3.1.
[verzoeker] , verzoekt bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad om:
I. een dag vast te stellen waarop deze zaak wordt behandeld;
II. bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het salaris van € 4.500,- netto per maand, te vermeerderen met de toeslag voor pensioen ad € 130,- netto en de vergoeding voor de leaseauto ad € 1.000,- netto per maand vanaf 1 december 2023
tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;
III. de wettelijke verhoging over het achterstallige salaris ex artikel 7:625 BW;
IV. betaling van de achterstallige facturen ten aanzien van de leaseauto;
V. bij wijze van voorlopige voorziening [verweerder] te veroordelen tot het nakomen van haar re-integratieverplichtingen als werkgever, waaronder onder meer de inschakeling van een bedrijfsarts, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 25.000,-.
VI. bij wijze van voorlopige voorziening [verweerder] te veroordelen tot het verstrekken van loonstroken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,-.
VII. bij wijze van voorlopige voorziening [verweerder] te veroordelen tot het verlenen van toegang tot:
- de e-mail en zijn e-mailbox van [verweerder] ;
Primair
VIII. het ontslag te vernietigen;
IX. [verweerder] te veroordelen tot betaling van het salaris van € 4.500,- netto vanaf 1 december 2023 te vermeerderen met de toeslag voor pensioen ad € 130,- netto en de vergoeding voor de leaseauto ad € 1.000,- per maand netto vanaf 1 december 2023 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;
X. [verweerder] te veroordelen tot het nakomen van haar re-integratieverplichtingen als werkgever, waaronder onder meer de inschakeling van een bedrijfsarts, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 25.000,-.
XI. [verweerder] te veroordelen tot het verstrekken van loonstroken op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,-.
XII. [verweerder] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding nog nader op te maken bij staat;
Subsidiair
XIII. aan [verzoeker] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 13.500,- netto toe te kennen;
XIV. aan [verzoeker] een transitievergoeding toe te kennen van € 18.334,66 netto zoals vermeld onder punt 9.4 van het verzoekschrift;
XV. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding van € 337.500,- netto, dan wel € 100.858,10 bruto te vermeerderen met € 12.422,74 netto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;
XVI. [verweerder] te veroordelen tot betaling van een nevenvordering, zijnde de kosten voor de afkoop van het contract van de leaseauto ad € 14.291,-
XVII. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de eindafrekening zoals vermeld in 9.10 en volgende van het verzoekschrift;
XVIII. [verweerder] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding nog nader op te maken bij staat;
Primair en subsidiair
IXX. [verweerder] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente van de hiervoor genoemde bedragen vanaf 1 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
XX. [verweerder] te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.
3.4.
[verweerder] betwist de vorderingen van [verzoeker] . Volgens haar is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst maar van een overeenkomst van opdracht met zijn eenmanszaak [naam eenmanszaak] , die per 31 december 2023 is geëindigd. [verweerder] voert onder meer aan:
- dat zij [verzoeker] vanaf juli 2012 is gaan inschakelen op het moment dat zij aan haar klanten technische ondersteuning diende te leveren op het gebied van Thincliënt en dat [verzoeker] daarnaast wat andere werkzaamheden verrichtte;
- dat [naam eenmanszaak] personeel in dienst had, te weten de dochter van [verzoeker] , die sinds 2012 administratieve werkzaamheden voor hem verrichtte en - totdat zij in juli 2021 bij [verweerder] in dienst trad - op uurbasis ook bij [verweerder] werd gedetacheerd;
- dat [naam eenmanszaak] voor de werkzaamheden van [verzoeker] aanvankelijk € 30,- per uur exclusief btw declareerde, maar dat daarna is afgesproken dat er maandelijks een vaste fee zou worden betaald, omdat het voor [verzoeker] - die ook voor andere opdrachtgevers werkte - lastig en onoverzichtelijk werd om zijn exacte uren bij te houden;
- dat het aantal uren waarvoor [verweerder] [verzoeker] inhuurde en daarmee de vaste vergoeding die zij hem betaalde in de loop der jaren gestaag is toegenomen van € 1.800,- exclusief btw (€ 30,00 per uur) in 2012 naar € 4.500,- exclusief btw (ruim € 40,- per uur)
- dat daarbij is uitgaan van ongeveer 30 uur per week, minimaal 5 weken vakantie en enkele lossen ziektedagen en [naam eenmanszaak] geen huur hoefde te betalen;
- dat [verzoeker] vanuit zijn ruimte bij [verweerder] diverse opdrachtgevers bediende en daar ook de administratie van [naam eenmanszaak] bewaarde;
- dat de fee voor [verzoeker] na 2019 niet meer is verhoogd omdat de activiteiten op het gebied van Thincliënt waarvoor [verweerder] [verzoeker] inhuurt en waarvoor ongeveer 30 uur per week werk was steeds verder afnamen;
- dat het vaste bedrag van € 1.000,- dat zij vanaf 2019 betaalde geen vergoeding was voor de leaseauto van [verzoeker] , maar een vaste kilometervergoeding voor bezoeken aan haar klanten die zij heeft afgesproken omdat steeds geen deugdelijke kilometeradministraties werden aangeleverd;
- dat [verweerder] , omdat de samenwerking met [verzoeker] steeds meer kenmerken van een arbeidsovereenkomst kreeg, op advies van haar accountant sinds 2016 verschillende keren aan [verzoeker] heeft voorgesteld om (net als al haar overige medewerkers) bij haar in dienst te komen;
- dat [verzoeker] dat absoluut niet wilde omdat hij dan niet meer de vrijheid zou hebben om zijn andere klanten vanuit [naam eenmanszaak] onder kantoortijden te bedienen, niet meer zijn eigen dag in zou kunnen delen, zich bij [verweerder] breder zou moeten ontplooien dan alleen de technische kant van Thincliënt en niet onder [naam] wilde staan;
- dat [verzoeker] ook niet mee wilde doen aan de pensioenregeling die [verweerder] in 2019 voor haar personeel heeft vormgegeven en dat toen vanwege de samenwerking en vriendschap is afgesproken dat [verweerder] maandelijks € 130,- zou betalen;
- dat [verzoeker] ook in het gesprek dat partijen half november 2023 hadden nog aan [verweerder] kenbaar heeft gemaakt dat hij niet in loondienst wilde; en
- dat partijen, aangezien de ‘Thincliënt’ werkzaamheden steeds meer zijn afgenomen en de vaste fee daardoor gaat wringen, toen samen hebben afgesproken om dan per 31 december 2023 uit elkaar te gaan.
[verweerder] merkt op dat [verzoeker] zich in het economisch verkeer naar derden en de fiscus toe presenteert en gedraagt als ondernemer, meerdere, vaste opdrachtgevers heeft en een werkneemster in dienst had. Hoeveel andere opdrachtgevers hij had, was haar niet bekend. Het feit dat [verzoeker] in AFAS is opgenomen zegt aldus [verweerder] niets over het bestaan van een arbeidsovereenkomst, omdat iedereen die bij haar ‘rondloopt’, ook als zij zoals [naam] niet in dienst zijn, in dat systeem wordt opgenomen om de relevante gegevens bij elkaar te hebben en zicht te hebben op aan- en afwezigheid. [verweerder] wijst erop dat bij [verzoeker] is vermeld dat hij vanuit een ander bedrijf/filiaal is ingehuurd en dat bij hem geen salaris is ingevoerd.