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van [verweerder] dient de arbeidsovereenkomst ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 sub b BW op de kortst mogelijke termijn, zonder rekening te houden met de toepasselijke opzegtermijn, te worden ontbonden, aldus [verzoekster] .
3.4.
Daarbij komt dat door het handelen van [verweerder] en alle consequenties daarvan, het in hem gestelde vertrouwen onherstelbaar is beschadigd. En dat terwijl vertrouwen in de uitoefening van het vak van [verweerder] een van (zo niet) de belangrijkste kernwaarden is, welke kernwaarden duidelijk worden uitgedragen door [verzoekster] , onder andere door posters in de kantoren. [verweerder] is er zelf debet aan dat de bodem onder zijn arbeidsovereenkomst is weggeslagen. Dit maakt dat sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding waardoor van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zo zegt [verzoekster] .
3.5.
Herplaatsing van [verweerder] is volgens [verzoekster] niet aan de orde. Enerzijds vanwege de ernstig verwijtbare gedraging van [verweerder] , anderzijds omdat er geen passende vacatures zijn.
4 Het verweer en de tegenverzoeken
4.1.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt primair dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] verzoekt voorts dat [verzoekster] wordt veroordeeld om [verweerder] binnen twee dagen na afgifte van de beschikking weer toe te laten tot het werk, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of per dagdeel gedurende welke [verzoekster] hieraan geen gevolg geeft. [verweerder] voert - samengevat - het volgende als verweer aan.
4.2.
Er is geen sprake van hardnekkig en herhaald ongewenst en seksueel intimiderend handelen van [verweerder] richting de studente. Er is namelijk feitelijk slechts één contactpoging van [verweerder] geweest waarmee hij geen bijbedoelingen heeft gehad maar enkel contact wilde leggen ter uitbreiding van zijn persoonlijk netwerk op social media. Het Snapchat-verzoek is per ongeluk verzonden. Er was geen sprake van een zakelijke relatie c.q. een afhankelijkheidsrelatie tussen [verweerder] en de studente omdat de stageplaats niet tot stand was gekomen en het voor alle partijen duidelijk was dat [verweerder] geen verdere bemoeienis meer zou hebben met een eventueel vervolg. [verweerder] - die in staat is en blijft op goede wijze zijn voorbeeldfunctie als leidinggevende te verrichten - heeft geen handelingen verricht die in strijd zijn met de beroepseed en hij heeft ook niet de eer en goede naam van [verzoekster] beschadigd. Voor zover dit wel het geval zou zijn, is dat volledig aan [verzoekster] zelf te wijten, nu zij het gebeuren met de studente veel groter heeft gemaakt dan nodig was en de kwestie daardoor heeft laten ontsporen. Tussen [verzoekster] en [School X] bestaat geen juridische relatie maar een samenwerkingsrelatie die niet aantoonbaar is beschadigd en beide partijen hebben belang bij continuering van die relatie; het ontstane probleem had dan ook binnenskamers kunnen blijven, waarbij geldt dat [verweerder] heeft aangeboden excuses aan te bieden. [verzoekster] heeft een disproportionele keuze gemaakt, en had met [verweerder] in gesprek moeten gaan met de intentie om een oplossing te vinden, wat zeker mogelijk was geweest. [verweerder] heeft weliswaar een andere visie op het gebeuren dan [verzoekster] maar staat open voor kritiek en zou bijvoorbeeld ook bereid zijn geweest een waarschuwing te accepteren. Die kans heeft [verzoekster] hem echter niet gegeven door - zonder een reële vorm van hoor en wederhoor - vrijwel de zwaarst denkbare arbeidsrechtelijke en disproportionele maatregel, die al bij voorbaat vast stond, te nemen. [verweerder] betwist dat hij eerder gewaarschuwd zou zijn door [verzoekster] en heeft wel degelijk inzicht in zijn eigen handelen getoond. Tijdens het gesprek van 20 juli 2017 was hij door de reactie van [verzoekster] echter dermate ontdaan en in de war - wat ook blijkt uit het WhatsApp bericht van [verweerder] van de dag erna (r.o. 2.8.) - dat hij op dat moment niet adequaat heeft kunnen reageren. Al met al is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerder] geen sprake (geweest), aldus [verweerder] . Bovendien zou een ontbinding zoals thans verzocht zeer ingrijpende gevolgen voor [verweerder] hebben, nu hij waarschijnlijk geen WW-uitkering zou krijgen en het vrijwel onmogelijk voor hem is binnen de beroepsgroep - die vrij klein is - opnieuw werk te vinden nu de goede naam van [verweerder] - blijkens de inhoud van een WhatsApp bericht van zijn vroegere leidinggevende die zou hebben gehoord dat [verweerder] op staande voet was ontslagen - reeds is aangetast. [verzoekster] gaat volledig voorbij aan de belangen van [verweerder] .
4.3.
Er is sprake van een eenmalig incident waarbij volgens [verweerder] geen sprake is van verwijtbaar gedrag aan zijn zijde. Door de hele kwestie is de arbeidsverhouding er vanzelfsprekend niet beter op geworden maar van een verstoring die met zich brengt dat continuering van het dienstverband niet mogelijk is, is geen sprake. [verzoekster] heeft geen enkele poging gedaan om de verstoring die is opgetreden te herstellen, terwijl herstel wat [verweerder] betreft zonder meer nog mogelijk is. [verweerder] was en is bereid in gesprek te gaan met betrokken medewerkers bij [verzoekster] , al dan niet onder begeleiding van een mediator. [verweerder] is en blijft tevens bereid desgevraagd excuses aan te bieden voor de onbedoelde effecten die zijn handelen mogelijk (toch) hebben gehad. Er is echter geen sprake van een situatie die dermate ernstig is dat de arbeidsverhouding niet zou kunnen worden hersteld.
4.4.
Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] (subsidiair) bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek:
- bij de ontbinding rekening te houden met de opzegtermijn, zoals neergelegd in de arbeidsovereenkomst onder artikel 1, zodat een opzegtermijn van vier maanden in acht zal worden genomen;
- toekenning van de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:671 b, lid 8 onder c, ad € 50.000,00, omdat in de optiek van [verweerder] alsdan sprake is van ernstig verwijtbaar handelen c.q. nalaten aan de zijde van [verzoekster] ;
- het relatiebeding, zoals dat tussen partijen is overeengekomen en is neergelegd in de arbeidsovereenkomst in art. 10, te vernietigen.
[verzoekster] heeft daartegen verweer gevoerd.
5 De beoordeling
In de zaak van het verzoek
5.1.
Gesteld noch gebleken is dat het verzoek verband houdt met één van de opzegverboden van artikel 7:670 BW of met enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.
5.2.
De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).
5.3.
[verzoekster] voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in het verwijtbaar handelen van [verweerder] en tevens in een verstoorde arbeidsverhouding met [verweerder] , zodanig dat van [verzoekster] in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door [verzoekster] in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e en/of g BW. Daartoe wordt het volgende overwogen.
de e-grond: verwijtbaar handelen
5.4.
Sprake moet zijn van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer dat van de werkgever in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij die afweging kunnen alle omstandigheden van het geval worden meegenomen. De kantonrechter is, alles overziende, van oordeel dat er onvoldoende grond bestaat voor de gevraagde ontbinding op de e-grond. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.5.
De kantonrechter stelt vast dat het feitelijk handelen dat door [verzoekster] ten grondslag wordt gelegd aan haar ontbindingsverzoek bestaat uit het versturen van WhatsApp berichten aan de studente alsmede het doen van een Snapchat-verzoek. Anders dan [verweerder] meent was er naar het oordeel van de kantonrechter op het moment van het versturen van de WhatsApp berichten sprake van een - op zijn minst - ongelijke relatie tussen [verweerder] en de studente, nu [verweerder] deel uitmaakt van het management van [verzoekster] , een groot accountantskantoor waar de twintigjarige studente - ook al is het niet op zijn afdeling - stage gaat of wil gaan lopen. Niet in geschil tussen partijen is dat de desbetreffende WhatsApp berichten met de inhoud zoals weergegeven in r.o. 2.6. zijn verzonden door [verweerder] . De betwisting door [verweerder] dat hij het desbetreffende Snapchat-verzoek niet bewust heeft gestuurd, acht de kantonrechter, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [verzoekster] hiervan, onvoldoende om te concluderen dat het verzoek per ongeluk zou zijn verstuurd. Tevens heeft [verzoekster] aangevoerd dat [verweerder] zich de middag na het sollicitatiegesprek met de studente telefonisch jegens [B] , in reactie op diens vraag naar het verloop van het sollicitatiegesprek, aanvankelijk enkel heeft uitgelaten over het uiterlijk van de studente. [verweerder] heeft voormelde uitlatingen als zodanig niet weersproken maar aangevoerd dat deze werden ingegeven door een gesprek kort daarvoor met een collega, hetgeen door [verzoekster] wordt betwist.
5.6.
De kantonrechter acht voormelde gedragingen van [verweerder] - met name ter zake de WhatsApp berichten - mede gelet op zijn managementfunctie - en daarmee de voorbeeldfunctie die [verweerder] binnen [verzoekster] bekleedt en de ongelijke verhouding tussen hem en de studente, wel degelijk verwijtbaar. Echter, het handelen van [verweerder] is, naar het oordeel van de kantonrechter, niet dusdanig verwijtbaar dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daartoe is het volgende redengevend.
5.7.
Gelet op de inhoud van, en de tijdspanne waarin de WhatsApp berichten en het Snapchat verzoek zijn verstuurd acht de kantonrechter de conclusie dat sprake is van handelingen met een hardnekkig en herhaald ongewenst en (seksueel) intimiderend karakter niet gerechtvaardigd, maar dienen de gebeurtenissen, naar zijn oordeel, veeleer als een incident te worden beschouwd. Het standpunt van [verzoekster] dat er lange tussenpozen zaten tussen de reacties over en weer, deelt de kantonrechter niet, nu de gehele conversatie zich binnen ruim anderhalf uur afspeelde, waarbij de kantonrechter aantekent dat het niet ongebruikelijk is dat bij een WhatsApp-conversatie enig tijdverloop optreedt tussen reacties over en weer. Dat [verweerder] zich enkele dagen daarvoor tegenover [B] over het uiterlijk van de studente heeft uitgelaten, maakt - wat er ook zij van de context waarin deze uitlatingen zijn gedaan - dit oordeel niet anders.
5.8.
Evenmin acht de kantonrechter - mede gelet op de gemotiveerde betwisting ervan door [verweerder] - voldoende onderbouwd gesteld door [verzoekster] dat [verweerder] van te voren gewaarschuwd zou zijn dat zijn gedrag tot het einde van de arbeidsovereenkomst zou leiden. De enkele overgelegde - door [verweerder] betwiste - verklaring van [B] , waarin niet als zodanig van een mogelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt gesproken, acht de kantonrechter in dit verband onvoldoende. Evenmin behoefde [verweerder] op basis van de informatie in het personeelshandboek redelijkerwijs te verwachten dat zijn arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd. Immers, zoals hiervoor is overwogen is onvoldoende gesteld of gebleken dat de in het personeelshandboek genoemde omstandigheden zich in casu voordeden, laat staan in die mate dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst - wat als mogelijke sanctie wordt vermeld in het personeelshandboek - in de rede zou liggen.
5.9.
Ten aanzien van de stelling van [verzoekster] dat de zeer belangrijke relatie met de [School X] op het spel is gezet overweegt de kantonrechter dat het handelen van [verweerder] weliswaar tot een klacht van de [School X] heeft geleid, maar dat de wijze waarop deze klacht vervolgens is behandeld berust op een keuze van [verzoekster] . De omstandigheid dat zowel de studente als de [School X] om adequaat ingrijpen hebben verzocht maakt niet dat [verzoekster] hierdoor gedwongen was de arbeidsrelatie met [verweerder] te beëindigen. Immers, niet gezegd is dat onder adequaat ingrijpen moet worden verstaan het beëindigen van de arbeidsrelatie, nu [verzoekster] andere, minder verstrekkende arbeidsrechtelijke maatregelen (bijvoorbeeld in de vorm van een loonsanctie) had kunnen nemen. En zelfs al hadden de studente en de [School X] met adequaat ingrijpen wel bedoeld dat de arbeidsrelatie met [verweerder] zou moeten worden beëindigd, dan brengt een dergelijk verzoek van derden - met wie geen juridische relatie bestaat - aan [verzoekster] niet met zich dat [verzoekster] hier zonder meer gevolg aan moet geven. Voorts is de kantonrechter met [verweerder] van oordeel dat de manier waarop [verzoekster] na het voorval met de klacht is omgegaan - onder andere door het inschakelen van de Vennotenraad - de kwestie alleen maar nodeloos groter heeft gemaakt, terwijl - blijkens de geschetste gang van zaken - [verweerder] niet de kans heeft gehad zijn kant van de zaak te belichten. De stelling van [verweerder] in dit verband dat [verzoekster] haar oordeel al klaar had toen zij op 20 juli 2017 met [verweerder] een - zoals [verzoekster] zelf zegt - 'confronterend' gesprek is aangegaan, is onweersproken gebleven.
5.10.
De stelling dat [verweerder] zelf geen inzicht heeft getoond van de ernst van het verwijt dat hem wordt gemaakt en de zaak bagatelliseert wordt - gelet op het voorgaande alsmede op de gemotiveerde betwisting ervan door [verweerder] - niet gehonoreerd. Evenmin acht de kantonrechter op grond van het voorgaande de conclusie gerechtvaardigd dat [verweerder] door het versturen van de WhatsApp-berichten en het Snapchat verzoek de beroepseed en de daaruit volgende kernwaarden heeft geschonden. De omstandigheid dat [verweerder] slechts korte tijd in dienst was van [verzoekster] maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. Immers, tegenover de stelling van [verzoekster] dat de korte duur van het dienstverband tegen [verweerder] pleit, kan evengoed het omgekeerde worden gesteld. Als [verweerder] al lange tijd in dienst zou zijn geweest, had hij beter moeten weten terwijl het nu om een beginnersfout kan gaan, waarbij rekening moet worden gehouden met een leereffect.
5.11.
Gelet op het voorgaande is van een voldragen e-grond geen sprake.
de g-grond: verstoorde arbeidsrelatie
5.12.
[verzoekster] heeft naast het verwijtbare handelen, ook een verstoring van de arbeidsrelatie aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd. Daarbij heeft [verzoekster] dezelfde feiten en omstandigheden als hierboven bij de e-grond aangevoerd en heeft ze benadrukt dat de belangrijkste kernwaarden van [verzoekster] - vertrouwen en integer handelen - door [verweerder] met voeten is getreden en wel op een zodanige wijze dat een toekomst voor hem bij [verzoekster] onmogelijk is geworden.
5.13.
[verweerder] erkent dat er sprake is van enige verstoring van de arbeidsverhouding, maar hij betwist dat een duurzame verstoring aan de orde is die niet hersteld zou kunnen worden. Zijn handelen heeft volgens [verweerder] , objectief beschouwd, geen aanleiding gegeven voor de verstoring maar de verstoring is veeleer veroorzaakt door [verzoekster] zelf. Op basis van onjuiste stellingen met betrekking tot zijn gedrag en op basis van één incident - waarop [verweerder] een totaal andere visie heeft dan [verzoekster] - kan geen sprake zijn van een vertrouwensbreuk die niet met een gesprek - al dan niet met behulp van mediation - waartoe [verweerder] bereid is, valt op te lossen.
5.14.
Vooropgesteld wordt dat voor een ontbinding op basis van de g-grond meer nodig is dan een in de ogen van de werkgever verstoorde arbeidsverhouding. Zoals uit het slot van artikel 7:669 lid 3 sub g blijkt is daarvoor niet alleen een verstoorde arbeidsverhouding in algemene zin vereist, maar ook dat deze zodanig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Uit de memorie van toelichting bij de Wet werk en zekerheid (hierna: WWZ) volgt dat - in beginsel - onderdeel van dat criterium is gebleven het vereiste dat de arbeidsverhouding duurzaam en ernstig verstoord is (Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 46). Die situatie doet zich hier niet voor.
5.15.
Dat sprake is van enige verstoring van de arbeidsverhouding staat buiten kijf. De ernst en duurzaamheid van die verstoring zijn in geschil. De kantonrechter is van oordeel dat uit de door [verzoekster] gestelde feiten en omstandigheden niet volgt dat de arbeidsverhouding dusdanig is verstoord dat voortzetting daarvan niet van [verzoekster] kan worden gevergd. Daartoe wordt van belang geacht dat, zoals hiervoor is overwogen, [verzoekster] - nadat [verweerder] weliswaar verwijtbaar heeft gehandeld - de zaken nodeloos op scherp heeft gezet door, na inschakeling van de Vennotenraad, te besluiten de arbeidsrelatie met [verweerder] te beëindigen. Mede gelet op de constructieve intentie van [verweerder] , die ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog eens uitdrukkelijk heeft verklaard bereid te zijn excuses te maken en in gesprek te gaan met de betrokkenen bij [verzoekster] , moet het, naar het oordeel van de kantonrechter, mogelijk zijn om de verhoudingen te normaliseren, hetgeen in redelijkheid ook van [verzoekster] mag worden verlangd. Het verzoek is dan ook niet toewijsbaar op de g-grond.
5.16.
De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] zal afwijzen en dat de arbeidsovereenkomst dus niet zal worden ontbonden.
5.17.
Nu de door [verzoekster] verzochte ontbinding zal worden afgewezen, is de voorwaarde die [verweerder] aan zijn verzoeken heeft verbonden niet in vervulling gegaan. Aan de voorwaardelijke tegenverzoeken wordt derhalve niet meer toegekomen.
5.18.
[verzoekster] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden tot op heden vastgesteld op € 600,00 aan salaris gemachtigde.
In de zaak van het tegenverzoek
5.19.
Nu hiervoor is geoordeeld dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet zal worden toegewezen, zal het verzoek van [verweerder] om wedertewerkstelling worden toegewezen, zoals hierna in het dictum te bepalen. Voor vrijstelling van werkzaamheden is immers geen grond meer aanwezig. De hierover gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat er een maximum aan de dwangsommen zal worden verbonden van € 15.000,00.
5.20.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat zij ongelijk krijgt. Vanwege de samenhang tussen het verzoek en het tegenverzoek zullen de proceskosten in het tegenverzoek worden vastgesteld op nihil.
6 De beslissing
in de zaak van het verzoek:
6.1.
wijst de verzochte ontbinding af;
6.2.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 600,00.
in de zaak van het tegenverzoek:
6.3.
bepaalt dat [verzoekster] [verweerder] binnen twee dagen na betekening van deze beschikking weer toe moet laten tot het werk, onder verbeurte van een aan [verweerder] te betalen dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel gedurende welke [verzoekster] geen gevolg geeft aan deze opdracht, tot een maximum van € 15.000,00;
6.4.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op nihil;
6.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017 door mr. A. van der Meer, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.