Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBNNE:2019:2761

Rechtbank Noord-Nederland
25-06-2019
26-06-2019
7014742 CV EXPL 18-5801
Civiel recht
Eerste aanleg - meervoudig,Op tegenspraak

Loonvordering grotendeels toegewezen. Werknemer heeft na afloop contract voor bepaalde tijd werkzaamheden zonder schriftelijke arbeidsovereenkomst gewoon voortgezet. Partijen hebben betaling loon uitgesteld naar de toekomst, zonder daaraan een termijn te verbinden. De voorwaarde die volgens de werkgever aan de betalingsverplichting in de toekomst was gekoppeld, is in deze procedure niet vast komen te staan. Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is gewekt nu afspraken door - op zich niet gezamenlijk bevoegde - bestuursleden, maar met medeweten overige bestuursleden zijn gemaakt. Voor zover de afspraken in strijd met de goede zeden zouden zijn, raakt dit het uitstellen van de betalingsverplichting en niet de betalingsverplichting zelf. Wettelijke verhoging afgewezen. Geen sprake van niet tijdige betaling in de zin van artikel 6:625 BW nu partijen betaling bewust naar de toekomst hebben geschoven.

Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0690
JONDR 2019/870
VAAN-AR-Updates.nl 2019-0690

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak-/rolnummer: 7014742 CV EXPL 18-5801

Vonnis d.d. 25 juni 2019

inzake

Stichting Topvolleybal Groningen,

gevestigd te Groningen en kantoorhoudende aan de Hemsterhuislaan 36 te Haren,

eiseres in het verzet, oorspronkelijk gedaagde, hierna STG te noemen,

gemachtigde mr. P.C. van der Maas, advocaat te Haren (Groningen),

tegen

[gedaagde in het verzet] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in het verzet, oorspronkelijk eiser, hierna [gedaagde in het verzet] te noemen,

gemachtigde mr. E. Tj. van Dalen, advocaat te Groningen.

PROCESGANG

De bij vonnis van 11 december 2018 gelaste comparitie is gehouden op 15 maart 2018. Partijen (STG vertegenwoordigd door [naam 5] ) en hun gemachtigden zijn ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.

Vervolgens is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak (nader) is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1. De kantonrechter verwijst naar en neemt over hetgeen in het tussenvonnis van 11 december 2018 is overwogen, tenzij daarna hiervan nadrukkelijk wordt afgeweken.

2. STG heeft tijdens de comparitie niet langer betwist dat er afspraken zijn gemaakt tussen [gedaagde in het verzet] enerzijds en [naam 1] en [naam 2] anderzijds, inhoudende dat de betaling van loon voor de door [gedaagde in het verzet] in de seizoenen 2011/2012 en 2012/2013 voor STG verrichte werkzaamheden op een later, niet nader bepaald, moment zou plaatsvinden. Dat maakt dat STG zich kennelijk eveneens niet langer op het standpunt stelt dat de overeenkomst tussen partijen als een vrijwilligersovereenkomst moet worden gezien, in die zin dat STG aan [gedaagde in het verzet] geen loon verschuldigd zou zijn. Dat punt kan dus verder onbesproken blijven.

3. Partijen verschillen nog wel van inzicht over wat die afspraken precies inhouden, wat de basis daarvan is, wat de hoogte van het loon is, wat de reden voor de uitgestelde betaling was en of aan de uitgestelde betaling van loon een voorwaarde was gekoppeld. STG heeft daarnaast op verschillende gronden een beroep op de nietigheid van de afspraken gedaan. Daarop zal de kantonrechter eerst ingaan, aangezien de inhoud van de overeenkomst niet van belang is als deze (ver)nietig(baar) zou zijn.

(Schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid [naam 1] en [naam 2]

4. STG heeft primair gesteld dat [naam 1] en [naam 2] samen niet bevoegd waren bindende afspraken te maken. Daartoe is aangevoerd dat in de statuten van STG is opgenomen dat de voorzitter en de secretaris gezamenlijk bevoegd zijn de stichting te vertegenwoordigen. [naam 1] was tot 1 maart 2014 voorzitter, [naam 2] was tot 1 december 2012 vice-voorzitter en, zo begrijpt de kantonrechter, geen secretaris. [gedaagde in het verzet] heeft gesteld dat hij niet op de hoogte was van het feit dat [naam 1] en [naam 2] formeel niet bevoegd waren om gezamenlijk namens STG bindende afspraken te maken. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat in ieder geval de schijn is gewekt dat zij samen vertegenwoordigingsbevoegd waren. Daartoe heeft [gedaagde in het verzet] aangevoerd dat de afspraken over zijn loon en onkostenvergoedingen altijd met [naam 1] en [naam 2] zijn gemaakt. Dat laatste is door STG op zich niet betwist. STG heeft echter aangevoerd dat [gedaagde in het verzet] nader onderzoek had moeten verrichten, althans dat hij op basis van de statuten had kunnen weten dat hij met [naam 1] en [naam 2] geen bindende afspraken kon maken, maar dat deze slechts door het bestuur gezamenlijk konden worden gemaakt, of dat de betreffende bestuurders schriftelijk gemachtigd hadden moeten zijn. In tegenstelling tot andere jaren zijn volgens STG de afspraken met [gedaagde in het verzet] niet schriftelijk bevestigd en waren de overige bestuursleden volgens STG niet op de hoogte van deze afspraken. Het verweer dat de afspraken niet schriftelijk zijn vastgelegd, kan STG naar het oordeel van de kantonrechter echter niet baten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt duidelijk naar voren dat partijen er bewust voor hebben gekozen om niets op schrift te stellen, zodat op papier geen sprake was van een dienstverband. STG heeft [naam 1] en [naam 2] als informant meegenomen ter zitting, met de bedoeling dat zij de stellingen van STG zouden kunnen toelichten c.q. onderbouwen. De kantonrechter heeft beide heren ter zitting voorgehouden dat zij hun verklaringen onder ede zouden moeten herhalen. [naam 1] heeft ter zitting vervolgens desgevraagd verklaard dat de afspraken met [gedaagde in het verzet] ter zake de uitgestelde loonbetaling wel degelijk bekend waren binnen het voltallige bestuur. [gedaagde in het verzet] heeft nog aangevoerd dat het voor de andere bestuursleden ook kenbaar was dat hij in feite aanbleef als trainer/coach en dat daar kennelijk geen vragen over zijn gesteld. Door STG is daarop niet nader ingegaan. De kantonrechter is van oordeel dat al met al in ieder geval de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is gewekt. Het standpunt van STG ter zake zal dan ook als onvoldoende (nader) onderbouwd worden verworpen. Dat betekent dat ten aanzien van dit punt om die reden geen grond is om STG toe te laten tot het leveren van bewijs.

Nietigheid afspraken

5. Namens STG is subsidiair een beroep op de nietigheid van de overeenkomst gedaan, omdat deze in strijd zou zijn met de wet en de goede zeden. Partijen verschillen van inzicht over het antwoord op de vraag op wiens initiatief de afspraken zijn gemaakt en wat de achterliggende reden was om betaling van het loon uit te stellen.

[gedaagde in het verzet] heeft in dat verband gesteld dat de afspraak om op een later tijdstip over te gaan tot uitbetalen van het loon was ingegeven door de financiële problemen van STG en dat het initiatief voor deze afspraak van STG uitging. Daarbij heeft hij wel erkend dat de afspraak hem op zich ook goed uitkwam.

STG heeft daarentegen gesteld dat de afspraak is gemaakt omdat er beslag was gelegd op de inkomsten van [gedaagde in het verzet] en de inkomsten buiten beeld van de schuldeisers moesten blijven. STG heeft op haar beurt erkend dat het STG op zich niet slecht uitkwam dat de betalingen aan [gedaagde in het verzet] werden uitgesteld in verband met de financiële situatie van STG.

De kantonrechter is van oordeel dat in het midden kan blijven op wiens initiatief de afspraken zijn gemaakt en wat daarvan de reden was. Als de achterliggende reden van de afspraken al zou zijn zoals door STG gesteld, dan leidt dat nog niet tot de consequentie die STG daaraan wil verbinden, namelijk dat STG geen loon verschuldigd is aan [gedaagde in het verzet] . Een eventuele nietigheid c.q. vernietigbaarheid zou slechts de uitgestelde betalingsverplichting betreffen en niet de betalingsverplichting zelf. Aan het beroep van STG op de (ver)nietig(baar)heid wordt om die reden dan ook voorbijgegaan.

Voorwaarde aan moment betaling loon?

6. Namens STG is voorts nog aangevoerd dat de betalingen aan [gedaagde in het verzet] zijn uitgesteld onder de voorwaarde dat deze betalingen zouden plaatsvinden op het moment dat [gedaagde in het verzet] een andere, technische of commerciële functie, binnen STG zou gaan verrichten en dat nu deze voorwaarde niet is vervuld de betalingsverplichting is komen te vervallen. [gedaagde in het verzet] heeft het bestaan van deze voorwaarde gemotiveerd betwist. Gelet op deze betwisting rust op STG de bewijslast van haar stelling dat aan de uitgestelde betalingen de door STG gestelde voorwaarde was gekoppeld. Uit de stukken valt af te leiden dat over het moment van uitbetalen, nadat [gedaagde in het verzet] in mei 2013 echt was gestopt met zijn functie als trainer/coach, tussen partijen contact is geweest en dat met name is gesproken over de wijze van factureren dan wel verantwoorden van de betalingen in de boeken van STG. Van een voorwaarde zoals door STG gesteld, blijkt uit de stukken naar het oordeel van de kantonrechter niet. In het e-mail bericht van [naam 2] aan [naam 3] (toenmalig penningmeester van STG) van 2 november 2014 waarop STG zich ter onderbouwing van haar standpunt beroept, wordt geschreven: “Ter informatie een mailtje over de onkostenvergoedingen aan [gedaagde in het verzet] . Alhoewel hier in mails met geen woord over wordt gerept, waren dit “legale” betalingen betreffende inkomsten, echter uiteindelijk zouden deze betalingen worden verrekend als betaalde voorschotten voor een mogelijk nieuw contract voor [gedaagde in het verzet] indien hij in de toekomst als een soort van technisch directeur/commercieel manager op de loonlijst van Lycurgus zou komen te staan op het moment dat hij geen knelpunten meer met de belastingdienst zou hebben. Zijn deze problemen van [gedaagde in het verzet] met de belastingdienst nu achter de rug? Als dit zo is en jullie willen gaan verrekenen dan kan dat alleen in de toekomst en zou hij vanaf een datum in de toekomst op de payroll moeten komen te staan van Lycurgus”. Hieruit valt slechts af te leiden dat [gedaagde in het verzet] , om eventuele, reeds aan [gedaagde in het verzet] gedane betalingen te kunnen verrekenen, op de payroll zou moeten staan. Uit de door STG overgelegde specificatie van het bedrag dat aan onkostenvergoeding is uitbetaald aan [gedaagde in het verzet] , volgt dat het hier niet gaat om ‘inkomsten’ waar [naam 3] in zijn mail aan refereert, maar om vergoeding van onder meer telefoon- en reiskosten. Nu het in de onderhavige procedure gaat om loon dat niet is betaald, onderbouwt de inhoud van deze mail het standpunt van STG in zoverre niet.

Bovendien heeft ook hier te gelden dat [naam 1] desgevraagd op de zitting heeft verklaard dat aan de betalingen niet de door STG gestelde voorwaarde was gekoppeld.

Namens STG is aan het eind van de zitting aangegeven dat [naam 1] (en [naam 2] ) anders hebben verklaard dan uit de aan de zitting voorafgaande gesprekken was verwacht en is verzocht om zowel [naam 1] als [naam 2] alsnog onder ede te (laten) horen. Zonder nadere toelichting - welke ontbreekt - valt niet in te zien op welk punt [naam 1] ten aanzien van het al dan niet bestaan van een voorwaarde anders zou (kunnen) verklaren. Om die reden zal het aanbod om (nader) bewijs te leveren worden gepasseerd, aangezien de stellingen die daaraan ten grondslag liggen onvoldoende (nader) zijn onderbouwd. Dit leidt tot de conclusie dat het bestaan van een voorwaarde als door STG gesteld, in deze procedure niet is komen vast te staan.

Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht?

7. [gedaagde in het verzet] heeft aan zijn loonvordering primair een arbeidsovereenkomst, subsidiair een overeenkomst van opdracht ten grondslag gelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat zij ervoor hebben gekozen om na het seizoen 2010/2011 geen arbeidsovereenkomst meer op schrift te stellen. Gesteld noch gebleken is dat de feitelijke verhoudingen zijn veranderd. [gedaagde in het verzet] heeft gewoon zijn werkzaamheden als trainer/coach voortgezet. Dat [gedaagde in het verzet] eventueel minder uren zou hebben gemaakt dan voorheen, wat door hem overigens wordt betwist, is eventueel slechts relevant voor de hoogte van het loon, waarop hierna wordt ingegaan. Voor zover partijen verdeeld zijn over het antwoord op de vraag onder welke noemer de werkzaamheden zijn geschied, constateert de kantonrechter dat op grond van de stukken en met name het verhandelde ter zitting genoegzaam is komen vast te staan dat [gedaagde in het verzet] voor zijn werkzaamheden betaald zou worden en dat in feite wel degelijk sprake was van voortzetting van de arbeidsovereenkomst, maar dat partijen om hen moverende redenen ervoor hebben gekozen deze overeenkomst niet op papier te zetten. De kantonrechter acht dan ook voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde in het verzet] voor zijn werkzaamheden als trainer/coach zou worden beloond. Nu sprake is van loon en tevens het verrichten van arbeid is voldaan aan de kernvoorwaarden van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat daarnaast sprake was van een gezagsverhouding zoals ook het geval was in de seizoenen vóór de seizoenen 2011/2012 en 2012/2013, nu niet anders is gesteld en evenmin is gebleken.

Hoogte loon

8. Partijen zijn het tevens niet eens over de hoogte van het (afgesproken) loon. [gedaagde in het verzet] heeft aanvankelijk gesteld dat hij voor het seizoen 2011/2012 een loon van € 1.150,- netto per maand zou ontvangen en voor het seizoen 2012/2013 een loon van € 1.250,- netto per maand. In totaal gaat het om een bedrag van € 28.800,- netto zoals bij de inleidende dagvaarding is gevorderd. Ter zitting heeft [gedaagde in het verzet] de vordering verminderd, in die zin dat hij een bedrag van € 26.400,- (24 x € 1.100,-) vordert. STG heeft gesteld dat als zij al loon verschuldigd is, zij slechts het loon verschuldigd is dat [gedaagde in het verzet] tot en met april 2011 verdiende en de vordering ten hoogste € 24.000,- bedraagt. De kantonrechter is van oordeel dat deze stelling van STG klopt.

In de door [gedaagde in het verzet] overgelegde brief van [naam 1] van 3 april 2014 verklaart [naam 1] onder meer: “Een vergoeding, gelijk jouw laatstverdiende nettoloon zou in toekomstige seizoenen verrekend worden”.

[naam 1] heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat hij bij zijn schriftelijke verklaring blijft en ten aanzien van het loon heeft hij verklaard dat de hoogte van de beloning gelijk was aan de vorige seizoenen.

Om welk bedrag dat ging, kon [naam 1] desgevraagd niet aangegeven. In de zich bij de stukken bevindende schriftelijke arbeidsovereenkomst van december 2009 wordt een bedrag van € 1.000,- netto per maand genoemd. Dat [gedaagde in het verzet] die overeenkomst niet heeft ondertekend, kan daaraan niet afdoen. Hij heeft immers bij e-mailbericht van 18 december 2009 geschreven “kan mij prima vinden in de arbeidsovereenkomst.” Van andersluidende afspraken, inhoudende dat hij in de seizoenen daarna een hoger loon zou ontvangen, zoals door [gedaagde in het verzet] is gesteld en door STG gemotiveerd is betwist, is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken. Evenmin is voldoende gebleken dat het loon op enig moment € 1.100,- per maand heeft bedragen. Opvallend is dat [gedaagde in het verzet] dit bedrag eerst ter zitting heeft genoemd. Weliswaar heeft hij aangegeven dat hij pas kort voor de zitting oude bankafschriften heeft teruggevonden, althans heeft bekeken, maar dit bedrag komt hoe dan ook niet overeen met zijn eerder ingenomen stellingen. Ter zitting is in dat verband de e-mail van 6 december 2010 van [naam 4] aan [gedaagde in het verzet] nog besproken waarin weliswaar een bedrag van € 1.100,- wordt genoemd, maar zonder nadere toelichting - welke ontbreekt - zegt dat op zich onvoldoende. Temeer nu STG ter zitting heeft aangevoerd dat de betalingen op iets anders zien. Het aanbod van [gedaagde in het verzet] om zijn stelling te onderbouwen door alsnog de bankafschriften over te leggen waarmee de betalingen van € 1.100,- kunnen worden aangetoond, zal de kantonrechter als tardief gedaan passeren.

9. STG heeft daarnaast nog aangevoerd dat [gedaagde in het verzet] minder en andere werkzaamheden heeft verricht dan in de seizoenen daarvoor. Dat is ter zitting door [gedaagde in het verzet] gemotiveerd betwist, waarna STG haar eerder ingenomen standpunt niet nader heeft toegelicht, zodat het verweer op dit punt als onvoldoende onderbouwd zal worden verworpen.

10. Uit voorgaande overwegingen volgt dat niet is komen vast te staan dat tussen partijen op enig moment een hoger bedrag aan loon dan € 1.000,- netto per maand is afgesproken. Dit betekent dat een bedrag van € 24.000,- netto in beginsel toewijsbaar is.

Aftrek onkostenvergoeding?

11. STG heeft echter voorts nog aangevoerd dat tijdens de onderhavige seizoenen een bedrag van € 8.885,59 aan [gedaagde in het verzet] is betaald en dat dit bedrag in ieder geval van een toe te wijzen bedrag dient te worden afgetrokken. [gedaagde in het verzet] heeft de stelling van STG gemotiveerd betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat dit bedrag ziet op onkostenvergoedingen en dat dit niet loon betreft. STG heeft zich ter onderbouwing van haar standpunt mede gebaseerd op de onder rechtsoverweging 6. geciteerde mail van [naam 2] . Daarin wordt echter weliswaar gesproken over ‘inkomsten’ en over een eventuele verrekening daarvan in de toekomst, maar, zoals onder rechtsoverweging 6. ook reeds is overwogen, gaat het hierbij gelet op de specificatie van de vergoedingen om onkosten voor o.a. telefoon en reizen. Dat met de betalingen in feite sprake zou zijn van verkapt loon, volgt daaruit in ieder geval niet. Dat is wellicht anders voor zover in die specificatie ook een bedrag van € 700,- aan vrijwilligersvergoeding is opgenomen, maar nu STG daarover verder niets heeft gesteld, ziet de kantonrechter geen aanleiding om over dit bedrag anders te oordelen dan over de andere vergoedingen.

Uit de overgelegde arbeidsovereenkomst valt op te maken dat [gedaagde in het verzet] voorheen eveneens naast loon recht had op vergoeding van kosten die rechtstreeks verband houden met zijn functie, na goedkeuring door de werkgever en onder overlegging van een declaratie.

Nu STG daadwerkelijk tot uitbetaling is overgegaan van door [gedaagde in het verzet] gedeclareerde kosten, houdt de kantonrechter het ervoor - nu iets anders niet, althans onvoldoende is gebleken - dat het totale bedrag van € 8.885,59 ziet op onkostenvergoedingen en om die reden niet in mindering strekt op het door STG verschuldigde loon.

Wettelijke verhoging

12. [gedaagde in het verzet] heeft naast loon primair de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over dat loon gevorderd. STG heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd en gesteld dat de gevorderde verhoging dient te worden afgewezen. In de eerste plaats omdat partijen geen afspraken hebben gemaakt over de datum waarop het (eventuele) loon van [gedaagde in het verzet] door STG verschuldigd zou worden. In de tweede plaats omdat, voor het geval [gedaagde in het verzet] een beroep zou doen op artikel 7:623 BW, dat beroep in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid, aangezien de afspraak met betrekking tot de uitgestelde loonbetaling op verzoek van [gedaagde in het verzet] zou zijn gedaan om te voorkomen dat het loon aan zijn beslagleggers zou worden uitbetaald. [gedaagde in het verzet] heeft geen beroep op artikel 7:623 BW gedaan, maar heeft wel gesteld dat STG, nadat zij door de gemachtigde van [gedaagde in het verzet] bij brief van 1 februari 2018 in gebreke is gesteld, in ieder geval vanaf 15 februari 2018 in verzuim is en vanaf dat moment de wettelijke verhoging verschuldigd is. Daarmee wordt naar het oordeel van de kantonrechter echter miskend dat de wet uitgaat van betaling van het in geld naar tijdruimte vastgesteld loon te voldoen telkens na afloop van het tijdvak waarover het loon volgens de overeenkomst verschuldigd is. Partijen hebben in dit geval geen afspraken gemaakt over het moment waarop het loon verschuldigd was, sterker nog, zij hebben dat moment bewust in de toekomst gelaten. In zoverre kan niet worden gesproken van niet tijdige betaling in de zin van artikel 7:625 BW en komt [gedaagde in het verzet] geen wettelijke verhoging toe. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

Wettelijke (handels)rente

13. [gedaagde in het verzet] heeft subsidiair gevorderd dat over het verschuldigde bedrag de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW dan wel de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW wordt toegewezen. Hiertegen is door STG geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat dit onderdeel van de vordering in beginsel toewijsbaar is, met dien verstande dat de kantonrechter, nu geen sprake is van een handelsovereenkomst, de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW zal toewijzen vanaf de datum die [gedaagde in het verzet] heeft gevorderd, te weten 15 mei 2018. STG is immers, gelet op de ingebrekestelling van 1 februari 2018, in ieder geval vanaf die datum in verzuim, aangezien zij niet binnen de in de brief van 1 februari 2018 gestelde termijn tot betaling is overgegaan.

Slotsom

14. Voorgaande overwegingen leiden tot de slotsom dat de vorderingen van [gedaagde in het verzet] grotendeels zullen worden toegewezen, zoals hierna in het dictum nader gespecificeerd. Wat partijen voorts nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Proceskosten

15. STG zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten zullen worden berekend op basis van het toe te wijzen bedrag. De meegevorderde nakosten zijn eveneens toewijsbaar.

BESLISSING

De kantonrechter:

vernietigt het tussen partijen onder zaak-/rolnummer 6803327 CV EXPL 18-2763 gewezen verstekvonnis van 1 mei 2018;

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt STG om tegen bewijs van betaling aan [gedaagde in het verzet] te voldoen het bruto-equivalent van € 24.000,- netto, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt STG tevens in de kosten van deze procedure te voldoen, aan de zijde van [gedaagde in het verzet] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 476,- aan griffierecht, € 98,01 aan dagvaardingskosten en € 1.680,- aan salaris gemachtigde;

veroordeelt STG in de nakosten, die worden begroot op een bedrag van € 120,-;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, kantonrechter, en op 25 juni 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: 433

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.