Voor zover verweerder de stelling heeft ingenomen dat door middel van handhaving op de vergunde stikstofemissie, het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling en de leaflets kan worden gegarandeerd dat de vergunde stikstofemissie niet zal worden overschreden, overweegt de rechtbank het volgende.
Verweerder stelt dat door middel van toezicht kan worden toegezien op de naleving van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Dit toezicht bestaat uit rendementsmetingen die op gezette tijden worden uitgevoerd en controle van de registratieverplichtingen op basis van het Activiteitenbesluit. Als de luchtwassers het beoogde rendement niet behalen, dan zal een uitbreiding of wijziging van de veehouderij ten opzichte van de referentiesituatie onder omstandigheden kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden. Verweerder kan dan handhavend optreden vanwege het ontbreken van de daarvoor vereiste natuurvergunning.
De rechtbank leidt uit het systeem van de Wnb zoals dat vorm heeft gekregen in de jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2020:2760, af dat in een natuurvergunning bepaalde activiteiten worden vergund aan de hand van een beoordeling van, zoals in dit geval, de hoeveelheid stikstof die door die activiteiten worden uitgestoten. Dat betekent dat niet de totale emissie aan stikstof wordt vergund maar dat de beschreven activiteiten worden vergund (met de stikstofemissie als gevolg). Dat betekent in de onderhavige zaak in grote lijnen dat verweerder slechts kan handhaven op de aanwezigheid van de hoeveelheid dieren, het aanwezig zijn en gebruik van de aangevraagde stalsystemen al dan niet met combi-luchtwassers en de aangevraagde vervoersbewegingen. De emissies die met deze activiteiten onlosmakelijk zijn verbonden worden verondersteld te zijn vergund (vgl. AbRvS, 18 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2760). De rechtbank kan uit dit systeem niet afleiden dat verweerder zou kunnen handhaven op de stikstofemissie als zodanig of op de gevolgen van die emissie op de Natura 2000-gebieden.
Voor wat betreft de handhaving van de betrokken regels in het Activiteitenbesluit en/of de Activiteitenregeling is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het algemeen niet het bevoegd gezag zal zijn nu deze wetgeving niet bij of krachtens de Wnb is vastgesteld. Handhaving zal veelal tot de bevoegdheid van B&W van de betrokken gemeentes behoren in het kader van de handhaving van de Wabo en de toepasselijke milieuwetgeving.
Voor wat betreft de handhaving van de beschrijving van stalsystemen en combi-luchtwassers zoals die zijn opgenomen in de leaflets die bij de betrokken Rav-codes horen, overweegt de rechtbank dat handhaving van hetgeen is opgenomen in een leaflet slechts mogelijk is indien uit de betrokken natuurvergunning uitdrukkelijk blijkt dat de betrokken veehouder ook verplicht is om de gedragsregels die eventueel uit die beschrijving in de leaflet zouden voortvloeien ook moet naleven.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet zeker is dat de onzekerheden die met de betrokken Rav-codes zijn gegeven, door verweerder met zekerheid door middel van handhaving van genoemde voorschriften kunnen worden gecompenseerd.
Daarnaast constateert de rechtbank dat handhaving pas achteraf plaatsvindt nadat er sprake is van een normovertreding. Ten tijde van de constatering van die overtreding kan de overtreding al gedurende lange tijd hebben plaatsgevonden. Aldus kan er grote onzekerheid bestaan ten aanzien van de mate waarin en de duur van de periode waarin er sprake is geweest van handelen in strijd met de natuurvergunning zodat een en ander kan hebben geleid tot forse overschrijding van de in de vergunning berekende stikstofemissie.
Tot slot is een vastgestelde overtreding niet met één druk op de knop opgelost. Daargelaten dat verweerder de landelijke handhavingsstrategie (met handhaving in meerdere stappen) hanteert, kan het bijvoorbeeld ook enige tijd vergen om een verstoring van het biologische systeem te herstellen, zo blijkt uit het WUR-rapport van november 2021 (vgl. rechtbank Oost-Brabant, 11 januari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:21).
Tenslotte heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt dat hij zijn organisatie dusdanig heeft ingericht in de zin van beschikbaarheid van menskracht en apparatuur, dat het grote aantal veehouderijen in de provincie met grote regelmaat kunnen worden bezocht en gecontroleerd op het ontstaan van mogelijke overtredingen waarop zou kunnen worden gehandhaafd. Hieruit volgt dat ook niet voor het bedrijf van derde partij inzichtelijk is gemaakt dat de benodigde capaciteit voor handhaving dusdanig is dat overtredingen in praktisch opzicht tot een verwaarloosbare toename van stikstofemissie zouden leiden.